IEF 23339
11 maart 2026
Artikel

Roma Leuyerink wint VIE Prijs 2026 tijdens AIPPI IE Symposium

 
IEF 23337
11 maart 2026
Uitspraak

IMPRESS: geen onderscheidend vermogen voor cosmetica

 
IEF 23338
11 maart 2026
Uitspraak

Normaal merkgebruik bij kleine oplage: het Gerecht over MAX‑magazine en bewijs van gebruik

 
IEF 23339

Roma Leuyerink wint VIE Prijs 2026 tijdens AIPPI IE Symposium

Tijdens het jaarlijkse AIPPI IE Symposium in Zeist is de prestigieuze VIE Prijs uitgereikt aan Roma Leuyerink. Zij heeft als allereerst twee keer de VIE prijs gewonnen. De VIE Prijs, die met een knipoog wordt omschreven als de "Nobelprijs voor jonge auteurs binnen het IE-recht", bekroont het beste IE-juridische artikel van een jonge auteur. Roma Leuyerink ontving de prijs voor haar artikel De houdbaarheid van art. 7 en 8 Auteurswet, gepubliceerd in Intellectueel Eigendom & Reclamerecht.

IEF 23337

IMPRESS: geen onderscheidend vermogen voor cosmetica

Gerecht EU (voorheen GvEA) 11 mrt 2026, IEF 23337; ECLI:EU:T:2026:185 (Kiss Nail Products, Inc. tegen EUIPO), https://ie-forum.nl/artikelen/impress-geen-onderscheidend-vermogen-voor-cosmetica

Gerecht 11 maart 2026, IEF 23337; ECLI:EU:T:2026:185 (Kiss Nail Products, Inc. tegen EUIPO). Deze zaak betreft een beroep van Kiss Nail Products, Inc. tegen een beslissing van de Vijfde Kamer van Beroep van het EUIPO, die had geweigerd het woordmerk IMPRESS als Uniemerk in te schrijven voor uiteenlopende cosmetische producten (make‑up, huid-, oog‑ en nagelverzorgingsproducten, kunst‑ en plak‑wimpers en -wenkbrauwen, kleefmiddelen) in klasse 3 en manicure‑ en wimpergereedschap in klasse 8, op grond van artikel 7 lid 1 onder b UMVo 2017/1001 wegens gebrek aan onderscheidend vermogen. De kamer had geoordeeld dat IMPRESS door het Engelstalige publiek in de EU wordt begrepen in de betekenis “to make an impression on; have a strong, lasting or favourable effect on” en dat dit, gezien de aard van de betrokken goederen die juist dienen om het uiterlijk te verfraaien en de aandacht van anderen te trekken, enkel wordt opgevat als een banale, motiverende en lovende boodschap (“maak indruk”) en niet als een aanduiding van commerciële herkomst. Kiss Nail Products stelde bij het Gerecht dat IMPRESS hoogstens een algemene, brede laudatieve term is die niet een specifieke eigenschap van de waren beschrijft, zodat het minimale onderscheidend vermogen bezit; zij beriep zich daarbij onder meer op het arrest Merz & Krell en op eerdere EUIPO‑registraties van vergelijkbare, zelfs identieke tekens, waaronder een ouder IMPRESS‑woordmerk voor (vrijwel) identieke waren van dezelfde aanvrager.

IEF 23338

Normaal merkgebruik bij kleine oplage: het Gerecht over MAX‑magazine en bewijs van gebruik

Gerecht EU (voorheen GvEA) 11 mrt 2026, IEF 23338; ECLI:EU:T:2026:189 (MAX magazín s. r. o tegen RCS Mediagroup SpA en EUIPO), https://ie-forum.nl/artikelen/normaal-merkgebruik-bij-kleine-oplage-het-gerecht-over-max-magazine-en-bewijs-van-gebruik

Gerecht 11 maart 2026, IEF 23338; ECLI:EU:T:2026:189 (MAX magazín s. r. o tegen RCS Mediagroup SpA en EUIPO). Deze zaak betreft een geschil tussen MAX magazín s. r. o. en RCS Mediagroup SpA over de geldigheid van het EU‑woordmerk MAX voor onder meer tijdschriften, kranten en boeken in klasse 16 en dragers in klasse 9. MAX magazín heeft in 2022 bij EUIPO een vervallenverklaring gevraagd wegens niet‑normaal gebruik in de afgelopen vijf jaar (art. 58 lid 1 onder a EUTMR), waarna de Cancellation Division het merk volledig vervallen heeft verklaard met ingang van 29 september 2022. De merkhouder RCS stelde hoger beroep in en de Kamer van Beroep liet het verval in stand voor de goederen in klasse 9 en voor kranten, periodieken en boeken in klasse 16, maar oordeelde dat er voldoende bewijs was van normaal gebruik voor tijdschriften (magazines) in klasse 16, onder meer op basis van een test‑publicatie met de eiseres en een latere licentieovereenkomst met een Duitse uitgever, ondersteund door covers, facturen, verklaringen en verkoop via Duitse kiosken en spoorwegboekhandels. MAX magazín vordert bij het Gerecht gedeeltelijke nietigverklaring van deze beslissing, met als doel volledige vervallenverklaring van het merk, terwijl EUIPO en RCS vragen om afwijzing van het beroep en om veroordeling van MAX magazín in de proceskosten.

IEF 23335

Artikel geschreven door Bas Kist, Chiever.

Dat is lef hebben

Bas Kist, 6 maart 2026.

Op zich begrijp ik die politieke partij LEF uit Voorne aan Zee wel. Je zit er toch niet op te wachten dat bij de gemeenteraadsverkiezingen in het Zuid-Hollandse Voorne naast LEF ook nog een partij meedoet met de naam PARTIJ MET LEF! Dat is wat je noemt ‘lef hebben’, maar het is natuurlijk vooral verwarrend. En dus stapte LEF naar de rechter om gebruik van de naam PARTIJ MET LEF! te stoppen. Maar de rechter werkt niet mee, zo blijkt een vonnis van 30 januari.

Merk- en handelsnaam

Bij de rechtbank Rotterdam kwam LEF goed beslagen ten ijs. De partij beriep zich niet alleen op zijn Benelux merkregistratie van het logo LEF, maar ook op de oudere handelsnaamrechten van de naam LEF. Kom maar op PARTIJ MET LEF, wij lusten je rauw, zullen ze bij LEF gedacht hebben! Echter, de rechter is niet onder de indruk.

IEF 23279

Seminar over de Cyberbeveiligingswet op 16 april 2026

Veel van ons leven en werk speelt zich inmiddels af in de digitale wereld. Tegelijkertijd nemen cyberdreigingen toe, denk aan grote datalekken. Daarmee groeit het belang van goede digitale beveiliging voor bedrijven en publieke instellingen. Om het niveau van cyberbeveiliging binnen de Europese Unie te versterken is de NIS2-richtlijn opgesteld, de opvolger van de eerdere NIS1-richtlijn.

In Nederland wordt deze richtlijn geïmplementeerd via de Cyberbeveiligingswet (Cbw), die naar verwachting in het tweede kwartaal van 2026 in werking treedt. De Cbw vervangt de huidige Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Wbni) en introduceert strengere verplichtingen voor organisaties in sectoren met een belangrijk maatschappelijk of economisch gewicht. De wet bevat onder meer regels over risicobeheer, meldplichten bij incidenten, bestuurlijke verantwoordelijkheid en toezicht. Daarnaast speelt de samenwerking met zogeheten Computer Security Incident Response Teams (CSIRT’s) een belangrijke rol bij het detecteren en afhandelen van cyberincidenten.

Tegelijkertijd wordt ook de Critical Entities Resilience Directive (CER-richtlijn) in Nederland geïmplementeerd, via de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke). Beide wetten zullen naar verwachting gelijktijdig in werking treden en markeren een belangrijke stap in het versterken van de digitale weerbaarheid van vitale sectoren.

IEF 23334

Onrechtmatige concurrentie binnen joint venture en verbod op gebruik handelsnaam

Rechtbank Amsterdam 9 jul 2025, IEF 23334; ECLI:NL:RBAMS:2025:10424 ([eiseres] tegen [bedrijf 1] en [gedaagde 2]), https://ie-forum.nl/artikelen/onrechtmatige-concurrentie-binnen-joint-venture-en-verbod-op-gebruik-handelsnaam

Rb Amsterdam 9 juli 2025, IEF 23334; ECLI:NL:RBAMS:2025:10424 ([eiseres] tegen [bedrijf 1] en [gedaagde 2]). Een Duitse vennootschap ([eiseres]) en [gedaagde 2] zijn in 2021 een joint venture gestart om in Amsterdam flexibele werkplekken en kantoorruimte te verhuren via de holding [bedrijf 2] B.V. en de werkmaatschappij [bedrijf 3] B.V., die onder de handelsnaam [oude naam bedrijf 1] opereert. Eind 2024 richt [gedaagde 2] zonder medeweten van [eiseres] een eigen vennootschap [oude naam bedrijf 1] B.V. (later [bedrijf 1]) op, die eveneens kantoorruimte verhuurt in een pand op slechts 350 meter van [bedrijf 3], en daarbij gebruikt hij dezelfde naam, logo, formulieren en een brochure die sterk lijken op die van [bedrijf 3]. Vanuit het e‑mailaccount van [bedrijf 3] worden klanten benaderd met de mededeling dat een “brand-new location” of “new office” wordt geopend op het adres van [bedrijf 1], waardoor de nieuwe onderneming wordt gepresenteerd als tweede locatie van de joint venture. [eiseres] stuurt sommaties, verwijt [gedaagde 2] onrechtmatige concurrentie, gebruik van personeel en middelen van [bedrijf 3] en onttrekking van gelden (o.a. hotelkosten, facturen voor andere vennootschappen, advocaatkosten voor het pand van [bedrijf 1] en een domeinnaam voor een andere onderneming). Zij vordert in kort geding onder meer: schorsing van [gedaagde 2] als bestuurder, terugbetaling van ruim 53.000 euro aan [bedrijf 3], overdracht van bankpassen en administratie, een verbod op alle concurrerende activiteiten, een verbod op gebruik van de handelsnaam [oude naam bedrijf 1] of gelijkende namen, diverse gedragsverboden (contact met klanten en personeel, gebruik van e‑mailadressen, bankrekening en bedrijfsinformatie van [bedrijf 3], “aanhaken” bij diens stijl en identiteit) en dwangsommen, plus proceskosten (waarbij zij voor het handelsnaamaspect art. 1019h Rv inroept).

IEF 23333

A-G Rantos over persoonlijkheidsrechten bij tv- en internetuitzendingen: geen volledige bevoegdheid in Polen zonder individualiseerbare benadeling

HvJ EU 5 feb 2026, IEF 23333; ECLI:EU:C:2026:76 (Z.R. en Ś. tegen U. en Z.), https://ie-forum.nl/artikelen/a-g-rantos-over-persoonlijkheidsrechten-bij-tv-en-internetuitzendingen-geen-volledige-bevoegdheid-in-polen-zonder-individualiseerbare-benadeling

Conclusie A-G HvJ EU 5 februari 2026, IEF 23333; IEFbe 4117; ECLI:EU:C:2026:76 (Z.R. en Ś. tegen U. en Z.). In deze conclusie bespreekt advocaat-generaal Rantos de internationale bevoegdheid onder art. 5, punt 3, EEX-Vo 44/2001 bij gestelde aantasting van persoonlijkheidsrechten door een televisieserie die in meerdere lidstaten op televisie is uitgezonden en ook online beschikbaar was. Aanleiding is een Poolse procedure van een voormalig lid van een verzetsformatie en een Poolse vereniging van oud-leden tegen twee in Duitsland gevestigde producenten. Volgens verzoekers zet de serie de betrokken verzetsformatie neer als antisemitisch en collaborerend, waardoor hun persoonlijkheidsrechten zijn geschonden. De Poolse hoogste rechter vraagt het Hof in wezen twee dingen. Ten eerste of de Poolse rechter, als rechter van de staat waar de serie is uitgezonden en waar het centrum van de belangen van verzoekers ligt, bevoegd is om kennis te nemen van de gehele vordering: dus niet alleen van schade in Polen, maar ook van volledige immateriële schade door uitzending in andere lidstaten, én van verstrekkende niet-geldelijke maatregelen zoals excuses op alle betrokken zenders en websites en een voorafgaande disclaimer vóór iedere uitzending. Ten tweede, als dat niet zo is, of de Poolse rechter dan in elk geval bevoegd is voor het Poolse deel van de zaak: dus voor schade die in Polen is ingetreden en voor territoriaal beperkte maatregelen zoals excuses of een waarschuwing bij uitzending in Polen.

IEF 23332

Metaphors we judge (AI) by: a rhetorical analysis of artificial copyright disputes

Michiel A Smit, 6 maart 2026. 

I. Introduction

Generative artificial intelligence (GenAI) is too complex to fathom directly in a technological sense. At the very least, that is true for most lawyers, who instead orbit these ‘black boxes’ metaphorically without ever touching their core. As a consequence, language and rhetoric matter even more than they did before in copyright disputes. This article aims to analyse how the key questions concerning copyright and AI, indeed, largely revolve around metaphorical thinking, and how these metaphors affect our legal reasoning and judgements on these matters. In doing so, it provides an overview of European and US approaches to the most essential AI-related copyright questions with a strong emphasis on language.

The first legal question to be addressed is whether unauthorized training on data is allowed under copyright. A debate in which the metaphor ‘GenAI learns’ plays a crucial role. Next, the ‘memorization’ question will be discussed: do AI models actually copy works on which they are trained, or do they merely memorize or remember? Finally, the matter of copyrightability: can AI-generated output be protected by copyright? As will become apparent, this debate hinges on the question whether GenAI is just a ‘tool’ or ‘instrument’ or something more. But before addressing these questions, it is important to begin with an introduction to metaphors and why these matter to lawyers, particularly those dealing with AI and its intersection with copyright.

IEF 23329

ANP krijgt schadevergoeding toegewezen wegens ongeoorloofd gebruik van foto op website

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18 feb 2026, IEF 23329; ECLI:NL:RBZWB:2026:1023 (ANP tegen [bedrijf]), https://ie-forum.nl/artikelen/anp-krijgt-schadevergoeding-toegewezen-wegens-ongeoorloofd-gebruik-van-foto-op-website

Rb. Zeeland-West-Brabant 18 februari 2026, IEF 23329; ECLI:NL:RBZWB:2026:1023 (ANP tegen [bedrijf]). De kantonrechter oordeelt dat [bedrijf] inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht van ANP door zonder toestemming een foto op haar website te publiceren. ANP had voldoende aannemelijk gemaakt dat op de foto auteursrecht rust, dat dit recht aan ANP was overgedragen en dat [bedrijf] de foto daadwerkelijk op haar website had geplaatst. Het verweer dat het om een eigen vrachtwagen van [bedrijf] zou gaan, werd onvoldoende onderbouwd en daarom gepasseerd. Ook het feit dat [bedrijf] de foto later heeft verwijderd, doet volgens de kantonrechter niets af aan de reeds gepleegde inbreuk. Verder faalt het beroep op het tijdsverloop: ANP had [bedrijf] al in 2021 via Permission Machine aangeschreven, en van rechtsverwerking of verjaring was geen sprake, omdat de wettelijke verjaringstermijn van vijf jaar nog niet was verstreken. Dat [bedrijf] de communicatie van Permission Machine mogelijk als onbetrouwbaar of intimiderend had ervaren, komt volgens de kantonrechter voor eigen rekening en risico.

IEF 23331

Uitspraak ingezonden door Vivien Rorsch, LaRorsch.

Vrijheid van meningsuiting letselschadeadvocaat versus reputatiebescherming belangenbehartiger bij schietincident Alphen aan den Rijn

Hoge Raad 27 feb 2026, IEF 23331; ECLI:NL:PHR:2026:197 ([eiser 1] en Corpocon tegen [verweerder]), https://ie-forum.nl/artikelen/vrijheid-van-meningsuiting-letselschadeadvocaat-versus-reputatiebescherming-belangenbehartiger-bij-schietincident-alphen-aan-den-rijn

Parket bij de Hoge Raad 27 februari 2026, IEF 23331; ECLI:NL:PHR:2026:197 ([eiser 1] en Corpocon tegen [verweerder]). De zaak betreft uitlatingen van letselschadeadvocaat [verweerder] in een artikel in het Algemeen Dagblad van 7 april 2021 over de trage schadeafwikkeling na het schietincident in winkelcentrum De Ridderhof in Alphen aan den Rijn, waarin belangenbehartiger [eiser 1] en zijn vennootschap Corpocon (letselschadeclaim.nl) scherp worden neergezet als mogelijke oorzaak van vertraging en als “cowboy”‑achtige dienstverlener. [eiser 1] behartigt via Corpocon de belangen van een groep slachtoffers en heeft procedures (mede) gefinancierd, waarna de politie na het aansprakelijkheidsarrest van de Hoge Raad in 2019 de VSSA‑stichting oprichtte voor de schadeafwikkeling. In het AD‑artikel wordt onder meer gemeld dat [eiser 1] cliënten zou afraden machtigingen aan de VSSA te geven tenzij eerst een voorschot van 10.000 euro wordt betaald; daarna volgt een passage met de aan [verweerder] toegeschreven uitlatingen over “secundaire victimisatie”, slachtoffers die “de dupe van hun belangenbehartiger” zouden worden, en “te veel cowboys in de markt”. [eisers] stellen dat deze uitingen, mede gezien de foto, context en andere citaten in het stuk, voor de gemiddelde lezer rechtstreeks op hen slaan en hun eer en goede naam ernstig aantasten; zij vorderen onder meer een verklaring voor recht dat [verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld (art. 6:162 BW), een verbod op soortgelijke uitlatingen, rectificatie via ANP en het AD (online en op de homepage), dwangsommen en schadevergoeding op te maken bij staat. De rechtbank Den Haag wijst alle vorderingen af omdat [verweerder] in de gegeven context niet onrechtmatig heeft gehandeld; het hof Den Haag bekrachtigt dat vonnis na een belangenafweging tussen art. 10 en art. 8 EVRM, waarbij het hof onder meer centraal stelt dat [verweerder] slechts één uitlating specifiek over [eiser 1] heeft gedaan (“Het lijkt erop dat de belangenbehartiger niet weet hoe verder te gaan met deze dossiers”), dat hij de overige opmerkingen in algemene zin over de letselschademarkt heeft geuit, en dat de wijze waarop de journalist deze in het artikel heeft gemonteerd primair aan de journalist moet worden toegerekend. Het hof acht verder van belang dat [verweerder] als deskundige was benaderd in het kader van een publiek debat over letselschade en “cowboys” in de markt, dat zijn kernuitspraak voldoende steun vond in de door de journalist voorgehouden feiten (waaronder eerdere media‑uitingen van [eiser 1] en de situatie rond de VSSA) en dat hij de nodige terughoudendheid betrachtte door te formuleren met “het lijkt erop dat”. In cassatie klagen [eisers] in hoofdzaak dat het hof onjuiste rechtsopvattingen hanteert en relevante omstandigheden verkeerd weegt of buiten beschouwing laat, onder meer over de bijzondere positie van advocaten (vergeleken met de pers), het gewicht van de publieke perceptie, de vraag of [verweerder] feitelijk “rechtstreeks” in de media heeft gesproken en zijn verantwoordelijkheid voor controle‑ en correctiemaatregelen rond het interview.