IEF 23519
1 mei 2026
Artikel

Online update: Fictief makerschap op woensdag 20 mei

 
IEF 23517
1 mei 2026
Uitspraak

BREIN dwingt blokkade af van illegaal gameplatform

 
IEF 23514
30 april 2026
Artikel

Loop geen kortingen mis en meld u aan vóór morgen, vrijdag 1 mei

 
IEF 23519

Online update: Fictief makerschap op woensdag 20 mei

Woensdag 20 mei neemt Peter Teunissen (Radboud Universiteit) u opnieuw mee in het fictief makerschap. Dit keer bespreekt hij het advies van de Commissie Auteursrecht over de impact van het ONB-arrest op fictief makerschap. Samen met u loopt hij door het advies heen en bespreekt wat erin staat en waarom het advies op die manier is ingericht. Hij bespreekt de drie scenario's en aandachtspunten. Hierbij is zeker ruimte voor vragen. Daarnaast gaat hij kort in op het makerschap in Europa. 

Meer weten of aanmelden?

IEF 23517

BREIN dwingt blokkade af van illegaal gameplatform

Rechtbank Rotterdam 4 feb 2026, IEF 23517; ECLI:NL:RBROT:2026:3464 (BREIN tegen DFN), https://ie-forum.nl/artikelen/brein-dwingt-blokkade-af-van-illegaal-gameplatform

Rb. Rotterdam 4 februari 2026, IEF 23517; ECLI:NL:RBROT:2026:3464 (BREIN tegen DFN). In dit kort geding vordert Stichting BREIN dat internetprovider Delta Fiber Nederland de toegang blokkeert tot een website die op grote schaal illegale Nintendo Switch-games aanbiedt via downloadlinks. Het platform bevat een omvangrijke catalogus en maakt auteursrechtelijk beschermde werken gratis toegankelijk voor gebruikers.

IEF 23511

Ruime bescherming voor vrijheid van meningsuiting politici: ‘beetje Andrew Tate vibes’ toegestaan

Rechtbank Midden-Nederland 24 apr 2026, IEF 23511; ECLI:NL:RBMNE:2026:1870 ([eisende partij] tegen Volt en [gedaagde partij sub 2]), https://ie-forum.nl/artikelen/ruime-bescherming-voor-vrijheid-van-meningsuiting-politici-beetje-andrew-tate-vibes-toegestaan

Rb. Midden-Nederland 24 april 2026, IEF 23511; IT 5243; ECLI:NL:RBMNE:2026:1870 ([eisende partij] tegen Volt en [gedaagde partij sub 2]). In dit kort geding staat de vraag centraal of uitlatingen van een politica tijdens een gemeenteraadsvergadering, en de daarna op social media, onrechtmatig zijn tegenover een verhuurder, [eisende partij]. De politica sprak onder meer over “Andrew Tate vibes” en kwalificeerde diens verhuurpraktijken als intimiderend. [eisende partij] verhuurde bijvoorbeeld enkel aan vrouwen.

IEF 23521

HvJEU: doorgifte radioprogramma's via intern kabelnetwerk verzorgingstehuis geen 'mededeling aan het publiek' ex art. 3 lid 1 Richtlijn 2001/29

HvJ EU 30 apr 2026, IEF 23521; ECLI:EU:C:2026:355 (GEMA tegen VHC 2 Senior Residence and Nursing Home), https://ie-forum.nl/artikelen/hvjeu-doorgifte-radioprogramma-s-via-intern-kabelnetwerk-verzorgingstehuis-geen-mededeling-aan-het-publiek-ex-art-3-lid-1-richtlijn-2001-29

HvJ EU 30 april 2026, IEF 23521; IEFbe 4212; ECLI:EU:C:2026:355 (GEMA tegen VHC 2 Senior Residence and Nursing Home). Dit arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Eerste Kamer, 30 april 2026, C-127/24) betreft een prejudiciële verwijzing van het Bundesgerichtshof (Duitsland) in een geschil tussen GEMA en VHC 2, exploitant van een verzorgingstehuis met 89 permanent wonende bewoners. VHC 2 ontvangt via een eigen satellietantenne radio- en televisieprogramma's en zendt deze tijdgelijktijdig, ongewijzigd en volledig door via een intern kabelnetwerk naar aansluitingen in de individuele bewonerskamers. GEMA stelde dat hiervoor een licentie vereist was en vorderde staking. Na wisselende uitkomsten in feitelijke instanties stelde het Bundesgerichtshof drie prejudiciële vragen: (1) of de bewoners een "onbepaald aantal potentiële adressaten" vormen, (2) of het criterium van het "specifieke technische procedé" nog algemene gelding heeft dan wel beperkt is tot doorgiften via het open internet, en (3) of sprake is van een "nieuw publiek," waarbij ook aan de orde werd gesteld of relevant is dat bewoners de programma's zelfstandig via een antenne hadden kunnen ontvangen en of rechthebbenden reeds een vergoeding hebben ontvangen voor de oorspronkelijke uitzending.

IEF 23520

Hof Den Haag: stakingsbevel wegens merkinbreuk op Uniemerk ICE niet geschorst; rectificatiebevel voorwaardelijk geschorst wegens disproportionele redactie

Hof Den Haag 7 apr 2026, IEF 23520; ECLI:NL:GHDHA:2026:546 (Ice Labs tegen IEH), https://ie-forum.nl/artikelen/hof-den-haag-stakingsbevel-wegens-merkinbreuk-op-uniemerk-ice-niet-geschorst-rectificatiebevel-voorwaardelijk-geschorst-wegens-disproportionele-redactie

Hof Den Haag 7 april 2026, IEF 23520; ECLI:NL:GHDHA:2026:546 (Ice Labs tegen IEH). Dit arrest van het Gerechtshof Den Haag (7 april 2026) betreft een schorsingsincident ex art. 351 Rv in hoger beroep tegen een kortgedingvonnis van de voorzieningenrechter Den Haag van 6 mei 2025, waarbij Ice Labs, die de cryptomunt "Ice Open Network" (ticker: ICE) op de markt brengt, bij voorlopig oordeel inbreukmakend werd bevonden op het Uniemerk ICE van Intercontinental Exchange Holdings, Inc. (IEH), en werd bevolen iedere inbreuk in de EU te staken, alle exchanges te verzoeken de naam en ticker te wijzigen, en een rectificatie te plaatsen op website en sociale media, op straffe van dwangsommen. Ice Labs vorderde in het incident primair schorsing tot aan de beslissing in de hoofdzaak, subsidiair voor 90 dagen na betekening. Het hof baseert zijn internationale bevoegdheid in dit incident op art. 125 lid 1 UMVo jo. art. 35 Brussel I-bis, nu een reële band met de Nederlandse rechtsorde bestaat; de in de hoofdzaak opgeworpen bevoegdheidskwestie blijft onbesproken. Het hof hanteert de maatstaf uit HR 20 december 2019: uitgangspunt is tenuitvoerlegging, schorsing is slechts gerechtvaardigd indien het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt, waarbij het hof uitgaat van de vaststellingen van de voorzieningenrechter tenzij sprake is van een kennelijke misslag, en, indien de uitvoerbaarheid bij voorraad is gemotiveerd, de veroordeelde nieuwe feiten of omstandigheden moet aanvoeren die zich na de uitspraak hebben voorgedaan en een ander oordeel kunnen rechtvaardigen.

IEF 23518

A-G: registratie persoonsgegevens door ING in IVR en Gebeurtenissenadministratie niet in strijd met AVG

Hoge Raad 24 apr 2026, IEF 23518; ECLI:NL:PHR:2026:435 ([eiser] tegen ING), https://ie-forum.nl/artikelen/a-g-registratie-persoonsgegevens-door-ing-in-ivr-en-gebeurtenissenadministratie-niet-in-strijd-met-avg

Parket bij de Hoge Raad 24 april 2026, IEF 23518; IT 5249; ECLI:NL:PHR:2026:435 ([eiser] tegen ING). Deze conclusie van A-G Drijber (zitting 24 april 2026) betreft een geschil tussen een ondernemer (eiser) en ING over de verwerking van zijn persoonsgegevens in de Gebeurtenissenadministratie en het Intern Verwijzingsregister (IVR) van ING. ING had de zakelijke bankrelatie beëindigd omdat zij onvoldoende kon uitsluiten dat eisers cashgelden betrokken waren bij heling, witwassen en andere criminele activiteiten, mede vanwege het ontbreken van een adequate inkoopadministratie en schending van de registratieplicht ex art. 437 Sr. Eiser vorderde verwijdering van zijn persoonsgegevens uit het IVR en de Gebeurtenissenadministratie. Zowel de rechtbank als het hof wezen de vorderingen af. Het hof oordeelde dat de geregistreerde gegevens geen strafrechtelijke persoonsgegevens zijn in de zin van art. 10 AVG, de vastgelegde feiten en omstandigheden (grote cashuitgaven zonder verantwoording, het ontbreken van een adequate boekhouding en onvoldoende maatregelen om betrokkenheid bij strafbare feiten uit te sluiten) kunnen geen bewezenverklaring in de zin van art. 350 Sv dragen, en dat de verwerking een gerechtvaardigd doel dient op grond van art. 6 lid 1 onder f AVG (waarborging van de veiligheid en integriteit van de financiële sector, mede gelet op de Wwft-verplichtingen van ING), dat de persoonsgegevens uitsluitend intern toegankelijk zijn, dat eiser niet in zijn toegang tot financiële diensten elders is belemmerd, en dat de aantekening een correcte weergave vormt van de redenen voor de beëindiging van de bankrelatie.

IEF 23516

A-G: geen gegronde reden voor merkinbreuk bij verkoop HP-cartridges zonder buitenverpakking, wel informatieplicht over mogelijke ouderdom

Hoge Raad 24 apr 2026, IEF 23516; ECLI:NL:PHR:2026:437 (HP tegen DR), https://ie-forum.nl/artikelen/a-g-geen-gegronde-reden-voor-merkinbreuk-bij-verkoop-hp-cartridges-zonder-buitenverpakking-wel-informatieplicht-over-mogelijke-ouderdom

Parket bij de Hoge Raad 24 april 2026, IEF 23516; ECLI:NL:PHR:2026:437 (HP tegen DR). Deze conclusie van A-G Van Peursem (zitting 24 april 2026) betreft een kort geding tussen HP en Digital Revolution/123inkt over originele, ongebruikte HP-inkt- en lasercartridges die zonder originele buitenverpakking werden aangeboden, aanvankelijk als "milieuverpakking" en sinds 2023 als "milieuproduct". De cartridges waren afkomstig uit retouren, recyclebedrijven of opkopers, konden 10 tot 17 jaar oud zijn en werden verkocht tegen de prijs van nieuwe cartridges. HP vorderde een verbod op grond van merkinbreuk ex art. 9 lid 2 onder a jo. art. 15 lid 2 UMVo, de uitzondering op de uitputtingsregel wegens gegronde redenen, alsmede op grond van onrechtmatige daad, meer in het bijzonder oneerlijke of misleidende handelspraktijken (art. 6:193a-j BW) en misleidende of ongeoorloofde vergelijkende reclame (art. 6:194 en 6:194a BW). De voorzieningenrechter achtte merkinbreuk aannemelijk en wees vordering I toe, maar het hof oordeelde dat HP geen gegronde redenen had in de zin van art. 15 lid 2 UMVo en vernietigde het vonnis op dat punt. Wel achtte het hof het handelen van DR B.V. deels misleidend ex art. 6:193c lid 1 onder b BW: door de cartridges, die niet alleen uit retouren maar ook uit recyclebakken of opkoop konden stammen en meerdere jaren, soms meer dan tien jaar, oud konden zijn, als nieuw en voor de nieuwprijs aan te bieden zonder die ouderdom te vermelden, verstrekte DR misleidende informatie over de fabricagedatum, waardoor de consument vermoedelijk een aankoopbeslissing nam die hij anders niet had genomen. Dit verbod werd uitsluitend toegewezen ten gunste van HP Europe B.V. en HP Nederland B.V., die als concurrenten van DR B.V. vorderingsgerechtigd zijn; HP Inc. en HPDC staan niet in een concurrentieverhouding tot DR B.V.

IEF 23512

"3 Coins" mist onderscheidend vermogen volgens het Gerecht EU

Gerecht EU (voorheen GvEA) 29 apr 2026, IEF 23512; ECLI:EU:T:2026:297 ((Wazdan tegen EUIPO)), https://ie-forum.nl/artikelen/3-coins-mist-onderscheidend-vermogen-volgens-het-gerecht-eu

Gerecht EU 29 april 2026, IEF23512, IT5245, ECLI:EU:T:2026:297 (Wazdan tegen EUIPO). In deze zaak heeft het Gerecht van de Europese Unie uitspraak gedaan in het beroep van Wazdan Innovations tegen het EUIPO over de aanvraag van het Uniewoordmerk “3 Coins”. De aanvraag zag op speeljetons, gezelschapsspellen, dobbelstenen, draagbare videospelconsoles, elektronische spellen en diverse softwarediensten in de klassen 28 en 42. De vierde kamer van beroep had geoordeeld dat het teken voor alle betrokken waren en diensten elk onderscheidend vermogen mist. De weigering had geen betrekking op de dienst “ontwerp van onlinespellen” in klasse 42. Wazdan verzocht het Gerecht primair om de bestreden beslissing te wijzigen en subsidiair om vernietiging daarvan. Het Gerecht oordeelde echter dat het niet bevoegd is om de beslissing zodanig te wijzigen dat het merk wordt ingeschreven, en beperkte zich daarom tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot vernietiging. Centraal stond de vraag of het teken “3 Coins” onderscheidend vermogen heeft in de zin van artikel 7, lid 1, onder b, van Verordening (EU) 2017/1001. Het Gerecht herhaalde dat een merk onderscheidend vermogen heeft wanneer het geschikt is om de betrokken waren of diensten te identificeren als afkomstig van een bepaalde onderneming en deze te onderscheiden van die van andere ondernemingen. Deze beoordeling moet plaatsvinden in het licht van de aard van de betrokken 'waren en diensten' en de perceptie van het relevante publiek. Dat publiek bestaat uit het algemene publiek dat geïnteresseerd is in games, kans- en gokspellen, met daarnaast voor bepaalde diensten in klasse 42 een professioneel publiek. Het Gerecht benadrukte dat een teken ook zonder strikt beschrijvend te zijn niet-onderscheidend kan zijn. Het was dus niet vereist dat EUIPO aantoont dat “3 Coins” een concreet kenmerk van de betrokken waren of diensten rechtstreeks beschrijft, zolang het relevante publiek het teken niet als aanduiding van commerciële herkomst zal opvatten. In dit verband oordeelde het Gerecht dat het element “coin” in de spelcontext een gangbaar en betekenisvol begrip is, bijvoorbeeld als middel om een spel te starten, als speleenheid, als beloning of als (virtuele of crypto) valuta.