Gepubliceerd op maandag 29 augustus 2016
IEF 16210
Rechtbank Noord-Holland ||
1 aug 2016
Rechtbank Noord-Holland 1 aug 2016, IEF 16210; ECLI:NL:RBNHO:2016:6384 (Poo~Pourri tegen V.I.Poo), https://ie-forum.nl/artikelen/toewijzing-inzage-omdat-de-auteursrechtinbreuk-op-poo-pourri-net-voldoende-aannemelijk-is

Toewijzing inzage omdat de auteursrechtinbreuk op Poo~Pourri net voldoende aannemelijk is

Vzr. Rechtbank Noord-Holland 1 augustus 2016, IEF 16120; ECLI:NL:RBNHO:2016:6384(Poo~Pourri tegen V.I.Poo; Scentsible tegen Reckitt Benckiser) Auteursrecht. Inzagerecht. 843a Rv jo 1019a Rv. Eiseres stelt dat gedaagde zich schuldig maakt aan: auteursrechtinbreuk, door het zonder toestemming openbaar maken en verveelvoudigen van marketingmateriaal van POO POURRI en door het zonder toestemming overnemen van de beschermde trekken van de ‘Girls Don’t Poop’-video en de marketing- en productformat in de Engelstalige V.I.Poo-video. De video's hanteren scatologische woordspelingen en juxtapositionering. Onrechtmatig handelen, door Albert Heijn en andere retailers ertoe aan te zetten niet met POO POURRI in zee te gaan en gebruik van POO POURRI’s niet-ingeschreven gemeenschapsmodel.

Eiseres heeft rechtmatig belang bij gevorderde inzage. Dat zij ook getuigen zou kunnen horen doet niet daaraan af. Bescheiden zijn voldoende bepaald. Gestelde gebrek aan wetenschap gebruik marketingmaterialen betreft gebrek bij advocaten; gedaagde zelf is hier wel van op de hoogte. In gegeven omstandigheden is de gestelde auteursrechtinbreuk op het Poo Pourri marketingmateriaal en het gestelde onrechtmatig handelen net voldoende aannemelijk om toewijzing van (een gedeelte van) de vordering te rechtvaardigen. Voor het overige afwijzing van de vordering. Bescheiden waarin inzage moet worden gegeven, moeten worden ontdaan van concurrentiegevoelige informatie. Proceskosten gedeeltelijk op IE- en op onrechtmatige daad-grondslag.

5.19. De voorzieningenrechter gaat er van uit dat de wetenschap of door RECKITT BENCKISER gebruik is gemaakt van Poo Pourri marketingmateriaal gewoon bij RECKITT BENCKISER aanwezig moet zijn, aangezien zij zelf deze salespresentaties heeft gedaan. Het gestelde gebrek aan wetenschap ziet dus niet op gebrek aan wetenschap aan de zijde van RECKITT BENCKISER, maar op gebrek aan wetenschap van de advocaten. Desgevraagd hebben de advocaten van RECKITT BENCKISER ter zitting verklaard dat zij met hun cliënten niet hebben gesproken over de vraag of tijdens de salespresentaties gebruik is gemaakt van materialen van POO POURRI. Dit terwijl het gebruik van deze materialen één van de belangrijkste feitelijke grondslagen van de vordering is. De keuze van RECKITT BENCKISER om de ter ondersteuning van deze grondslag door POO POURRI opgevoerde feiten niet met haar advocaat te bespreken, moet naar het oordeel van RECKITT BENCKISER blijven. Het gebrek aan wetenschap van de advocaten, kan daarom niet worden geaccepteerd als een gebrek aan wetenschap van RECKITT BENCKISER.

5.20. Gelet op het feit dat RECKITT BENCKISER zelf kennis moet hebben van wat er tijdens de salespresentaties is voorgevallen, had het naar het oordeel van de voorzieningenrechter op de weg van RECKITT BENCKISER gelegen om de stelling van POO POURRI dat zij marketingmateriaal van POO POURRI heeft gebruikt, gemotiveerd te betwisten. Dat heeft RECKITT BENCKISER nagelaten. De voorzieningenrechter stelt de betwisting van RECKITT BENCKISER op dit punt daarom als ongemotiveerd ter zijde. Als niet (voldoende gemotiveerd) betwist gaat de voorzieningenrechter in het navolgende dan ook uit van de aannemelijkheid van de stelling van POO POURRI dat de marketingmaterialen van POO POURRI, waaronder de genoemde video’s, door RECKITT BENCKISER zijn gebruikt tijdens de salespresentaties.

5.21. Ten aanzien van het verweer van RECKITT BENCKISER dat het tonen van het Poo Pourri marketingmateriaal, in het bijzonder de YouTube video’s niet de vereiste auteursrechtelijke openbaarmaking of verveelvoudiging oplevert, geldt het volgende. Nu POO POURRI niet weet op welke wijze gebruik is gemaakt van haar marketingmateriaal, kan vooralsnog betwijfeld worden of sprake is van een relevante openbaarmaking en/of verveelvoudiging van auteursrechtelijk beschermde werken. In aanmerking genomen het gebrek aan (gemotiveerde) betwisting door RECKITT BENCKISER van het gebruik van de marketingmaterialen en een gebrek aan toelichting ten aanzien van de wijze van het gebruik door RECKITT BENCKISER, kan evenwel bepaald niet worden uitgesloten dat de materialen op zodanige wijze zijn gebruikt dat in een inbreukprocedure wordt geoordeeld dat sprake is van een relevante openbaarmaking en/of verveelvoudiging. Onder deze omstandigheden is de gestelde inbreuk naar het oordeel van de voorzieningenrechter net voldoende aannemelijk (in de zin van het in r.o. 5.7. weergegeven criterium) om toewijzing van de vordering, zoals hierna nader bepaald, op de grondslag in 3.2. onder (1) te rechtvaardigen.

2) Auteursrechtinbreuk door zonder toestemming overnemen van de beschermde trekken van de ‘Girls Don’t Poop’ video en POO POURRI’s marketing- en productformat in de Engelstalige V.I.Poo video
5.24. De voorzieningenrechter is van oordeel dat POO POURRI onvoldoende heeft gesteld om een redelijk vermoeden van een inbreuk of een dreigende inbreuk te kunnen aannemen op dit punt. De enkele stelling dat mogelijk dezelfde woordgrapjes worden gemaakt is daartoe onvoldoende. Daarnaast wordt de Engelstalige video op dit moment niet gebruikt en leveren mogelijke voornemens nog geen onrechtmatig handelen /(dreigende) inbreuk op, terwijl bovendien onduidelijk is of de Engelstalig video überhaupt wel afkomstig is van RECKITT BENCKISER (NL). Gelet op dit alles faalt de in 3.2. onder 2 weergegeven grondslag, zodat de vordering van POO POURRI zoals bedoeld in 3.1. onder I (d) zal worden afgewezen.

3) Onrechtmatig handelen door Albert Heijn (of andere retailers) ertoe aan te zetten niet met POO POURRI in zee te gaan.
5.27. In het voorgaande (zie r.o. 5.20.), is reeds vastgesteld dat voldoende aannemelijk is dat de producten van POO POURRI door RECKITT BENCKISER zijn gebruikt tijdens salespresentaties met retailers, tevens potentiële afnemers van POO POURRI. Onbetwist is voorts dat RECKITT BENCKISER op dat moment nog niet beschikte over een eigen product. Gelet op deze twee bijzondere omstandigheden, en in aanmerking genomen dat de afnemers na de presentatie met RECKITT BENCKISER in zee zijn gegaan en niet met POO POURRI, is de voorzieningenrechter van oordeel dat er, afhankelijk van de omstandigheden waaronder en de wijze waarop de producten van POO POURRI en het overige marketingmateriaal van POO POURRI zijn gebruikt door RECKITT BENCKISER, sprake kan zijn van onrechtmatig handelen van de zijde van RECKITT BENCKISER. Daarbij komt dat RECKITT BENCKISER geen gemotiveerde betwisting geeft omtrent het gestelde onrechtmatige gebruik van de producten en materialen van POO POURRI tijdens haar salespresentaties. Zij volstaat met een (door de voorzieningenrechter onvoldoende geachte) betwisting “bij gebrek aan wetenschap”, terwijl zij wel degelijk wetenschap heeft over de gang van zaken bij de salespresentaties. Ook hier geldt dat het gestelde onrechtmatig handelen in de gegeven omstandigheden naar het oordeel van de voorzieningenrechter net voldoende aannemelijk is (in de zin van het in r.o. 5.7. gegeven criterium), om toewijzing van de vordering op de grondslag in 3.2. onder (3) te rechtvaardigen.

4) Ontlening bij gebruik van POO POURRI’s niet-ingeschreven gemeenschapsmodel
5.28. POO POURRI beoogt met haar grondslag van ontlening van POO POURRI’s niet-ingeschreven gemeenschapsmodel (in 3.2. onder 4) eveneens inzage en afschrift te verkrijgen in de bescheiden zoals aangeduid in 3.1. onder I. (a)-(c). Nu inzage en afschrift van die bescheiden reeds toewijsbaar is geacht op de grondslagen in 3.2. onder 1 en 3, behoeft de grondslag in 3.2. onder 4 geen inhoudelijke bespreking meer.

5.32. In 3.1. onder III (b) vordert POO POURRI dat RECKITT BENCKISER een termijn wordt geboden van één dag om de bescheiden te ontdoen van vertrouwelijke bedrijfsinformatie. Gelet op het feit dat partijen concurrenten van elkaar zijn, in aanmerking genomen de onbetwiste stelling van RECKITT BENCKISER dat de bescheiden concurrentiegevoelige informatie zullen bevatten, acht de voorzieningenrechter het van belang dat RECKITT BENCKISER de gelegenheid krijgt om de bescheiden van concurrentiegevoelige informatie te ontdoen. Met RECKITT BENCKISER is zij van oordeel dat een termijn van één dag daarvoor te kort is. In dit verband is van belang dat POO POURRI heeft gesteld dat de deurwaarder weken met de aanvankelijk beslagen bescheiden bezig is geweest, teneinde vast te stellen welke bescheiden onder het beslag vielen, zodat niet kan worden uitgesloten dat het om een omvangrijke hoeveelheid bescheiden gaat. De voorzieningenrechter zal RECKITT BENCKISER daarom een termijn van twee weken gunnen.