IEF 23604
4 juni 2026
Uitspraak

Gerecht bevestigt weigering O-beeldmerk voor kleding wegens verwarringsgevaar met ouder O-merk van Olymp

 
IEF 23602
4 juni 2026
Uitspraak

Geen merkrechtelijk verwarringsgevaar tussen Acta Endocrinologica-merken

 
IEF 23601
4 juni 2026
Uitspraak

BenGH: rode ‘Powerball’ van Finish mist onderscheidend vermogen

 
IEF 23604

Gerecht bevestigt weigering O-beeldmerk voor kleding wegens verwarringsgevaar met ouder O-merk van Olymp

Gerecht EU (voorheen GvEA) 3 jun 2026, IEF 23604; ECLI:EU:T:2026:366 ((Osculati tegen EUIPO - Olymp Bezner)), https://ie-forum.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-weigering-o-beeldmerk-voor-kleding-wegens-verwarringsgevaar-met-ouder-o-merk-van-olymp

Gerecht EU 3 juni 2026, IEF 23604; ECLI:EU:T:2026:366 (Osculati tegen EUIPO - Olymp Bezner). Het Gerecht van de Europese Unie heeft het beroep van Osculati afgewezen tegen een beslissing van het EUIPO waarbij bescherming in de Europese Unie werd geweigerd aan een internationale registratie van een beeldmerk bestaande uit een gestileerde letter “O” voor diverse kleding- en modeproducten in klasse 25. Het geschil speelde tussen Osculati en Olymp Bezner, houder van een ouder Uniemerk dat eveneens bestaat uit een gestileerde letter “O”. Het Gerecht oordeelt dat voor een niet te verwaarlozen deel van het relevante publiek, met name het Duitse publiek, sprake is van verwarringsgevaar in de zin van artikel 8 lid 1 onder b UMVo. Daarbij benadrukt het Gerecht dat verwarringsgevaar in een deel van de Unie – hier Duitsland – al voldoende is om de inschrijving op Unieniveau te weigeren. Osculati had in 2021 een internationale merkregistratie met aanwijzing van de Europese Unie aangevraagd voor onder meer jassen, sportjassen, regenjassen, vissersjassen, handschoenen, truien, baretten, laarzen en bootschoenen. Tegen die aanwijzing stelde Olymp Bezner oppositie in op basis van haar oudere Uniemerk, bestaande uit een gestileerde letter “O”, geregistreerd voor onder meer overhemden, polo’s, T-shirts, truien en andere kledingstukken in klasse 25. De oppositie was gebaseerd op artikel 8 lid 1 onder b UMVo. Hoewel de oppositie aanvankelijk werd afgewezen door de oppositieafdeling, werd die beslissing in beroep vernietigd door de Kamer van Beroep. Een eerdere beslissing van de Kamer van Beroep was door diezelfde kamer al op grond van artikel 103 UMVo herroepen, waarna een eerste procedure bij het Gerecht (T‑98/24) zonder uitspraak ten gronde is geëindigd. Osculati stelde daarop beroep in bij het Gerecht. Een belangrijk onderdeel van het geschil betrof de vraag of de Kamer van Beroep aanvullende bewijsstukken mocht meenemen die Olymp Bezner pas in de beroepsfase had overgelegd. Die stukken hadden betrekking op het versterkte onderscheidend vermogen van het oudere merk in Duitsland. Het Gerecht bevestigt dat de Kamer van Beroep deze stukken terecht heeft toegelaten. Volgens het Gerecht waren de stukken relevant voor de beoordeling van het onderscheidend vermogen van het oudere merk en vormden zij een aanvulling op reeds tijdig overgelegde stukken, zoals facturen, catalogi, verklaringen en verkoopgegevens. Dat sommige documenten al tijdens de oppositieprocedure beschikbaar waren geweest, maakt dit niet anders. Het Uniemerkenrecht verlangt niet dat een partij aantoont dat eerdere overlegging onmogelijk was, en vereist evenmin dat de partij een uitvoerige rechtvaardiging geeft voor de latere overlegging. De EUIPO-richtlijnen over late bewijsindiening zijn volgens het Gerecht niet bindend voor de uitleg van het Unierecht. Ten aanzien van het relevante publiek oordeelt het Gerecht dat de betrokken waren zijn gericht op het algemene publiek, dat een gemiddeld aandachtsniveau heeft.

IEF 23602

Geen merkrechtelijk verwarringsgevaar tussen Acta Endocrinologica-merken

Gerecht EU (voorheen GvEA) 3 jun 2026, IEF 23602; ECLI:EU:T:2026:368 ((Societatea Româna de Endocrinologie tegen EUIPO - Acta Endocrinologica)), https://ie-forum.nl/artikelen/geen-merkrechtelijk-verwarringsgevaar-tussen-acta-endocrinologica-merken

Gerecht EU 3 juni 2026, IEF 23602 ; ECLI:EU:T:2026:368 (Societatea Româna de Endocrinologie tegen EUIPO, Acta Endocrinologica). Het Gerecht van de Europese Unie heeft het beroep van de Roemeense Vereniging voor Endocrinologie afgewezen tegen een beslissing van het EUIPO over een oppositieprocedure tussen twee partijen die actief zijn rondom het tijdschrift Acta Endocrinologica. Centraal stond de vraag of het aangevraagde beeldmerk Acta Endocrinologica (Buc) voor onder meer bezorgingsdiensten van tijdschriften en medische rapportagediensten verwarringsgevaar opleverde met het oudere Uniewoordmerk ACTA ENDOCRINOLOGICA (BUC), The International Journal of Romanian Society of Endocrinology / Registered in 1938 New Series. Het beroep bij het Gerecht had uitsluitend betrekking op de weigering van de oppositie voor de diensten in klassen 39 en 44 van de merkaanvraag, in verhouding tot de waren in klasse 16 van het oudere merk. De oppositie was gebaseerd op artikel 8 lid 1 sub b UMVo. Het oudere merk was onder meer geregistreerd voor publicaties, drukwerk, tijdschriften, boeken en andere goederen in klasse 16, en voor diensten in de klassen 35 en 41. Het aangevraagde merk was onder meer aangevraagd voor bezorging, verzending en distributie van tijdschriften in klasse 39 en voor het opstellen, samenstellen en uitbrengen van medische rapporten in klasse 44. De Oppositieafdeling had het bezwaar voor deze diensten afgewezen, waarna de zaak bij de Kamer van Beroep en vervolgens bij het Gerecht terechtkwam. Voor het Gerecht voerde de opposant aan dat de betrokken goederen en diensten wel degelijk soortgelijk waren. Volgens haar moesten de bezorgdiensten worden opgevat als diensten die uitsluitend betrekking hebben op het tijdschrift Acta Endocrinologica en waren zowel de goederen als de diensten gericht op hetzelfde gespecialiseerde publiek van endocrinologen en andere medische professionals. Daarnaast wees zij op de nauwe professionele banden tussen partijen en stelde zij dat de betrokken goederen en diensten complementair zijn. Het Gerecht stelt voorop dat bij de beoordeling van de soortgelijkheid van goederen en diensten in de zin van artikel 8 lid 1 sub b UMVo moet worden uitgegaan van de goederen- en dienstenomschrijvingen zoals opgenomen in de registratie en de aanvraag, en niet van de wijze waarop de merken in de praktijk worden gebruikt. Verder verwijst het Gerecht naar de vaste rechtspraak dat bij de vergelijking alle relevante factoren in aanmerking moeten worden genomen, zoals aard, doel, gebruik, concurrentieverhouding en eventuele complementariteit. De diensten in klasse 39 zijn omschreven als bezorging, verzending en distributie van tijdschriften en publicaties in algemene zin en zijn niet beperkt tot endocrinologische of medische publicaties.

IEF 23601

Uitspraak ingezonden door Sjo Anne Hoogcarspel, Mount Law.

BenGH: rode ‘Powerball’ van Finish mist onderscheidend vermogen

BenGH 2 jun 2026, IEF 23601; C 2024/27 ((Reckitt tegen Henkel)), https://ie-forum.nl/artikelen/bengh-rode-powerball-van-finish-mist-onderscheidend-vermogen

BenGH 2 juni 2026, IEF 23601; IEF-be 4233; C 2024/27 (Reckitt tegen Henkel). Het Benelux-Gerechtshof heeft het beroep van Reckitt Benckiser Finish afgewezen tegen een beslissing van het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom (BBIE) waarbij een beeldmerk bestaande uit een rode cirkel of bol voor afwas- en schoonmaakmiddelen nietig was verklaard. Volgens het Hof beschikt het teken niet van huis uit over onderscheidend vermogen, omdat het relevante publiek het zal opvatten als een decoratief element en niet als een aanduiding van commerciële herkomst. Reckitt had het beeldmerk in april 2023 aangevraagd voor onder meer afwasmiddelen, vaatwastabletten, spoelmiddelen, poetsmiddelen, ontkalkingsmiddelen en andere schoonmaakproducten in klasse 3. Het merk werd op 30 juni 2023 ingeschreven. Henkel verzocht vervolgens op grond van artikel 2.30bis lid 1 onder a BVIE om nietigverklaring van de inschrijving. Daarbij beriep zij zich op de absolute nietigheidsgronden van artikel 2.2bis lid 1 onder b en c BVIE: het ontbreken van onderscheidend vermogen en het beschrijvende karakter van het teken. Het BBIE verklaarde de inschrijving nietig. Volgens het Bureau bestaat het merk uit een eenvoudige geometrische vorm, namelijk een rode cirkel met schaduweffecten. Het relevante publiek zal het teken niet opvatten als een herkomstaanduiding, maar als een decoratief element dat wordt gebruikt bij de promotie en verpakking van vaatwasmiddelen. In beroep voerde Reckitt aan dat het merk niet kan worden gereduceerd tot een eenvoudige rode cirkel. Volgens haar gaat het om een glimmende helderrode bal met een bijzondere driedimensionale uitstraling. Verder stelde zij dat het BBIE ten onrechte geen rekening had gehouden met de wijze waarop zij het teken al jarenlang gebruikt op Finish-verpakkingen. Ook bestreed zij de relevantie van de door Henkel overgelegde voorbeelden van vergelijkbare vormen op verpakkingen van andere schoonmaakproducten. Het Hof stelt voorop dat bij een nietigheidsvordering op absolute gronden moet worden uitgegaan van een vermoeden van geldigheid van het ingeschreven merk. Het is aan degene die de nietigheid inroept om concrete omstandigheden aan te dragen die de geldigheid van het merk in twijfel trekken. Voor de beoordeling van het intrinsieke onderscheidend vermogen is bovendien de datum van de merkaanvraag bepalend, in dit geval 18 april 2023. Onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof van Justitie benadrukt het Hof dat een merk de consument in staat moet stellen de betrokken waren te onderscheiden van die van andere ondernemingen. Daarbij moet worden gekeken naar de perceptie van de normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige gemiddelde consument van de betrokken producten. Naar het oordeel van het Hof bestaat het merk uit een rode cirkel of bol met schaduweffecten. Een cirkel of bol is een eenvoudige geometrische vorm die consumenten in het algemeen niet zullen onthouden als herkomstaanduiding.

IEF 23598

Gerecht bevestigt EUIPO: geen kwade trouw bij registratie merk BLACK voor alcoholische dranken

HvJ EU 3 jun 2026, IEF 23598; ECLI:EU:T:2026:364 ((Amber Latvijas balzams AS tegen EUIPO) ), https://ie-forum.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-euipo-geen-kwade-trouw-bij-registratie-merk-black-voor-alcoholische-dranken

HvJ EU 3 juni 2026, IEF 23598; ECLI:EU:T:2026:364 (Amber Latvijas balzams AS tegen EUIPO). Het Gerecht van de Europese Unie heeft het beroep van Amber Latvijas balzams afgewezen tegen een beslissing van het EUIPO waarbij een verzoek tot nietigverklaring van het Uniemerk BLACK was afgewezen. Volgens Amber had merkhouder Foodcare het merk in 2019 te kwader trouw aangevraagd voor onder meer alcoholische dranken, omdat het bedrijf actief was in de markt voor energiedranken en geen reële intentie zou hebben gehad om het merk voor alcoholische producten te gebruiken. Het Gerecht volgt dat standpunt niet en oordeelt dat onvoldoende aanwijzingen bestaan om kwade trouw aan te nemen. Foodcare had kort vóór de merkaanvraag haar activiteiten op het gebied van productie en verkoop van alcoholische dranken uit het Poolse handelsregister laten verwijderen. Amber stelde dat deze timing aantoonde dat Foodcare geen voornemen had om het merk voor alcoholische dranken te gebruiken. Het Gerecht wijst er echter op dat de Poolse wetgeving ondernemingen ertoe noopte het aantal geregistreerde activiteiten te beperken en dat de Poolse overheid had aanbevolen alleen de actuele activiteiten in het register te laten staan. Foodcare had toegelicht dat zij daarom uitsluitend haar actuele activiteiten in het register liet opnemen. Dat alcoholgerelateerde activiteiten uit het register werden verwijderd, vormt volgens het Gerecht daarom geen bewijs van een gebrek aan gebruiksintentie of van kwade trouw. Ook acht het Gerecht van belang dat dergelijke activiteiten eerder wél in het register waren opgenomen, hetgeen juist kan wijzen op een bestaande interesse in uitbreiding naar die markt. Daarnaast voerde Amber aan dat de Poolse regelgeving inzake alcoholreclame het voor Foodcare feitelijk onmogelijk maakte om het merk BLACK zowel voor alcoholische als voor niet-alcoholische dranken te gebruiken. Volgens het Gerecht volgt daaruit echter niet dat Foodcare het merk niet te goeder trouw heeft aangevraagd. Een Uniemerk heeft werking in de gehele Europese Unie en Foodcare kan het merk ook buiten Polen gebruiken in lidstaten waar dergelijke beperkingen niet gelden.

IEF 23600

Uitspraak ingezonden door Maga Verwoert & Max van Oostrum, Leeway.

Hof ’s-Hertogenbosch bekrachtigt executievonnis: executie door Stokke onrechtmatig

HvJ EU 26 mei 2026, IEF 23600; 200.361.497/01 ((Stokke c.s. tegen Cybex c.s.)), https://ie-forum.nl/artikelen/hof-s-hertogenbosch-bekrachtigt-executievonnis-executie-door-stokke-onrechtmatig

Hof ’s-Hertogenbosch 26 mei 2026, IEF 23600; 200.361.497/01 (Stokke c.s. tegen Cybex c.s.). Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft het executievonnis (IEF 23045) tussen Stokke c.s. en Cybex c.s. bekrachtigd. Volgens het hof heeft Cybex geen dwangsommen verbeurd wegens overtreding van het eerder opgelegde verbod met betrekking tot de Iris Chair. De door Stokke ingestelde executiemaatregelen waren daarom onrechtmatig. Aan het geschil ligt een eerder kortgedingvonnis ten grondslag waarin Cybex was verboden de Iris Chair binnen de Europese Unie te verhandelen wegens een aangenomen auteursrechtinbreuk op de Tripp Trapp-stoel van Stokke . Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft dat verbod later vernietigd voor de lidstaten buiten Nederland (IEF 23486). Daardoor resteerde in het onderhavige executiegeschil uitsluitend nog de vraag of Cybex binnen Nederland het verbod had overtreden en daardoor dwangsommen had verbeurd. Stokke stelde dat Cybex het verbod had geschonden doordat promotievideo's van de Iris Chair na betekening van het vonnis nog zichtbaar waren op de global social-media-accounts van Cybex Retail op Facebook, Instagram, YouTube en LinkedIn. Ook werd aanvankelijk gewezen op een brief aan afnemers en een vermeend aanbod van de stoel via een website, maar die verwijten werden tijdens de procedure ingetrokken. Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van een gestelde overtreding niet alleen naar de letterlijke tekst van het dictum moet worden gekeken, maar ook naar de overwegingen waarop de veroordeling berust. Uit het oorspronkelijke kortgedingvonnis volgt volgens het hof dat sprake was van een terughoudend geformuleerd verbod. De voorzieningenrechter had uitdrukkelijk overwogen dat de maatregel uitsluitend was bedoeld als een "standstill" om verdere marktintroductie van de Iris Chair te voorkomen totdat in een bodemprocedure duidelijkheid zou bestaan over de auteursrechtelijke beoordeling. Tegen die achtergrond moet het verbod volgens het hof beperkt worden uitgelegd. Het verbod zag op nieuwe handelingen gericht op verkoop, verhandeling of verdere marktintroductie van de Iris Chair.

IEF 23599

Article written by Dirk Visser, Visser Schaap & Kreijger.

Is US design no longer protected in the EU?

It is possible that American designs are no longer protected by copyright in the EU. This is due to the so-called ‘term comparison rule’. This issue has resurfaced because a German court ruled in a default judgement that the shape of the Fender Stratocaster, designed in 1954, is protected by copyright in the EU. In 2024, the Court of Justice of the EU ruled that American designs in the EU may not be excluded from copyright protection. This occurred in the Kwantum/Vitra case concerning a Vitra dining chair designed by Charles and Ray Eames and copied by Kwantum. The reason for this decision was that European copyright law does not permit discrimination on the basis of origin. In the Kwantum/Vitra case, however, Kwantum had also invoked the so-called ‘term comparison’. This is the rule that if copyright has expired in the country of origin, it also expires in the country where protection is sought. This rule is set out in Section 42 of the Dutch Copyright Act and in Article 7(8) of the Berne Convention, but also in Article 7(1) of the Term of Protection Directive 2006/116/EC. This means that this ‘substantive reciprocity rule’ is not only permitted but is even mandatory under EU law. In 2020, the Court of Appeal in The Hague ruled that it is ‘justifiable’ that, on the basis of this comparison of terms, ‘the term of protection may be reduced to the minimum required by the Berne Convention’ of 25 years after creation. In that case, the copyright on the dining chair produced in 1948 would have expired in 1973’. However, the Court of Appeal in The Hague ruled, without giving any reasons: ‘That approach is not, however, applicable law’.

IEF 23597

Uitspraak ingezonden door Liselotte Bekke, NautaDutilh

Rb. Den Haag: gebruik van ‘legoblokken’ voor betonnen stapelblokken levert merkinbreuk op

Rechtbank Den Haag 27 mei 2026, IEF 23597; C/09/688082 ((LEGO Groep tegen Boon Beton)), https://ie-forum.nl/artikelen/rb-den-haag-gebruik-van-legoblokken-voor-betonnen-stapelblokken-levert-merkinbreuk-op

Rb. Den Haag 27 mei 2026, IEF 23597; C/09/688082 (LEGO Groep tegen Boon Beton). In deze zaak tussen LEGO Groep en Boon Beton staat de vraag centraal of het gebruik van de aanduidingen ‘Lego’, ‘legoblokken van beton’ en ‘betonnen legoblokken’ voor betonnen stapelblokken inbreuk maakt op de bekende LEGO-merken. Boon Beton gebruikte deze aanduidingen op haar website voor de promotie van betonnen stapelblokken. Volgens LEGO maakte Boon Beton daarmee ongerechtvaardigd gebruik van de reputatie van haar merken. Boon Beton stelde daartegenover dat de term ‘lego’ binnen de bouwsector al jarenlang wordt gebruikt als aanduiding voor stapelbare modulaire betonblokken en dat sprake was van toegestaan beschrijvend gebruik. De rechtbank gaat allereerst uit van de geldigheid van de LEGO-merken. Hoewel Boon Beton had aangevoerd dat ‘lego’ binnen de bouwsector een voor de hand liggende aanduiding zou zijn geworden en zelfs als soortnaam wordt gebruikt, had zij geen vordering tot nietigverklaring van de merken ingesteld. Om die reden gaat de rechtbank uit van de geldigheid van de ingeroepen merkrechten. Vervolgens beoordeelt de rechtbank het beroep van LEGO op de bescherming van bekende merken. Daarbij acht zij van belang dat Boon Beton de tekens veelvuldig op haar website gebruikte. Daarnaast verwijst de rechtbank naar uitlatingen van Boon Beton waaruit volgt dat zij zonder gebruik van de term LEGO minder goed vindbaar zou zijn in zoekmachines, omzet zou verliezen en op achterstand zou worden gezet ten opzichte van concurrenten. Volgens de rechtbank volgt hieruit dat Boon Beton voordeel probeerde te halen uit de aantrekkingskracht, reputatie en bekendheid van de LEGO-merken. Daarmee wordt ongerechtvaardigd voordeel getrokken uit het onderscheidend vermogen en de reputatie van die merken. De rechtbank baseert haar oordeel op de zogenoemde c-grond voor bekende merken. Daarbij merkt zij op dat het gebruik van de tekens door Boon Beton moet worden aangemerkt als gebruik ter onderscheiding van waren of diensten.

IEF 23596

Uitspraak ingezonden door mr. M.R. Rijks & mr. drs. I.C.J. van der Heijdt, Winston Taylor.

Glossy Goo maakt inbreuk op GUI GUI-model, maar niet op GUI GUI-merk

Rechtbank Den Haag 27 mei 2026, IEF 23596; C/09/698004 ((Moose c.s. tegen UP)), https://ie-forum.nl/artikelen/glossy-goo-maakt-inbreuk-op-gui-gui-model-maar-niet-op-gui-gui-merk

Rb. Den Haag 27 mei 2026, IEF 23596; C/09/698004 (Moose c.s. tegen UP). In deze zaak stonden Moose Creative Management en Moose Toys (samen: Moose c.s.) tegenover UP International. Moose Toys brengt onder de naam GUI GUI een reeks slimeproducten op de markt die worden verkocht in een dubbelwandig potje. Voor de verpakking daarvan beschikt Moose Creative Management over een op 6 oktober 2025 gedeponeerd Uniemodel. UP introduceerde vervolgens een vergelijkbaar slimeproduct onder de naam Glossy Goo. Volgens Moose c.s. maakte UP daarmee inbreuk op haar model-, merk- en auteursrechten en handelde zij bovendien onrechtmatig. UP bestreed allereerst de geldigheid van het Uniemodel. Volgens haar was het model niet nieuw en ontbrak een eigen karakter, omdat vergelijkbare potjes al voorkwamen in het vormgevingserfgoed. De voorzieningenrechter volgt dat verweer niet. Een deel van de door UP overgelegde voorbeelden was ongedateerd, waardoor niet kon worden vastgesteld dat deze vóór het depot van het Moose-model openbaar waren gemaakt. De overige modelregistraties vertoonden wel overeenkomsten, maar bevatten volgens de voorzieningenrechter niet dezelfde combinatie van vormelementen. Daarbij acht de voorzieningenrechter met name van belang dat het model wordt gekenmerkt door de constructie van een binnen- en buitenpot, de specifieke verhoudingen tussen de verschillende onderdelen en de combinatie van rechte buitenwanden met een afgeronde onderzijde. Het model voldoet daarom volgens de voorzieningenrechter aan de vereisten van nieuwheid en eigen karakter. Bij de beoordeling van de beschermingsomvang overweegt de voorzieningenrechter dat sprake is van een druk ontwerpveld: potjes voor slime- en cosmeticaproducten bestaan in vele varianten. Ook merkt de voorzieningenrechter op dat Moose c.s. haar model in zwart-wit heeft gedeponeerd, zodat kleurkenmerken geen rol spelen bij de vergelijking. De beschermingsomvang van het model is daardoor beperkt. Dat neemt volgens de voorzieningenrechter echter niet weg dat de door UP aangeboden Glossy Goo-potjes bij de geïnformeerde gebruiker dezelfde algemene indruk wekken als het geregistreerde model van Moose c.s.

IEF 23588

Nederlands Octrooicongres op dinsdag 9 juni 2026: UPC jurisprudentie

Op dinsdag 9 juni organiseren we het Nederlands Octrooicongres. Tijdens dit congres praten dagvoorzitters Peter Blok en Gertjan Kuipers u bij over de ontwikkelingen in het octrooirecht. 

Willem Hoyng (HOYNG ROKH MONEGIER) zal wederom de UPC-jurisprudentie bespreken. Hoyng is advocaat en één van de oprichters van HOYNG ROKH MONEGIER. Hij is voorzitter van de adviescommissie voor het procesreglement van het UPC en adviseert het ministerie van Economische Zaken over UPC-aangelegenheden. Daarnaast is hij hoogleraar intellectueel eigendomsrecht aan Tilburg University.

Hij bespreekt onder andere de UPC Court of Appeal decisions 2026. Ook gaat hij in op:

Crossborder jurisdiction: Dyson/Dreame (UPC CoA, 6 maart 2026) 
In deze zaak staat de vraag centraal hoe ver de bevoegdheid van het UPC buiten het UPC-gebied reikt, en of een EU-vertegenwoordiger die alleen compliance-taken uitvoert kan worden aangesproken als "intermediary" bij octrooi-inbreuk. 

Adobe/KEEEX (UPC CoA, 30 april 2026) 
Een foutieve verwijzing naar de appelregels door de rechter ontslaat een partij niet van haar eigen verantwoordelijkheid. Adobe's hoger beroep over de proceskostenzekerheid is niet-ontvankelijk verklaard omdat het ontbrekende appelverlof niet tijdig is aangevraagd.

Claim interprétation: NUC/Hurom (UPC CoA, 26 mei 2026)
Het Hof stond de intrekking toe omdat NUC niet binnen de voorgeschreven termijn had gereageerd en de opmerkingen die NUC later in haar alsnog ingediende verweerschrift in hoger beroep had gemaakt, buiten beschouwing liet. Het Hof overwoog dat de uitkomst ook niet anders zou zijn geweest indien die opmerkingen wel waren meegenomen, omdat Hurom was veroordeeld tot betaling van de proceskosten van zowel de eerste aanleg als het hoger beroep.

Ook gaat Hoyng in op de veertig uitspraken on suspensive effect. 

Tijdens dit onderdeel zijn UPC-rechters Margot Kokke en András Kupecz aanwezig voor commentaar. 

Margot Kokke trad in 2023 in dienst als juridisch gekwalificeerd rechter bij het UPC. Daarvoor was zij rechter bij de rechtbank Den Haag. Ook na haar overstap naar het UPC blijft ze daar actief als plaatsvervangend rechter. Voordat zij rechter werd, werkte ze als advocaat intellectueel eigendomsrecht in Nederland. Ook was ze consultant in internationale omgevingen op drie continenten, zowel in de private sector als bij (supra)nationale organisaties.

András Kupecz werkt bij het UPC sinds 2025. Hij behaalde een LL.M. in privaatrecht aan de Universiteit Amsterdam en een MSc in moleculaire biologie aan de Universiteit Utrecht. Voordat hij bij het UPC begon, werkte hij als Europees octrooiprocesadvocaat. Daarnaast is hij zowel advocaat en Europees octrooigemachtigde.

IEF 23594

Bavaria-leeuwenhose: supporters mogen naar binnen, maar grootschalige ambush marketing mag worden verboden

Hof Amsterdam 23 nov 2006, IEF 23594; ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ3550 (Bavaria en [appellant sub 2] tegen KNVB), https://ie-forum.nl/artikelen/bavaria-leeuwenhose-supporters-mogen-naar-binnen-maar-grootschalige-ambush-marketing-mag-worden-verboden

Hof Amsterdam 23 november 2006, IEF 23594; RB 4016; ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ3550 (Bavaria en [appellant sub 2] tegen KNVB). Het Hof Amsterdam bekrachtigt het kortgedingvonnis over de door Bavaria verspreide “leeuwenhose”, een oranje korte broek met Bavaria-logo. De KNVB had bezoekers bij de oefenwedstrijd Nederland-Kameroen verplicht hun leeuwenhose uit te trekken of af te staan voordat zij het stadion mochten betreden. Het hof gaat ervan uit dat de algemene voorwaarden van de KNVB van toepassing waren: bij massale kaartverkoop was terhandstelling redelijkerwijs niet mogelijk en de KNVB had op de toegangsbewijzen voldoende gewezen op de mogelijkheid om de voorwaarden te raadplegen. Het beroep van de bezoeker op vernietiging van die voorwaarden slaagt daarom niet. Tegelijkertijd volgt uit het arrest dat art. 5.3 van die voorwaarden, dat commercieel gebruik van toegangskaarten verbiedt, geen grond bood om bezoekers met een leeuwenhose uit het stadion te weren. De KNVB mag op grond van haar huisrecht wel huisregels stellen, maar kon zich in dit geval niet beroepen op niet vooraf bekendgemaakte huisregels. Omdat de KNVB bovendien had verklaard bezoekers in beginsel niet meer te zullen weigeren enkel omdat zij een leeuwenhose dragen, wijst het hof de bredere toekomstige vordering van de bezoeker en Bavaria tegen de KNVB af.