DOSSIERS
Alle dossiers
Gepubliceerd op maandag 23 februari 2026
IEF 23298
Hof Amsterdam ||
3 feb 2026
Hof Amsterdam 3 feb 2026, IEF 23298; ECLI:NL:GHAMS:2026:272 ([appellant] tegen [geïntimeerde]), https://ie-forum.nl/artikelen/onrechtmatige-online-uitlatingen-over-jeugdzorgvoorzitter-hof-beperkt-vrijheid-van-meningsuiting-en-kent-immateriele-schadevergoeding-toe

Onrechtmatige online uitlatingen over jeugdzorgvoorzitter: hof beperkt vrijheid van meningsuiting en kent immateriële schadevergoeding toe

Hof Amsterdam 3 februari 2026, IEF 23298; ECLI:NL:GHAMS:2026:272 ([appellant] tegen [geïntimeerde]). De zaak betreft een geschil tussen appellante, voorzitter van de Stichting Jeugdhulp Voldoende Beschermd, en geïntimeerde, een jurist die juridisch onderwijs en publicaties aanbiedt via zijn onderneming. Appellante had geïntimeerde in mei 2021 benaderd voor juridisch advies over misstanden in de jeugdzorg en daarbij diverse documenten verstrekt, waaronder een audiobestand van een opgenomen telefoongesprek. Vervolgens heeft geïntimeerde meerdere publicaties op Facebook, X/Twitter en zijn eigen website geplaatst waarin hij appellante onder meer beschuldigde van het uiten dan wel aanzetten tot bedreigingen aan zijn adres, het saboteren van de documentaire Taken: Kinderen van de Staat, het starten van een procedure om een andere zaak te belemmeren, en het saboteren van jeugdzorgslachtoffers. Appellante stelde dat deze uitlatingen onrechtmatig waren en vorderde in hoger beroep, na gedeeltelijke toewijzing door de kantonrechter, onder meer verwijdering van het audiobestand en haar persoonsgegevens, een verbod op verdere uitlatingen, een rectificatie op meerdere platforms en een immateriële schadevergoeding van € 1.000,00. Geïntimeerde is in hoger beroep niet verschenen, waarna tegen hem verstek is verleend. Het hof diende de vorderingen evenwel ambtshalve te toetsen op rechtmatigheid en gegrondheid.

Het hof wijst de vorderingen met betrekking tot het audiobestand af. Appellante had het bestand zelf al op LinkedIn gepubliceerd, waardoor geïntimeerde redelijkerwijs mocht aannemen dat verdere verspreiding was toegestaan; van een contractuele of buitencontractuele geheimhoudingsplicht was niet gebleken. Ook de vordering tot verwijdering van persoonsgegevens wordt afgewezen, nu onvoldoende is onderbouwd dat geïntimeerde nog persoonsgegevens van appellante verwerkte of onder zich had. Grief 3 slaagt gedeeltelijk. Het hof oordeelt, na afweging van het recht op vrijheid van meningsuiting (art. 10 EVRM) tegen het recht op eer en goede naam en persoonlijke levenssfeer (art. 8 EVRM), dat de uitlatingen waarin geïntimeerde stelt dat appellante bedreigingen had geuit, de documentaire had tegengewerkt, een procedure was gestart om een andere zaak te belemmeren en jeugdzorgslachtoffers saboteerde, onrechtmatig zijn wegens het ontbreken van een toereikende feitelijke grondslag en hun onnodig grievende karakter. Andere gestelde uitlatingen worden niet onrechtmatig geacht, omdat appellante deze onvoldoende concreet heeft toegelicht. Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding oordeelt het hof dat de kantonrechter ten onrechte had aangenomen dat het nadeel volledig was hersteld door rectificatie. Op grond van art. 6:106 lid 1 sub b BW kent het hof naar billijkheid € 500,00 toe, mede gelet op het grievende karakter van de uitlatingen en het feit dat de publicaties inmiddels offline waren. Het hof vernietigt het vonnis gedeeltelijk, legt een verbod op toekomstige soortgelijke uitlatingen op onder oplegging van een dwangsom van € 500 per overtreding (met een maximum van € 15.000), beveelt een aanvullende rectificatie op Facebook, X, LinkedIn en de website van geïntimeerde, eveneens op straffe van een dwangsom, en veroordeelt geïntimeerde in de proceskosten in hoger beroep van € 1.696,76.

5.27 “Het door [appellant] ingestelde hoger beroep heeft gedeeltelijk succes. Grieven 3 en 4 slagen en de overige grieven falen. Het hof zal het bestreden vonnis gedeeltelijk vernietigen, namelijk voor zover daarin het meer of anders gevorderde is afgewezen, en het hof zal de vorderingen van [appellant] toewijzen op de wijze als hierna vermeld. De onder I en II van het dictum van het bestreden vonnis uitgesproken veroordelingen blijven hiermee in stand. Het hof ziet geen aanleiding de in het bestreden vonnis neergelegde compensatie van proceskosten in conventie te vernietigen. Ook bij de uitkomst waartoe het hof komt, geldt dat partijen in eerste aanleg over en weer in het ongelijk zijn gesteld.”