IEF 23416
30 maart 2026
Uitspraak

Gerecht bevestigt vervallenverklaring Uniemerk OSSA wegens niet-normaal gebruik

 
IEF 23420
30 maart 2026
Uitspraak

Offlimits v Grok en X: kort geding over niet‑consensuele uitkleedbeelden

 
IEF 23419
30 maart 2026
Uitspraak

Rb. Midden-Nederland wijst gevorderd publicatieverbod af: veiligheidsrisico onvoldoende concreet onderbouwd en geen noodzaak tot voorafgaande beperking van publicatie

 
IEF 23416

Gerecht bevestigt vervallenverklaring Uniemerk OSSA wegens niet-normaal gebruik

Gerecht EU (voorheen GvEA) 25 mrt 2026, IEF 23416; ECLI:EU:T:2026:212 (Implementing Technologies, SL tegen EUIPO en M2Linx Design, SL), https://ie-forum.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-vervallenverklaring-uniemerk-ossa-wegens-niet-normaal-gebruik

Gerecht EU 25 maart 2026, IEF 23416; IEFbe 4166; ECLI:EU:T:2026:212 (Implementing Technologies, SL tegen EUIPO en M2Linx Design, SL). Het Gerecht verwerpt het beroep van de merkhouder en bevestigt daarmee dat het figuratieve Uniemerk OSSA terecht vervallen is verklaard op grond van artikel 58, lid 1, onder a, UMVo wegens niet-normaal gebruik. De relevante periode loopt van 15 juni 2017 tot en met 14 juni 2022, dus de vijf jaren vóór het vervalverzoek. Het argument dat Spaanse nationale uitspraken en een exclusieve licentieovereenkomst tot een andere berekening van die periode moeten leiden, wijst het Gerecht af. Het Uniemerkenstelsel is autonoom, zodat nationale rechterlijke uitspraken EUIPO en het Gerecht niet binden. Ook als er mogelijk een rechtvaardiging voor niet-gebruik zou zijn, verandert dat de berekening van die vijfjaarsperiode niet.

IEF 23420

Uitspraak ingezonden door Otto Volgenant, Boekx.

Offlimits v Grok en X: kort geding over niet‑consensuele uitkleedbeelden

Rechtbank Amsterdam 26 mrt 2026, IEF 23420; C/13/783613 / KG ZA 26-120 EAM/JD (Offlimits tegen X.AI, X en XIUC), https://ie-forum.nl/artikelen/offlimits-v-grok-en-x-kort-geding-over-niet-consensuele-uitkleedbeelden

Rb Amsterdam 26 maart 2026, IEF 23420, IT 5164; C/13/783613 / KG ZA 26-120 EAM/JD (Offlimits tegen X.AI, X en XIUC). In deze zaak start Stichting Offlimits, die zich richt op het voorkomen en bestrijden van online (seksueel) grensoverschrijdend gedrag en (kinder)misbruik, een kort geding tegen X.AI (ontwikkelaar van de generatieve AI‑chatbot Grok), X Corp (de Amerikaanse X‑entiteit) en XIUC (de Ierse exploitant van X in de EER). Grok is een large language model dat via grok.com, een standalone‑app en de “Grok‑in‑X”‑functie op X beschikbaar is. Gebruikers kunnen er niet alleen tekst mee genereren, maar ook afbeeldingen bewerken en genereren. Aanleiding zijn onder andere een CCDH‑rapport en een artikel in The Guardian waaruit blijkt dat na introductie van de beeldfunctie grote hoeveelheden geseksualiseerde afbeeldingen, inclusief beelden die kinderen lijken te tonen, met Grok zijn gegenereerd en op X geplaatst, waarna de Europese Commissie een DSA‑onderzoek naar X aankondigt. Offlimits stelt dat Grok ondanks door X.AI/X aangekondigde technische maatregelen in januari 2026 nog steeds (1) niet‑consensuele “uitkleedbeelden” van echte personen genereert (deepfake‑stripbeelden) zonder controle op toestemming of leeftijd en (2) kinderpornografisch materiaal of daarop lijkende beelden kan genereren, en vordert daarom verboden en geboden (met hoge dwangsommen) die er in de kern op neerkomen dat Grok en X geen functionaliteit meer mogen aanbieden waarmee deze beelden kunnen worden gegenereerd en verspreid. De voorzieningenrechter acht zich op grond van art. 79 AVG, art. 7 lid 2 Brussel I‑bis en art. 7 Rv internationaal bevoegd, past AVG en Nederlands recht toe (via Rome II, art. 14), en verklaart Offlimits als 3:305a‑stichting ontvankelijk onder het “lichte regime” vanwege het ideële karakter en het ontbreken van schadevorderingen.

IEF 23419

Uitspraak ingezonden door Lotte van Schuylenburch en Matthijs Kaaks, Boekx.

Rb. Midden-Nederland wijst gevorderd publicatieverbod af: veiligheidsrisico onvoldoende concreet onderbouwd en geen noodzaak tot voorafgaande beperking van publicatie

Rechtbank Midden-Nederland 13 mrt 2026, IEF 23419; ECLI:NL:RBMNE:2026:1173 ([eisers c.s] tegen [gedaagde]), https://ie-forum.nl/artikelen/rb-midden-nederland-wijst-gevorderd-publicatieverbod-af-veiligheidsrisico-onvoldoende-concreet-onderbouwd-en-geen-noodzaak-tot-voorafgaande-beperking-van-publicatie

Rb. Midden-Nederland 13 maart 2026, IEF 23419; ECLI:NL:RBMNE:2026:1173 ([eisers c.s] tegen [gedaagde]). In dit kort geding willen eisers voorkomen dat [gedaagde] een voorgenomen artikel publiceert waarin de naam van [eiser sub 2] of andere tot hem herleidbare gegevens worden genoemd. Daarnaast vorderen zij dat het conceptartikel vóór publicatie aan hen wordt voorgelegd, zodat zij zich daartegen zo nodig opnieuw tot de rechter kunnen wenden. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang aanwezig, omdat eisers stellen dat publicatie voor [eiser sub 2] ernstige en onherstelbare schade zal veroorzaken. Vervolgens stelt de rechter voorop dat deze vorderingen neerkomen op voorafgaand toezicht op een publicatie. Dat botst volgens de rechter met art. 10 EVRM en art. 7 Grondwet. Een verbod vooraf is daarom alleen mogelijk als de onrechtmatigheid van de publicatie voldoende is gebleken en dat verbod nodig is ter voorkoming van onherstelbare schade. Omdat voorafgaande beperkingen grote risico’s meebrengen voor de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid, moet de noodzaak daarvan zorgvuldig en kritisch worden onderzocht en door uitzonderlijke omstandigheden worden gerechtvaardigd. De rechter maakt daarom een belangenafweging tussen enerzijds het belang van eisers bij bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de eer en goede naam van [eiser sub 2], en anderzijds het belang van [gedaagde] bij vrijheid van meningsuiting, in het bijzonder persvrijheid. Daarbij noemt de rechter als relevante factoren onder meer de ernst van de misstand vanuit het algemeen belang, de mate waarin de verdenkingen ten tijde van publicatie steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal, de inkleding van de verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen. Daarbij merkt de rechter ook op dat [eiser sub 2] indirect bestuurder is van [eiser sub 1] en dat [gedaagde] van plan is hem in het artikel aan te duiden als [naam].

IEF 23418

Article written by Michaël de Vroey, Simont Braun.

Trademarks claiming heritage through historical dates may be deceptive and invalid

In Fauré Le Page v Goyard (C‑412/24), the Court of Justice of the EU ruled on 26 March 2026 that a trademark incorporating a date perceived as a founding year and falsely evoking long‑standing know‑how, quality and prestige may be regarded as deceptive.

“Fauré Le Page Paris 1717” was registered as a trademark for luxury leather goods, yet the original Maison was dissolved in 1992 and the current company dates only from 2009. The Court did not follow the Opinion of the Advocate General and confirmed that, in the luxury sector, quality also derives from prestige and image. A false heritage date therefore deceives consumers as to the quality of the goods themselves, and that is enough to invalidate the mark.

IEF 23415

Uitspraak ingezonden door Luna Snellenberg en Maarten Haak, Hoogenraad & Haak.

Goldbergh‑ski‑jassen na Cofemel: geen auteursrecht op de Bombardino‑jas

Rechtbank Amsterdam 25 mrt 2026, IEF 23415; C/13/777444 / 1-JA ZA 25-1619 (Goldbergh tegen Lidl c.s.), https://ie-forum.nl/artikelen/goldbergh-ski-jassen-na-cofemel-geen-auteursrecht-op-de-bombardino-jas

Rb Amsterdam 25 maart 2026, IEF 23415; C/13/777444 / 1-JA ZA 25-1619 (Goldbergh tegen Lidl c.s.). De zaak gaat over de vraag of de Bombardino‑ski‑jassen van Goldbergh (collecties 22/23 en 23/24) als werk in de zin van het auteursrecht worden beschermd en of Lidl en producent Juritex daarop inbreuk maken met de bij Lidl verkochte Crivit Glamour‑jassen. Goldbergh stelt dat de creatieve combinatie van vormelementen (kort bombermodel met horizontale banen, ‘bulky’ kraag en capuchon, doorlopende rits, contrasterende zwarte ritsen en tailleband, schuine zakken, specifieke binnenafwerking en enkele Goldbergh‑details) een oorspronkelijk werk vormt en dat in de Crivit‑jassen die combinatie op herkenbare wijze is overgenomen. Subsidiair beroept zij zich op slaafse nabootsing: de Bombardino‑jassen zouden een iconisch, eigen gezicht hebben op de markt, waar Lidl c.s. nodeloos dicht bij zijn gaan zitten, mede door vergelijkbare styling en promotie. Goldbergh vordert een verbod, opgave‑ en vernietigingsvorderingen, winstafdracht, betaling van een eerder verbeurde dwangsom van 20.000 euro en volledige proceskosten ex art. 1019h Rv. De rechtbank schetst het Europese beoordelingskader (Cofemel/Brompton/Mio & USM Haller): ook toegepaste kunst wordt alleen beschermd als het object oorspronkelijk is, de persoonlijkheid van de maker weerspiegelt via vrije en creatieve keuzes, nauwkeurig en objectief identificeerbaar is, en niet louter technisch bepaald of banaal is. Afzonderlijk acht de rechtbank vrijwel alle door Goldbergh genoemde elementen technisch (functionaliteit van rits, capuchon, mesh‑voering, skipaszakje), stijlgebonden of banaal (horizontale stiksels, korte jas, SKI‑opdruk, label met merknaam), waardoor die op zichzelf geen bescherming krijgen. De weinige elementen die enige creatieve vrijheid laten (plaatsing van “Goldbergh” op de taille, zwarte ster op capuchon/rits, logo op bovenarm) maken de totale combinatie volgens de rechtbank niet zó eigen dat sprake is van een oorspronkelijk werk. Bovendien heeft Goldbergh onvoldoende concreet onderbouwd hoe juist de combinatie de persoonlijkheid van de ontwerpster weerspiegelt.

IEF 23414

BRIEF THERAPY CENTER BARCELONA: beschrijvende geografische aanduiding zonder onderscheidend vermogen

Gerecht EU (voorheen GvEA) 25 mrt 2026, IEF 23414; ECLI:EU:T:2026:215 (Raquel Maresma Bernal tegen EUIPO), https://ie-forum.nl/artikelen/brief-therapy-center-barcelona-beschrijvende-geografische-aanduiding-zonder-onderscheidend-vermogen

Gerecht EU 25 maart 2026, IEF 23414; ECLI:EU:T:2026:215 (Raquel Maresma Bernal tegen EUIPO). De zaak betreft een inschrijvingsaanvraag voor het Uniewoord-/beeldmerk “BRIEF THERAPY CENTER BARCELONA” voor diensten in klasse 41 (onderwijs en opleiding op het gebied van psychotherapie) en 44 (medische en gezondheidsdiensten, hygiëne- en schoonheidszorg, landbouw e.d.). De EUIPO‑examinator weigerde de inschrijving gedeeltelijk op grond van artikel 7, lid 1, onder b en c, UMVo 2017/1001, omdat het teken beschrijvend en niet-onderscheidend zou zijn voor de aangevraagde diensten. De aanvrager, mevrouw Maresma Bernal, stelde tegen die beslissing beroep in bij de kamer van beroep, dat op 23 april 2025 werd verworpen. In beroep bij het Gerecht vordert zij vernietiging van de beslissing van de eerste kamer van beroep (R 2283/2024‑1) en veroordeling van EUIPO in de kosten. Het EUIPO vraagt om verwerping van het beroep en, enkel bij een eventuele zitting, veroordeling van verzoekster in de kosten. Ten gronde voert verzoekster twee middelen aan: (1) schending van artikel 7, lid 1, onder c, UMVo (geen beschrijvend karakter) en (2) schending van artikel 7, lid 1, onder b, UMVo (de kamer zou het teken onjuist als niet‑onderscheidend hebben beoordeeld).

IEF 23413

Merken,- modellen- en auteursrecht | woensdag 22 april 2026

Op woensdag 22 april 2026 organiseren we de voorjaarseditie van actualiteiten merken- modellen- en auteursrecht.  Blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen op het gebied van productvormgeving, auteursrecht en merkenrecht, met Selmer Bergsma (De Brauw Blackstone Westbroek), Jesse Hofhuis (HOFHUIS) en Joris van Manen (HOYNG ROKH MONEGIER). In slechts drie uur tijd, tijdens de lunch, heeft u weer het complete overzicht.

IEF 23410

Prejudiciële vragen gesteld over verjaringsregels binnen het merkenrecht

HvJ EU 3 nov 2025, IEF 23410; C-693/25 (MPM - QUALITY [v.o.s.] tegen ELTON hodinářská, a.s.), https://ie-forum.nl/artikelen/prejudiciele-vragen-gesteld-over-verjaringsregels-binnen-het-merkenrecht

Prejudiciële vragen gesteld aan HvJEU 3 november 2025, IEF 23140; IEFbe 4161; C/2026/631 (MPM - QUALITY [v.o.s.] tegen ELTON hodinářská, a.s.) via MinBuza. Deze zaak betreft een merkenrecht-geschil tussen twee Tsjechische bedrijven (horlogemakers) over het gebruik van het woord ‘PRIM’. Het bedrijf ‘MPM-quality’ is sinds 2001 eigenaar van een nationaal merk voor horloges en uurwerken, dat met een voorrangsrecht teruggaat tot 1984. ‘ELTON hodinářská’ heeft een Uniemerk dat in 2003 werd aangevraagd en in 2005 officieel werd ingeschreven. Toen Tsjechië in 2004 lid werd van de Europese Unie, kreeg het Uniemerk van ELTON automatisch ook rechtskracht in Tsjechië. MPM-Quality had vanaf dat moment vijf jaar de tijd om actie te ondernemen tegen het gebruik van het merk in Tsjechië, maar vanwege een tijdelijke doorhaling van het merk (en daaruit volgende rechtszaken), heeft MPM-Quality dit pas weer in februari 2021 kunnen aanvechten. De centrale vraag is of het verzoekschrift nog tijdig is ingediend.

IEF 23401

HvJEU: ‘alcoholvrije gin’ verboden als benaming voor alcoholvrije drank

HvJ EU 13 nov 2025, IEF 23401; ECLI:EU:C:2025:887 (Verband Sozialer Wettbewerb eV tegen PB Vi Goods GmbH), https://ie-forum.nl/artikelen/hvjeu-alcoholvrije-gin-verboden-als-benaming-voor-alcoholvrije-drank

Hof van Justitie 13 november 2025, IEF 23401; RB 3947; ECLI:EU:C:2025:887 (Verband Sozialer Wettbewerb eV tegen PB Vi Goods GmbH). Het Hof van Justitie oordeelt dat het op grond van artikel 10 lid 7 van Verordening (EU) 2019/787 verboden is om een alcoholvrije drank aan te duiden als “alcoholvrije gin”. De benaming “gin” is een wettelijke benaming die alleen mag worden gebruikt voor dranken die voldoen aan specifieke productievereisten, waaronder een minimumalcoholpercentage van 37,5% en bereiding met ethylalcohol en jeneverbessen. Het toevoegen van termen als “alcoholvrij” doet aan dit verbod niet af.

IEF 23408

Kort geding Puma tegen buitenlandse webshops over inbreuk op Formstrip‑merken

Rechtbank Den Haag 12 mrt 2026, IEF 23408; ECLI:NL:RBDHA:2026:5265 (Puma tegen Senguoguo, Psylos1 en China Global Mall), https://ie-forum.nl/artikelen/kort-geding-puma-tegen-buitenlandse-webshops-over-inbreuk-op-formstrip-merken

Rb Den Haag 12 maart 2026, IEF 23408; ECLI:NL:RBDHA:2026:5265 (Puma tegen Senguoguo, Psylos1 en China Global Mall). Puma treedt in kort geding op tegen drie buitenlandse partijen (Senguoguo, Psylos1 en China Global Mall) die via webshops vanuit China en Canada sneakers aanbieden in de EU, waaronder Nederland, waarop een strookvormige versiering is aangebracht die volgens Puma vrijwel identiek is aan haar bekende Formstrip‑beeldmerken voor onder meer schoenen. Puma heeft via Nederlandse testaankopen meerdere paren van deze “Inbreukmakende Sneakers” besteld bij de sites psylos1.com en chinaglobalmall.com en stelt dat Senguoguo als groothandel en de twee webshops als wederverkopers betrokken zijn bij het aanbieden en verhandelen van deze producten in de EER. In dit kort geding vordert Puma onder meer een onmiddellijk stakingsbevel voor de gehele EER ten aanzien van het tonen, promoten, aanbieden, verkopen en verhandelen van de inbreukmakende sneakers, een uitgebreide opgave over herkomst, distributiekanalen, aantallen geproduceerde/ingekochte en verkochte sneakers en behaalde winst, alles versterkt met forse dwangsommen, plus een volledige proceskostenveroordeling ex artikel 1019h Rv. Volgens Puma is sprake van merkinbreuk op grond van artikel 9 lid 2 onder b UMVo en artikel 2.20 lid 2 onder b BVIE wegens verwarringsgevaar met de Formstrip‑merken; subsidiair beroept zij zich op artikel 9 lid 2 onder c UMVo en 2.20 lid 2 onder c BVIE (ongerechtvaardigd voordeel/afbreuk reputatie en onderscheidend vermogen), én op oneerlijke handelspraktijken en slaafse nabootsing.