Artikel geschreven door Caroline Theunis, Artes Law.
Arrondissementsrechtbank Antwerpen bevestigt: particulier kan een zaak in kort geding voor de ondernemingsrechtbank brengen
De aanleiding: ambtshalve bevoegdheidsvraag
Begin maart 2026 dagvaardde een particulier twee ondernemingen voor de ondernemingsrechtbank te Antwerpen, afdeling Antwerpen met het oog op spoedeisende maatregelen. De bevoegdheid van de voorzitter van deze rechtbank om van de vordering in kort geding kennis te nemen, baseerden diens raadslieden op de gecombineerde artikelen 573 en 584 Ger. W., hieronder weergegeven:
Artikel 573 Ger. W. (bevoegdheid ondernemingsrechtbank):
‘De ondernemingsrechtbank neemt in eerste aanleg kennis van de geschillen tussen ondernemingen (…) die niet vallen onder de bijzondere bevoegdheid van andere rechtscolleges en die, wat betreft natuurlijke personen, betrekking hebben op een handeling die niet kennelijk vreemd is aan de onderneming. De vordering gericht tegen een onderneming kan onder de in het eerste lid, bepaalde voorwaarden eveneens voor de ondernemingsrechtbank worden gebracht, zelfs indien de eiser geen onderneming is. (…).
Artikel 584 Ger. W. (bevoegdheid in kort geding):
‘De (…) voorzitter van de ondernemingsrechtbank [kan] bij voorraad uitspraak doen in gevallen die [deze] spoedeisend [acht], in aangelegenheden die tot de (…) bevoegdheid van die [rechtbank] behoren.
De verweerders waren in dit geval ondernemingen en het geschil viel niet onder de bijzondere bevoegdheid van een ander rechtscollege. De voorzitter van de ondernemingsrechtbank was dus inderdaad bevoegd op basis van deze artikelen. Desondanks rees er twijfel bij de voorzitter omdat de eiser een particulier was. De zaak werd bijgevolg doorverwezen naar de arrondissementsrechtbank van Antwerpen om over de bevoegdheidsvraag te oordelen.
Minderheidsrechtsleer creëerde twijfel
De twijfel vond zijn oorsprong in een minderheidsstrekking die bestond in de rechtsleer, stellende dat het tweede lid van artikel 573 Ger.W. ‘(…) zelfs indien de eiser geen onderneming is.’ niet van toepassing was zou zijn in kort geding- procedures. 1 Volgens deze strekking zou de ‘verruiming’ van de bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank uit het tweede lid van artikel 573 Ger.W. een uitzonderlijk karakter hebben, waardoor ze restrictief moet worden begrepen en bijgevolg niet kan worden toegepast op procedures in kort geding.
Het vonnis van 21 april 2026 van de arrondissementsrechtbank Antwerpen
De arrondissementsrechtbank volgde de bovenvermelde kritiek uit de rechtsleer niet. Het artikel 573 Ger. W. kan niet, of althans niet sinds de Wet Natuurlijke Rechter 2 , worden gezien als een uitzondering op de algemene bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg, zodat een restrictieve toepassing gepast zou zijn.
Het woord ‘kan’ in het tweede lid van dat artikel houdt namelijk in dat een particulier de keuze heeft om een geschil tegen ondernemingen te brengen voor:
- hetzij de rechtbank van eerste aanleg (c.q. de vrederechter);
- hetzij de ondernemingsrechtbank.
Die visie wordt onderschreven door de parlementaire voorbereidingen bij de Wet Natuurlijke Rechter. Toen de wetgever daarmee de huidige regeling vormgaf, benadrukte hij uitdrukkelijk dat de via artikel 573 Ger. W. voorziene ‘mogelijkheid’ voor niet-ondernemers ‘om de voorkeur eraan te geven om hun vordering voor de [ondernemingsrechtbank] in te dienen’, werd behouden. 3 Bovendien kan het tweede lid van artikel 573 Ger. W. evenmin gezien worden als uitzondering op de regel van het eerste lid, welke uitzondering dan desgevallend restrictiever zou moeten worden geïnterpreteerd. De arrondissementsrechtbank ziet in het huidige wetskader geen reden waarom niet- ondernemingen hun vorderingen tegen ondernemingen wél voor de ondernemings- rechtbank zouden kunnen brengen, maar niet wanneer ze spoedeisende maatregelen beogen.
Conclusie
De beslissing van de arrondissementsrechtbank was duidelijk: de voorzitter van de ondernemingsrechtbank, zetelend in kort geding, is bevoegd om kennis te nemen van vorderingen ingesteld door niet-ondernemingen tegen ondernemingen. Deze uitspraak is van belang voor wie als of namens een particulier in kort geding wenst op te treden tegen een onderneming. De vrees voor een ambtshalve bevoegdheidsvraag bij een keuze voor de ondernemingsrechtbank, vanwege de hoedanigheid van de eiser, lijkt met deze rechtspraak van de baan te zijn.
1. De voorzitter verwees naar de volgende passage: “De hoedanigheid van de partijen is in principe enkel doorslaggevend wat de materiële bevoegdheid van de rechtbank van koophandel betreft. Deze rechtbank neemt inderdaad in eerste aanleg kennis van de geschillen tussen kooplieden, die handelingen betreffen die de wet als daden van koophandel aanmerkt, en die niet onder de algemene bevoegdheid van de vrederechter vallen (art. 573, eerste lid Ger.W.). Alleen de verweerder moet de hoedanigheid van handelaar hebben (art. 573, tweede lid Ger.W.). Bij artikel 4 van de wet van 24 juni 1970 {BS 21 augustus 1970) werd de materiële bevoegdheid van de rechtbank van koophandel geprorogeerd. Gelet op het uitzonderlijke karakter van deze verruiming van bevoegdheid kan de prorogatie niet toegepast worden in de gevallen waarbij de rechtbank van koophandel als appelrechter uitspraak doet (art. 577, tweede lid Ger.W.) en evenmin in kort geding” [de voorzitter benadrukte] (LAENENS J., Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2012, randnr. 532-533 en herneming in editie 2024 van dit handboek SCHEERS D., THIRIAR P., VANLERBERGHE B., Scheers, Thiriar en Vanlerberghe over gerechtelijk recht, Brussel, LexNow, 2024, 498).
2. Wet van 26 maart 2014 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties met het oog op de toekenning van bevoegdheid aan de natuurlijke rechter in diverse materies, BS 22 mei 2014.
3. Wetsontwerp, Parl. st. Kamer, 53-3076/1, 9-10 (‘Het artikel in ontwerp behoudt de mogelijkheid voor de aanvragers die geen ondernemingen zijn om de voorkeur eraan te geven om hun vordering voor de rechtbank van koophandel in te dienen, met dien verstande dat hun vordering betrekking moet hebben op een economische activiteit van de verweerder.’).
Meer weten? lees: IEF 23572