DOSSIERS
Alle dossiers
Gepubliceerd op maandag 5 januari 2026
IEF 23185

Artikel ingezonden door Moo Miero, Miero Advocatuur.

Muziekrecht jaaroverzicht 2025

In dit jaaroverzicht van 2025 komt een selectie aan uitspraken op het gebied van het muziekrecht aan bod. De rechtspraak liet dit jaar een gevarieerd beeld zien, met geschillen over onder meer licentievergoedingen, de afrekening van muziekgebruik en de overdracht van naburige rechten. Hieronder worden enkele opvallende zaken uitgelicht.

PACE onbevoegd tot incasso muziekauteursrechten

De kantonrechter van de rechtbank Den Haag oordeelde op 5 maart 2025 dat MOJO terecht weigerde de door PACE namens betrokken auteursrechthebbenden verzonden factuur voor licentievergoedingen te betalen, omdat PACE niet beschikte over de vereiste ministeriële toestemming. Artikel 30a Aw omvat iedere vorm van bedrijfsmatige bemiddeling inzake muziekauteursrecht, waardoor PACE zonder de in dat artikel vereiste toestemming in Nederland niet bevoegd is namens rechthebbenden betaling of schadevergoeding te vorderen.

Het ONB-arrest en de verplichting tot overdracht van naburige rechten

In een op 6 maart 2025 gewezen arrest heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie bepaald dat een wettelijke regeling die voorziet in de verplichte overdracht van naburige rechten, zonder voorafgaande toestemming van de rechthebbenden, onverenigbaar is met het Unierecht. Aanleiding vormde een Koninklijk Besluit dat musici in dienst van het Nationaal Orkest van België verplichtte hun naburige rechten over te dragen aan het orkest, tegen betaling van een vaste vergoeding. Over de betekenis van dit arrest voor de artikelen 7 en 8 Aw lopen de meningen uiteen.

Geen spoedeisend belang meer bij vorderingen over billijke vergoeding in kort geding

Op 7 maart 2025 wees de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam de vorderingen van een collectieve beheersorganisatie af, omdat na het uitbrengen van de dagvaarding door de organisatoren van een festival alsnog grotendeels was voldaan aan de vorderingen van de organisatie, waardoor het spoedeisend belang was komen te vervallen. De organisatoren werden wel veroordeeld in de proceskosten, omdat zij pas na het uitbrengen van de dagvaarding aan hun verplichtingen hadden voldaan. 

Geen verplichting tot afrekening op basis van daadwerkelijk gebruik

Op 21 maart 2025 weigerde de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam de voorzieningen van ID&T. ID&T stelde dat Buma misbruik maakte van haar machtspositie door bij dance-evenementen te blijven afrekenen via het (drie-staffels) Algemeen Tarief in plaats van op basis van daadwerkelijk muziekgebruik of een verfijnder model. Nader onderzoek naar de gevolgen voor rechthebbenden en de (mogelijke) extra kosten en omgang met niet-herkende werken was nodig.  

Vordering van manager tot nakoming door artiest afgewezen

Op 8 april 2025 wees de voorzieningenrechter van de rechtbank MiddenNederland de vordering van een manager tot nakoming van een managementovereenkomst door een artiest af. De voorzieningenrechter was van oordeel dat het beroep van de artiest op opzegging en/of ontbinding vanwege structurele tekortkomingen (waaronder eenzijdige besluitvorming en de financiële handelswijze binnen de gezamenlijke vennootschap) in de bodemprocedure een grote kans van slagen zou hebben. Van de artiest kon niet gevergd worden dat hij vast zou houden aan de contractuele opzegtermijn van 36 maanden.

Geen schending zorgplicht assurantietussenpersoon

Op 29 april 2025 oordeelde het Gerechtshof Amsterdam dat geen sprake was van een zorgplichtschending door een assurantietussenpersoon van een evenementenorganisator. Uit de aard en reikwijdte van zijn opdracht volgde niet dat hij eerder had moeten aandringen op aanmelding van evenementen ter verzekering. Ook was het risico van de coronapandemie en de daarmee samenhangende overheidsmaatregelen niet voorzienbaar, waardoor van hem niet verwacht kon worden dat hij zou anticiperen op dit risico. 

Drum & bass-evenementen vallen onder Buma-repertoire

Op 14 mei 2025 oordeelde de rechtbank Rotterdam dat een evenementenorganisator vergoedingen verschuldigd was en opgave moest doen van muziekgebruik. Buma had voldoende onderbouwd dat tijdens evenementen muziek uit het Buma-repertoire ten gehore was gebracht, mede aan de hand van de resultaten van fingerprinting. De rechtbank achtte van belang dat de organisator zelf audiobestanden had aangeleverd en dat Buma inzage gaf in de analyse en de herkende nummers.

Pelham en de pastiche-exceptie

Op 17 juni 2025 concludeerde advocaat-generaal Emiliou in Pelham II dat sampling niet automatisch onder de pastiche-exceptie valt en dat deze exceptie geen algemene vangnetbepaling is voor creatief hergebruik. Volgens Emiliou dient het begrip pastiche te worden uitgelegd aan de hand van richtinggevende criteria: het moet gaan om een artistieke creatie die de esthetische taal van een bestaand werk oproept, zich daarvan voldoende onderscheidt en beoogt als imitatie te worden herkend.

Licentievergoedingen voor muziekgebruik

De kantonrechter van de rechtbank Limburg legde op 16 juli 2025 een tussen Buma, Sena en een horecaondernemer getroffen regeling vast over de betaling van verschuldigde licentievergoedingen voor muziekgebruik. Daarnaast overwoog de kantonrechter dat ondernemers door onjuiste voorlichting van derden zoals Eskeep ten onrechte in de veronderstelling kunnen verkeren dat zij niet aan Sena hoeven te betalen, terwijl Sena exclusief bevoegd is deze vergoedingen te innen. 

Achtergrondmuziek niet aan te merken als een voor commerciële doeleinden uitgebracht fonogram

Op 30 juli 2025 oordeelde de kantonrechter van de rechtbank Gelderland dat het in een restaurant afspelen van door de eigenaar zelf gecomponeerde, geproduceerde en uitgevoerde achtergrondmuziek, die niet publiekelijk beschikbaar is, niet kwalificeert als het openbaar maken van een voor commerciële doeleinden uitgebracht fonogram. Sena had daarom geen recht op inning van een billijke vergoeding op grond van artikel 7 Wnr en haar vorderingen werden afgewezen. 

Ronnie Flex/Top Notch over de beëindiging van een artiestenovereenkomst

Het Gerechtshof Amsterdam bekrachtigde op 5 augustus 2025 grotendeels het eerdere vonnis van de rechtbank, waaruit bleek dat de door Ronnie Flex aangevoerde omstandigheden geen grond opleverden voor vernietiging of buiten toepassing laten van bepalingen in zijn overeenkomst met Top Notch. Wel stelde het Hof een einddatum van de overeenkomst vast. 

Billijke vergoeding bij NVCR aangesloten commerciële radiozenders

Op 3 september 2025 oordeelde de rechtbank Den Haag dat bij de NVCR aangesloten commerciële radiozenders aan Sena een vergoeding van 10% verschuldigd zijn. De rechtbank nam het advies van de Geschillencommissie Auteursrechten over en benadrukte dat daarvan slechts bij zwaarwegende bezwaren van wordt afgeweken. 

Prejudiciële vragen over informatieplichten tegenover collectieve beheersorganisaties

Op 9 september 2025 zijn aan het Europese Hof van Justitie prejudiciële vragen gesteld over of en onder welke voorwaarden een collectieve beheersorganisatie zonder (of voorafgaand aan) een inbreukprocedure gebruikers kan verplichten informatie te verstrekken over het gebruik van auteurs- en naburige rechten

Beperkte inzage voor Disney in SVOD-tariefcriteria van Buma/Stemra

Op 14 oktober 2025 oordeelde het Gerechtshof Amsterdam dat Disney slechts gedeeltelijk recht had op inzage in een aantal documenten. Het Hof wees de vordering tot inzage in licentieovereenkomsten en concrete tarieven van andere SVOD-aanbieders af, maar kende wel inzage toe in documenten waaruit bleek welke criteria en factoren Buma/Stemra hanteerde bij de vaststelling van SVOD-tarieven. 

Universal hoeft geen hogere streamingroyalty’s te betalen

Op 22 oktober 2025 oordeelde de rechtbank Amsterdam dat Universal geen hogere royalty’s hoefde te betalen aan drie artiesten voor streams en downloads, omdat niet vast kwam te staan dat de platencontracten onjuist waren toegepast of dat te lage royalty’s waren betaald. De tarieven waren gebaseerd op oude contracten gesloten toen streaming nog niet (lang) bestond.

Ontbinding overeenkomst manager en artiest vanwege administratieplicht

Op 29 oktober 2025 oordeelde de rechtbank Amsterdam dat een artiest de overeenkomst met zijn manager rechtsgeldig kon ontbinden, ondanks een eerdere opzegging, omdat de manager zijn administratieplicht niet naar behoren was nagekomen. Wel behield de manager aanspraak op betaling van de managementfee voor vóór de ontbinding bevestigde optredens en gesloten contracten.