DOSSIERS
Alle dossiers
Gepubliceerd op vrijdag 6 maart 2026
IEF 23324
Rechtbank Rotterdam ||
27 feb 2026
Rechtbank Rotterdam 27 feb 2026, IEF 23324; ECLI:NL:RBROT:2026:2075 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://ie-forum.nl/artikelen/kort-geding-over-online-beschuldigingen-en-grensoverschrijdende-uitingen-op-sociale-media

Kort geding over online beschuldigingen en grensoverschrijdende uitingen op sociale media

Rb Rotterdam 27 februari 2026, IEF 23324; ECLI:NL:RBROT:2026:2075 ([eiser] tegen [gedaagde]). In deze zaak zijn eiser, een publiek bekende activist, en gedaagde, een zeer actieve gebruiker van sociale media en een eigen website, sinds begin 2025 in een escalerende online ruzie verwikkeld, waarin zij over en weer berichten plaatsen en aangifte doen. Eiser stelt dat gedaagde structureel grensoverschrijdende uitingen over hem en zijn gezin doet. Zij noemt hem onder meer psychopaat en NSB’er, maar vooral beschuldigt zij hem van ernstige strafbare feiten zoals geestelijke mishandeling, psychisch geweld, stalking, doxing, femicide en kindermisbruik, publiceert portretten van eiser met teksten als “kinderen neuken”, deelt privé-informatie uit zijn echtscheiding en betrekt zijn minderjarige kinderen door een geblurde foto van hen te plaatsen met dreigende teksten, alsook een spraakbericht aan zijn zoon te sturen. Na een sommatiebrief weigert gedaagde in te binden en daagt eiser haar in kort geding, waarin hij vordert: een verbod op bedreigingen jegens hem en zijn kinderen, een (primair ruim, subsidiair toegespitst) verbod om hem van bepaalde strafbare feiten te beschuldigen, een verbod op berichten over zijn gezinsleven, kinderen, echtscheidingsgeschil en adres, een verbod op gebruik van zijn portret, een verwijderingsgebod voor bestaande uitingen, een rectificatie op diverse socialemediakanalen, een contact- en gebiedsverbod ten opzichte van hem en zijn kinderen, verbeurte van dwangsommen en, bij uitputting daarvan, lijfsdwang, plus een veroordeling van gedaagde in de werkelijke proceskosten. Gedaagde voert verweer en formuleert in een eigen “Verzetschrift” tegenvorderingen, maar die gelden niet als eis in reconventie omdat zij daarvoor een advocaat nodig had; de voorzieningenrechter acht de zaak spoedeisend en bespreekt vervolgens het toetsingskader van de botsing tussen eisers recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer, goede naam en reputatie (artikel 8 EVRM) en gedaagdes vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM), waarbij aan de hand van de aard van de uitlatingen, de ernst van de gevolgen, het beschikbare feitenmateriaal, de context en de maatschappelijke positie van partijen wordt afgewogen of sprake is van onrechtmatigheid.

De voorzieningenrechter oordeelt dat grove scheldwoorden en waarderende kwalificaties op zichzelf nog binnen de vrijheid van meningsuiting van gedaagde vallen, mede omdat eiser zelf ook kleinerende uitingen richting gedaagde heeft gedaan, maar trekt een duidelijke grens bij concrete beschuldigingen van strafbare feiten, het openbaren van privé- en familiezaken en het uiten van geweldsbedreigingen. De zware beschuldigingen van geestelijke mishandeling, psychisch geweld, geestelijke marteling, stalking en kindermisbruik vinden geen enkele steun in feiten of in een vervolgingsbeslissing van het OM en worden publiekelijk met naam en toenaam geuit, waardoor eisers goede naam ernstig wordt aangetast; hetzelfde geldt voor het publiceren van (blurred) foto’s van zijn kinderen, het delen van vertrouwelijke informatie uit de echtscheidingsprocedure en online dreigementen met geweld, die door onbekende volgers mogelijk letterlijk worden opgevat. De rechtbank acht die uitlatingen onrechtmatig en beperkt de uitingsvrijheid van gedaagde. Zij verbiedt haar om eiser zonder OM‑beslissing van strafbare feiten te beschuldigen, verbiedt uitlatingen over zijn gezinsleven, kinderen en echtscheiding, verbiedt dreigementen met geweld tegen eiser en zijn kinderen, gebiedt verwijdering van een groot aantal concreet aangeduide publicaties op al haar kanalen en legt haar op binnen vier dagen een rectificatie op Instagram, LinkedIn en X te plaatsen, waarin zij erkent dat haar beschuldigingen van mishandeling, partnergeweld en stalking onvoldoende feitelijke basis hebben. Het algehele portretverbod en het contact‑ en gebiedsverbod worden afgewezen, eiser wordt voor zover hij namens zijn kinderen vordert niet‑ontvankelijk verklaard, lijfsdwang wordt niet toegewezen, maar de rechtbank verbindt aan de geboden en verboden wel een dwangsom van 500 euro per dag(deel) tot maximaal 25.000 euro en veroordeelt gedaagde als grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten volgens het liquidatietarief, waarbij een beroep op werkelijke kosten wegens vermeend misbruik van procesrecht wordt afgewezen.

4.8.1. “[gedaagde] heeft [eiser] op sociale media beschuldigd van geestelijke mishandeling3, psychisch geweld4, geestelijke marteling5, intimidatie6, stalking7 en, met de hierna te bespreken afbeelding, kindermisbruik8. Het gaat hier om beschuldigingen van (ernstige) strafbare feiten (zie onder meer de artikelen 300, 284, 285b en 245 Sr), die geen enkele steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal. Nergens blijkt uit dat [eiser] voor een of meer van deze feiten strafrechtelijk is veroordeeld. Er zijn ook geen aanwijzingen (die het vermoeden kunnen rechtvaardigen) dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan deze feiten. Het openbaar ministerie heeft voor deze feiten ook geen besluit tot vervolging van [eiser] genomen. Doordat [gedaagde] de beschuldigingen op sociale media heeft gedaan, heeft zij daarmee de goede naam en eer van [eiser] aangetast. Gelet op een aantal overgelegde instemmende reacties op de berichten van [gedaagde] is aannemelijk dat (een deel van) de, naar de voorzieningenrechter begrijpt groeiende schare, volgers van [gedaagde] de beschuldigingen voor waar aannemen.

De voorzieningenrechter wijst in het bijzonder op de afbeelding van [eiser] (en [naam 1] ) met daarbij de tekst “kinderen neuken” (zie ook 2.4.). Hoewel [gedaagde] stelt dat het geen afbeelding betreft maar een filmpje over een voorgenomen jeugdzorgdemonstratie waarin wordt verwezen naar een uitspraak van [naam 1] , merkt de voorzieningenrechter op dat de combinatie van het portret van [eiser] met de tekst “kinderen neuken” door het publiek moeilijk anders dan als een beschuldiging van kindermisbruik kan worden opgevat. Dat is schadelijk voor de goede naam en reputatie van [eiser] , waarbij relevant is dat voor een dergelijke beschuldiging geen enkele grond bestaat.

Naar voorlopig oordeel zijn de uitlatingen waarin [gedaagde] [eiser] beschuldigt van strafbare feiten dan ook onrechtmatig en rechtvaardigt het belang van [eiser] bij bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, goede naam en reputatie in dit geval een beperking van het recht van [gedaagde] op vrijheid van meningsuiting.”

4.8.2. “[gedaagde] heeft op sociale media ook beschuldigingen gedaan van machtsmisbruik, geestelijk en online misbruik en femicide. De voorzieningenrechter merkt daarover op dat niet altijd duidelijk is tegen wie deze beschuldigingen zijn gericht en wat [gedaagde] daarmee bedoelt. Zij legt dat niet of onvoldoende uit en daarnaast zijn het geen vastomlijnde begrippen. Voor de opmerkingen dat [eiser] onderdeel zou uitmaken van “een hardnekkige, virtuele knokploeg” en “structureel mensenrechten zou beschadigen” geldt eveneens dat onduidelijk is wat [gedaagde] daarmee bedoelt. Gelet op de vaagheid van deze beschuldigingen bestaat in zoverre geen reden tot ingrijpen.”

4.8.3. “Verder heeft [gedaagde] op sociale media geschreven over het gezinsleven en de kinderen van [eiser]9. Daarnaast heeft zij een geblurde foto van de kinderen van [eiser] op sociale media geplaatst10 met daarbij de tekst:

“Waarschuwing [eiser] . Denk niet dat ik geen schijt aan je heb, als [eiser] en [naam 1] stelselmatig doorgaan met hun Twitter-cyberpesten over de rug van kinderen. Hoe voelt het als dit online wordt gegooid? Kijk jij ze aan [eiser] , zeg je dan dat je een mishandelaar bent?”

Hoewel de uitlatingen van [gedaagde] soms een reactie lijken te zijn op een actie van [eiser] , rechtvaardigt dat geen inbreuk op het recht van [eiser] op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Daarbij gaat [gedaagde] een grens over door de kinderen van [eiser] en publique in haar ruzie met [eiser] te betrekken en zelfs een afbeelding van de kinderen online te zetten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn deze berichten jegens [eiser] dan ook onrechtmatig.

4.8.4. “Hetzelfde geldt voor de uitlatingen die [gedaagde] op sociale media over de echtscheiding van [eiser] heeft gedaan en de informatie die zij daarover op internet heeft gedeeld11. [gedaagde] heeft gesprekken die zij via WhatsApp met de ex-vrouw van [eiser] heeft gevoerd online gezet. De informatie is niet alleen gedateerd (de echtscheidingsprocedure vond plaats in 2016/2017), maar ook privé. Het gaat namelijk om informatie die niet voor de buitenwereld bestemd is. Met haar stelling dat [gedaagde] hiermee misstanden aan de kaak wil stellen, gaat zij voorbij aan het feit dat dit soort informatie in een echtscheidingsprocedure thuishoort en dat de mondelinge behandeling van dit soort zaken daarom met gesloten deuren plaatsvindt (zie artikel 818 lid 6 Rv in combinatie met artikel 803 Rv). Daarmee wordt de bescherming van de belangen van de betrokkenen, waaronder in dit geval ook die van de kinderen, gewaarborgd. De voorzieningenrechter acht het daarnaast kwalijk dat de informatie na de aankondiging van dit kort geding op sociale media is gezet. Dit duidt erop dat [gedaagde] geen ander doel heeft gehad dan [eiser] te schaden. Van onderzoek naar de waarheidsgetrouwheid van de uitlatingen van de ex-vrouw lijkt geen sprake te zijn geweest en voorafgaande hoor- en wederhoor heeft in ieder geval niet plaatsgevonden.”