IEF 23802
8 september 2026
Uitspraak

HvJ EU: politieke parodie rechtvaardigt gebruik bekend merk alleen als belang van gebruiker zwaarder weegt

 
IEF 23773
26 augustus 2026
Artikel

Deze UPC-rechters en -experts zijn aanwezig tijdens het BIE-symposium op 30 september

 
IEF 23774
9 september 2026
Artikel

Volg IE-Forum ook op LinkedIn

 
IEF 23823

Rb. Den Haag: MIG Switch-producten en R4 Game Lijst schenden auteurs- en merkrechten van Nintendo

Rechtbank Den Haag 2 sep 2026, IEF 23823; ECLI:NL:RBDHA:2026:25479 (Nintendo c.s. tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-den-haag-mig-switch-producten-en-r4-game-lijst-schenden-auteurs-en-merkrechten-van-nintendo

Rb. Den Haag 2 september 2026, IEF 23823; ECLI:NL:RBDHA:2026:25479 (Nintendo c.s. tegen [gedaagde]). De rechtbank oordeelt dat een handelaar die via zijn websites MIG Switch Kaarten en MIG Switch Dumpers heeft aangeboden en verhandeld, onrechtmatig jegens Nintendo c.s. heeft gehandeld in strijd met artikel 29a Aw. Met deze producten kunnen de doeltreffende technische beschermingsmaatregelen van de Nintendo Switch worden omzeild, waardoor onrechtmatige kopieën van auteursrechtelijk beschermde Nintendo-videogames kunnen worden afgespeeld of gemaakt. Gedaagde heeft erkend dat hij deze producten van september tot en met december 2024 heeft aangeboden en verhandeld en daarmee inbreuk heeft gemaakt op de auteurs- en merkrechten van Nintendo c.s. De rechtbank stelt als onweersproken vast dat ook het tonen van Nintendo-merken bij het aanbieden van de MIG Switch-producten merkinbreuk oplevert in de zin van artikel 9 lid 2 onder a, b en c UMVo. Daarnaast levert het aanbieden van de zogenoemde R4 Game Lijst met hyperlinks naar ongeveer 400 onrechtmatige kopieën van Nintendo-videogames en instructies voor de installatie daarvan auteursrechtinbreuk op grond van artikel 12 Aw op, omdat daarmee een mededeling aan het publiek van hyperlinks naar onrechtmatige kopieën wordt verricht. Ook het gebruik op die lijst van titels die gelijk zijn aan of overeenstemmen met Nintendo-merken levert merkinbreuk op. Dat gedaagde zijn activiteiten na de eerste sommatie van Nintendo had gestaakt, neemt het belang bij de gevorderde verklaringen voor recht en verboden niet weg, omdat hij geen met een boete versterkte onthoudingsverklaring had afgegeven.

IEF 23822

Entertainment Top 10 in het kort (in willekeurige volgorde) - Michiel Odink (Leeway) en Marijn Kingma (Höcker)

Pelham II – HvJ EU 14 april 2026 – IEF 23472
Een pastiche is een creatie die een bestaand werk oproept maar daarvan merkbaar verschilt, en die met dat werk een artistieke of creatieve dialoog aangaat die als zodanig herkenbaar is. De subjectieve bedoeling van de maker is niet vereist; de beoordeling is objectief.

GEMA/Suno – LG München I 31 juli 2026 – IEF 23733
Volgens het LG München I kan de TDM-exceptie wel betrekking hebben op het analyseren van beschermde werken om statistische patronen voor AI-training te verkrijgen, maar niet op reproducties van beschermde werken die volgens de rechtbank in de parameters van het AI-model zelf zijn opgenomen. In deze zaak achtte de rechtbank Suno verantwoordelijk voor die reproducties en de inbreukmakende output.
Deze uitspraak is nog niet definitief en hoger beroep is aangekondigd.

Universal/De Kapotte Kachels – Rb. Midden-Nederland 29 juli 2026 – IEF 23721
Voor een parodie is vereist dat zij een bestaand werk oproept maar daarvan duidelijke verschillen vertoont en een uiting van humor of spot vormt. Ook als aan die voorwaarden is voldaan, moet een rechtvaardig evenwicht worden gevonden tussen de belangen van de auteursrechthebbende en de vrijheid van meningsuiting van de gebruiker. In deze zaak viel die belangenafweging uit in het voordeel van Universal.

Kunstenbond/Universal & Schrader/Armada – IEF 23027 & IEF 23325
In deze zaken oordeelde de rechtbank dat exploitatie via streamingplatforms op grond van de betreffende contracten niet kwalificeerde als licentieverlening aan derden waarop de overeengekomen 50%-vergoeding van toepassing was. Daaruit volgt niet dat streaming in algemene zin nooit exploitatie via derden kan zijn. De rechtbank oordeelde bovendien niet in algemene zin over de hoogte van een billijke streamingvergoeding.

Agecop – conclusie A-G Szpunar 16 juli 2026 – IEF 23700
Volgens A-G Szpunar is de kring van rechthebbenden die voor een billijke compensatie in aanmerking kan komen niet noodzakelijk beperkt tot degenen die in art. 2 Auteursrechtrichtlijn uitdrukkelijk worden genoemd; ook personen of ondernemingen die auteursrechten door overdracht hebben verkregen kunnen daaronder vallen.

Opzegging en ontbinding managementovereenkomst – Rb. Amsterdam 29 oktober 2025 – IEF 23821
In deze zaak was de administratieplicht een kernverplichting van de managementovereenkomst. Schending daarvan kon ontbinding rechtvaardigen. Daarnaast kunnen opzegging en ontbinding naast elkaar een rol spelen. Door het contractuele beding waarin was bepaald dat bij tekortkoming direct verzuim intreedt, was voor ontbinding geen ingebrekestelling nodig. 

Disney/Buma Stemra – Hof Amsterdam – IEF 23678
Art. 2l Wtcb verplicht een cbo en gebruikers om in goed vertrouwen te onderhandelen en elkaar de noodzakelijke informatie te verstrekken voor objectieve en niet-discriminerende tarieven. In deze zaak moest Buma/Stemra daarom inzicht geven in de criteria, factoren en omstandigheden die bij de tariefbepaling voor andere SVOD-aanbieders een rol speelden en in de redenen voor eventuele kortingen, maar niet in de concrete tarieven, kortingspercentages of identiteit van andere aanbieders.

Mio & Konektra – HvJ EU 4 december 2025 – IEF 23142
Voor werken van toegepaste kunst geldt geen hogere originaliteitsdrempel dan voor andere werken. Voor auteursrechtelijke bescherming moet het voorwerp de persoonlijkheid van de maker weerspiegelen door vrije en creatieve keuzes; louter technisch of functioneel bepaalde keuzes tellen niet mee. Bij de inbreukbeoordeling is beslissend of auteursrechtelijk beschermde elementen waarin die creatieve keuzes tot uitdrukking komen herkenbaar zijn overgenomen.

Sena/Ziggo – Hof Arnhem-Leeuwarden 7 april 2026 – IEF 23449
Het hof legt art. 7 Wnr richtlijnconform uit en gaat ervan uit dat rechthebbenden voor het gebruik van hun prestatie in een synchronisatie één billijke vergoeding moeten ontvangen. Is bij de totstandkoming van de synchronisatie al een billijke vergoeding betaald, dan hoeft bij doorgifte niet nogmaals op grond van art. 7 Wnr te worden betaald. Is dat niet gebeurd, dan kan bij de doorgifte alsnog een vergoedingsplicht bestaan. 

Van Driest (DJ Rossi)/Rossi. – Rb. Amsterdam 24 maart 2026 – IEF 23638
Het enkele gebruik van een artiestennaam betekent niet automatisch dat die naam ook als handelsnaam wordt gebruikt. Voor handelsnaamgebruik is van belang of onder die naam op voldoende bestendige wijze een onderneming wordt gedreven en naar buiten wordt getreden. Factoren als regelmatig en duurzaam gebruik, bekendheid, goodwill en op Nederland gerichte ondernemingsactiviteiten kunnen daarbij relevant zijn.

Welke zien we volgend jaar terug bij Entertainment & Recht op woensdag 8 september 2027?

Een goede kanshebber is AI en auteursrecht, zeker gezien het aangekondigde hoger beroep in GEMA/Suno en de snelle ontwikkelingen rond generatieve AI. Ook Sena/Ziggo kan een vervolg krijgen, nu cassatie is ingesteld. Daarnaast lijken discussies over streaming, exploitatiecontracten en de positie van artiesten tegenover labels en platforms voorlopig nog niet uitgeput. Genoeg ontwikkelingen dus om ook de Top 10 van 2027 weer te vullen. 

IEF 23819

Gerecht: geen verwarringsgevaar tussen MOOVA AlmavivA Group en MOOVIT voor software en IT-diensten

Gerecht EU (voorheen GvEA) 9 sep 2026, IEF 23819; ECLI:EU:T:2026:547 (MOOVA AlmavivA Group), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-geen-verwarringsgevaar-tussen-moova-almaviva-group-en-moovit-voor-software-en-it-diensten

Gerecht EU 9 september 2026, IEF 23819; IEFbe 4302; ECLI:EU:T:2026:547 (MOOVA AlmavivA Group). Het Gerecht vernietigt de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO voor zover daarin verwarringsgevaar was aangenomen tussen het Uniebeeldmerk MOOVA AlmavivA Group en het oudere Uniewoordmerk MOOVIT voor de nog betrokken waren en diensten in de klassen 9 en 42. De waren in klasse 9 zijn deels identiek en deels in hoge mate soortgelijk; de diensten in klasse 42 zijn deels identiek en deels in gemiddelde mate soortgelijk. De kamer van beroep mocht haar beoordeling richten op het Frans- en Spaanstalige publiek van de Unie. Voor de waren in klasse 9 bestaat dat publiek uit zowel professionele gebruikers met een bovengemiddeld aandachtsniveau als, in mindere mate, het algemene publiek met een gemiddeld aandachtsniveau; voor de diensten in klasse 42 gaat het om professionals met een bovengemiddeld aandachtsniveau. Bij de tekenvergelijking oordeelt het Gerecht dat ‘moov(i)a’ weliswaar het visueel dominante element van het aangevallen merk is, maar dat ‘almaviva group’ niet verwaarloosbaar is, omdat dit element de commerciële herkomst van de waren en diensten aanduidt en daarom in de vergelijking moet worden betrokken. Anders dan de kamer van beroep meende, zal het relevante publiek bovendien MOOVIT ontleden in ‘moov’ en ‘it’ en begrijpen als de Engelse aansporing ‘move it’, waarmee het begrip beweging wordt opgeroepen. Omdat de betrokken waren en diensten verband houden met mobiliteit, is dit betekenisaspect beschrijvend of evocatief en heeft het oudere merk slechts een zwak intrinsiek onderscheidend vermogen. Dat er andere merken met het bestanddeel ‘moov’ in registers voorkomen, maakt dat niet anders, nu Almaviva de daadwerkelijke aanwezigheid van dat bestanddeel op de relevante markt niet had aangetoond.

IEF 23816

VMC studiemiddag: Wetsvoorstel hervorming van de landelijke publieke omroep

VMC Studiemiddag – Wetsvoorstel hervorming van de landelijke publieke omroep
Vrijdagmiddag 27 november 2026, 14.00-17.00 uur, aansluitend een borrel (tot 18.30 uur) OBA Oosterdok, Oosterdokskade 143, 1011 DL Amsterdam
Op 4 april 2025 kondigde de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in een kamerbrief een ingrijpende hervorming van de landelijke publieke omroep aan. Naar verwachting gaat op korte termijn een aanpassing van de Mediawet hierover in consultatie. Tijdens deze studiemiddag staan we stil bij de gevolgen van deze plannen voor de uitvoering van de publieke media-opdracht. Hoe ziet een gesloten stelsel met vaste omroephuizen er straks uit? We bespreken hoe het vormen van vier of vijf omroephuizen de onderlinge dynamiek verandert, wat betekent dit voor de individuele omroepen, maar ook voor de rol van de NPO? Ook onderzoeken we hoe de maatschappelijke worteling en de pluriformiteit van geluiden en perspectieven in de samenleving geborgd blijven wanneer het traditionele ledencriterium vervalt en er geen nieuwe omroepen meer toetreden.

IEF 23815

Gerecht: oppositie tegen WALLAPOP raakt zonder voorwerp nadat oudere Spaanse merken tijdens procedure verstrijken

Gerecht EU (voorheen GvEA) 9 sep 2026, IEF 23815; ECLI:EU:T:2026:550 (wallapop), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-oppositie-tegen-wallapop-raakt-zonder-voorwerp-nadat-oudere-spaanse-merken-tijdens-procedure-verstrijken

Gerecht EU 9 september 2026, IEF 23815; IEFbe 4301; ECLI:EU:T:2026:550 (wallapop). Het Gerecht verwerpt het beroep van Unipreus tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO in de oppositieprocedure tegen het aangevraagde Uniebeeldmerk WALLAPOP. Unipreus had haar oppositie voor bepaalde diensten in klasse 35 gebaseerd op drie oudere Spaanse beeldmerken. In een eerder arrest uit 2018 had het Gerecht de toenmalige beslissing van de kamer van beroep gedeeltelijk vernietigd, omdat die ten onrechte had geoordeeld dat de betrokken diensten verschillend waren; het Gerecht stelde vast dat zij ten minste in geringe mate soortgelijk waren. Daarmee stond echter nog niet vast dat sprake was van verwarringsgevaar, omdat overeenstemming van de tekens en identiteit of soortgelijkheid van de waren of diensten cumulatieve voorwaarden zijn en de kamer van beroep destijds nog geen volledige beoordeling van het verwarringsgevaar had verricht. Nadat dat arrest definitief was geworden, moest de kamer van beroep opnieuw beslissen en daarbij zowel het eerdere arrest als relevante nieuwe omstandigheden meenemen. Tijdens die vervolgprocedure bleek dat de inschrijvingen van de oudere Spaanse merken wegens niet-vernieuwing waren verstreken; dit verlies van geldigheid was uiteindelijk bevestigd door definitieve nationale rechterlijke beslissingen van 25 oktober 2023 en 7 maart 2024.

IEF 23818

Gerecht Curaçao: Kortijn moet onrechtmatig aanhaken bij LOVERS-merk staken

Antilliaanse Gerechten 8 sep 2026, IEF 23818; ECLI:NL:OGEAC:2026:177 (Liusa tegen Kortijn), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-curacao-kortijn-moet-onrechtmatig-aanhaken-bij-lovers-merk-staken

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 8 september 2026, IEF 23818; ECLI:NL:OGEAC:2026:177 (Liusa tegen Kortijn). Het Gerecht oordeelt in kort geding over een geschil tussen Lovers Industrial U.S.A. LLC (Liusa) en Packers Provisions Curaçao N.V. (Kortijn) na de overname door Kortijn van de activa van de failliete Lovers Industrial Corporation B.V. (Lic). Partijen stellen over en weer rechthebbende te zijn op het LOVERS-merk en aanverwante rechten. Het Gerecht stelt voorop dat in dit kort geding niet kan worden vastgesteld wie rechthebbende is op de merken en/of de handelsnaam, mede omdat hierover nog een procedure in de Verenigde Staten loopt. Evenmin kan voorshands worden vastgesteld dat Liusa haar merkregistratie te kwader trouw heeft verricht. Voor de voorlopige beoordeling neemt het Gerecht daarom tot uitgangspunt wat Liusa en Lic jarenlang zelf als uitgangspunt hebben gehanteerd: Liusa gold als merkgerechtigde en Lic was op basis van licenties bevoegd de merken en recepten te gebruiken. Daarbij weegt mee dat Kortijn bij de activatransactie bekend was met deze licentieconstructie en het bestaande geschil over de IE-rechten, dat de curatoren bij de overdracht uitdrukkelijk geen garantie gaven over het bestaan, de status of overdraagbaarheid van die rechten en dat Kortijn nadien met Liusa over een licentie heeft onderhandeld zonder zich toen op het standpunt te stellen dat zij zelf merkhouder was. Onder deze omstandigheden kan Kortijn zich volgens het Gerecht in dit kort geding niet in redelijkheid op het standpunt stellen dat Liusa niet tegen haar gebruik van het LOVERS-merk mag optreden.

IEF 23817

Uitspraak ingezonden door Paul Trapman, Ploum.

Rb. Den Haag: verbod op handel in gestolen Coty-parfums wegens merkinbreuk

Rechtbank Den Haag 28 aug 2026, IEF 23817; ECLI:NL:RBDHA:2026:24587 (Coty tegen KD Online), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-den-haag-verbod-op-handel-in-gestolen-coty-parfums-wegens-merkinbreuk

Rb. Den Haag 28 augustus 2026, IEF 23817; ECLI:NL:RBDHA:2026:24587 (Coty tegen KD Online). Coty Beauty Germany stelt in kort geding dat KD Online op grootschalige wijze handelt in van Coty gestolen parfums en daarmee inbreuk maakt op haar merkrechten. KD Online verschijnt niet ter zitting, waarna verstek wordt verleend. De voorzieningenrechter baseert zijn beslissing daarom op de door Coty gestelde en niet weersproken feiten; de vorderingen zijn toewijsbaar tenzij zij hem ongegrond of onrechtmatig voorkomen. Voor de op Uniemerken gebaseerde vorderingen is de rechtbank internationaal en relatief bevoegd op grond van de artikelen 123, 124 en 125 UMVo, waarbij die bevoegdheid zich ingevolge artikel 126 lid 1 UMVo uitstrekt tot de gehele Europese Unie. Voor het internationale merk met gelding voor de Benelux volgt de bevoegdheid uit artikel 4.6 lid 1 BVIE, althans uit verknochtheid met de Uniemerkvorderingen. De gevorderde opgave van de met de gestolen parfums behaalde omzet en winst wordt afgewezen, omdat die vordering niet strekt tot beëindiging of voorkoming van een (dreigende) inbreuk en daarom onvoldoende spoedeisend belang heeft. Voor het overige acht de voorzieningenrechter het gevorderde niet ongegrond of onrechtmatig.

IEF 23814

Gerecht: verwarringsgevaar tussen FISH REVOLUTION en CANNED TUNA REVOLUTION! voor waren in klasse 29

Gerecht EU (voorheen GvEA) 9 sep 2026, IEF 23814; ECLI:EU:T:2026:536 (FISH REVOLUTION), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-verwarringsgevaar-tussen-fish-revolution-en-canned-tuna-revolution-voor-waren-in-klasse-29

Gerecht EU 9 september, IEF 23814; IEFbe 4300; ECLI:EU:T:2026:536 (FISH REVOLUTION). Het Gerecht verwerpt het beroep van Eurest Colectividades tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO, waarbij de oppositie van Fish Tales Holding tegen het aangevraagde Uniebeeldmerk FISH REVOLUTION gedeeltelijk was toegewezen op grond van artikel 8, lid 1, onder b, van Verordening 2017/1001. De oppositie was gebaseerd op het oudere Uniemerk CANNED TUNA REVOLUTION!, ingeschreven voor onder meer vis, tonijn, visconserven, bereide vismaaltijden, geleien en eetbare oliën en vetten in klasse 29. Het relevante publiek bestaat uit het algemene publiek in de Europese Unie met een gemiddeld aandachtsniveau, waarbij de kamer van beroep haar beoordeling terecht richtte op het Grieks- en Hongaarstalige publiek dat de betrokken Engelse termen niet noodzakelijk begrijpt. Voor weigering van een Uniemerk is voldoende dat verwarringsgevaar bestaat bij een niet te verwaarlozen deel van het publiek in de Unie. De bestreden waren zijn, afhankelijk van de categorie, identiek of ten minste in geringe mate soortgelijk aan de waren van het oudere merk. Voor het relevante Grieks- en Hongaarstalige publiek heeft het gemeenschappelijke woord ‘revolution’ geen betekenis en is het daarom onderscheidend. Eurest had niet aangetoond dat dit woord op de levensmiddelenmarkt algemeen gebruikelijk, beschrijvend of louter aanprijzend is.

IEF 23813

Gerecht: gebruik van NEAM als ondernemingsnaam is onvoldoende bewijs van normaal merkgebruik voor financiële diensten

Gerecht EU (voorheen GvEA) 9 sep 2026, IEF 23813; ECLI:EU:T:2026:552 (NEA), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-gebruik-van-neam-als-ondernemingsnaam-is-onvoldoende-bewijs-van-normaal-merkgebruik-voor-financiele-diensten

Gerecht EU 9 september 2026, IEF 23813, IEFbe 4299; ECLI:EU:T:2026:552 (NEA). Het Gerecht verwerpt het beroep van Nord Est Asset Management tegen de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO, waarbij haar oppositie tegen de Uniemerkaanvraag NEA van New Enterprise Associates was afgewezen omdat geen normaal gebruik was aangetoond van het oudere Uniebeeldmerk NEAM, ingeschreven voor ‘financial affairs; monetary affairs’ in klasse 36. Nadat New Enterprise Associates om bewijs van gebruik had verzocht, moest Nord Est Asset Management op grond van artikel 47, lid 2, van Verordening 2017/1001 aantonen dat het oudere merk van 18 oktober 2017 tot en met 17 oktober 2022 normaal was gebruikt in de Europese Unie. Het Gerecht benadrukt dat een teken dat tevens een ondernemingsnaam is in beginsel wel als merk kan worden gebruikt, maar dat het enkele gebruik ervan ter identificatie van de onderneming daarvoor niet volstaat. Er moet een zodanige band bestaan tussen het teken en de aangeboden diensten dat het teken wordt gebruikt overeenkomstig de wezenlijke functie van het merk, namelijk het waarborgen van de commerciële herkomst van die diensten. Normaal gebruik moet bovendien met solide en objectief bewijs van daadwerkelijk en voldoende gebruik op de relevante markt worden aangetoond.

IEF 23812

Gerecht: verwarringsgevaar tussen GOTCHA en ouder Uniemerk GONG CHA voor dranken en horecadiensten

Gerecht EU (voorheen GvEA) 9 sep 2026, IEF 23812; ECLI:EU:T:2026:553 (GOTCHA), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-verwarringsgevaar-tussen-gotcha-en-ouder-uniemerk-gong-cha-voor-dranken-en-horecadiensten

Gerecht EU 9 september, IEF 23812; IEFbe 4298; ECLI:EU:T:2026:553 (GOTCHA). Het Gerecht verwerpt het beroep van CFL Australia tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO, die de oppositie van Gong cha Global tegen de internationale registratie GOTCHA met aanwijzing van de Europese Unie had toegewezen op grond van artikel 8, lid 1, onder b, van Verordening 2017/1001. De aanvraag ziet op onder meer thee-, koffie- en cacaoproducten in klasse 30, niet-alcoholische dranken in klasse 32 en horeca- en cateringdiensten in klasse 43; het oudere Uniewoordmerk GONG CHA is ingeschreven voor onder meer overeenkomstige waren en diensten. De kamer van beroep mocht haar beoordeling concentreren op Poolstalige consumenten: wanneer het oudere merk een Uniemerk is, volstaat het voor weigering dat verwarringsgevaar bestaat bij een deel van het publiek in de Europese Unie. Anders dan CFL Australia stelde, had de oppositieafdeling haar onderzoek bovendien niet uitsluitend op Portugeestalige consumenten gericht, maar op het niet-Portugees- en niet-Engelstalige publiek waarvoor de betrokken woordelementen geen relevante betekenis hebben. Ook de klacht over bewijs dat Gong cha Global pas in beroep had overgelegd, slaagt niet. De kamer van beroep baseerde haar beoordeling van het verwarringsgevaar namelijk niet op dat bewijs, dat was overgelegd ter onderbouwing van de gestelde verhoogde onderscheidingskracht en reputatie van het oudere merk, zodat de klacht in zoverre niet ter zake dienend was. Bovendien had de kamer van beroep gemotiveerd waarom het aanvullende bewijs volgens artikel 27, lid 4, van Gedelegeerde Verordening 2018/625 kon worden toegelaten. De waren en diensten zijn, afhankelijk van de categorie, identiek of in hoge mate soortgelijk: de diensten in klasse 43 zijn bijvoorbeeld identiek aan diensten in dezelfde klasse van het oudere merk, zodat een afzonderlijke vergelijking daarvan met waren uit klasse 30 niet nodig was.