27 jul 2026,
Aanbieden en verhandelen van automatten met Audi- en Volkswagen-tekens vormt merkinbreuk
Rb. Den Haag 27 juli 2026, IEF 23732; ECLI:NL:RBDHA:2026:21393 (Audi c.s. tegen [gedaagde]). Audi en Volkswagen komen in kort geding op tegen de invoer, aanbieding en verkoop van automatten waarop tekens staan die identiek zijn aan verschillende Audi- en Volkswagen-merken. De Nederlandse douane houdt meerdere voor de handelaar bestemde zendingen tegen, waarna automatten met de merken worden aangetroffen in advertenties op onder meer Instagram, TikTok, Marktplaats, Etsy en Facebook. Hoewel de handelaar na sommatie verklaart de verkoop te hebben gestaakt, verschijnen daarna opnieuw advertenties via bestaande en nieuwe accounts. Omdat meerdere malen nieuwe aanbiedingen worden geplaatst en de handelaar geen onthoudingsverklaring wil afgeven, acht de voorzieningenrechter het spoedeisend belang aanwezig. Niet betwist is dat de handelaar via zijn eigen handelsnaam automatten met tekens gelijk aan de Audi- en Volkswagen-merken aanbiedt en verkoopt. De tekens worden in het economisch verkeer gebruikt voor dezelfde waren als waarvoor de merken zijn ingeschreven. Daarmee is voorshands sprake van merkinbreuk op de a-grond van artikel 9 lid 2 onder a UMVo en artikel 2.20 lid 2 onder a BVIE. Dat de handelaar naar eigen zeggen te goeder trouw handelt, staat aan merkinbreuk en een verbod niet in de weg. Omdat de inbreuk op de a-grond vaststaat, hoeft niet meer te worden onderzocht of ook sprake is van verwarringsgevaar op de b-grond.
De handelaar moet iedere inbreuk op de Audi- en Volkswagen-Uniemerken in de gehele Europese Unie en op de merken met gelding in de Benelux in de gehele Benelux onmiddellijk na betekening staken en gestaakt houden. Het verbod ziet meer in het bijzonder op het produceren, inkopen, invoeren, exporteren, in voorraad houden, aanbieden, verkopen en anderszins verhandelen van automatten met daarop identieke tekens. Het gevraagde ruimere verbod voor overeenstemmende tekens en andere producten of verpakkingen wordt wegens onvoldoende bepaaldheid afgewezen. Binnen veertien dagen moet de handelaar over de periode van 1 januari 2025 tot en met 26 juni 2026, onderbouwd met brondocumenten, opgave doen van de leveranciers, producenten, distributeurs, verkopers, vervoerders en zakelijke afnemers, de geleverde en verkochte aantallen en de leveringsdata. Opgave van inkoop- en verkoopprijzen, omzet en winst wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang, omdat die gegevens vooral van belang zijn voor een eventuele schadevergoeding of winstafdracht in een bodemprocedure. De volledige voorraad automatten moet binnen één week op kosten van de handelaar ter vernietiging worden overgedragen. Per merkhouder geldt een dwangsom van € 250 per afzonderlijke overtreding of, naar keuze van de merkhouder, € 1.000 per dag dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 50.000. De handelaar wordt op grond van artikel 1019h Rv veroordeeld tot € 8.496,89 aan proceskosten. De termijn voor het instellen van de hoofdzaak als bedoeld in artikel 1019i Rv wordt vastgesteld op zes maanden na de datum van het vonnis.
Merkinbreuk
4.6.
Audi c.s. stelt dat [gedaagde] inbreuk heeft gemaakt op haar merkrechten en beroept zich ten aanzien van haar Uniemerk op artikel 9 lid 2 sub a en b UMVo. De voorzieningenrechter stelt vast dat deze bepalingen uit het UMVo inhoudelijk overeenstemmen met artikel 2.20 lid 2 onder a en b BVIE. Bij de bespreking van de merkinbreukvordering zal de voorzieningenrechter daarom, voor de leesbaarheid, in beginsel alleen de bepalingen uit de UMVo aanhalen en niet ook de gelijkluidende bepalingen van het BVIE. De BVIE-bepalingen worden alleen aangehaald als dat nuttig of nodig is.
4.7.
Op grond van artikel 9 lid 2 sub a UMVo (de ‘a-grond’) is de houder van een merk gerechtigd iedere derde die niet zijn toestemming hiertoe heeft verkregen, het gebruik van een teken in het economische verkeer voor waren en diensten te verbieden wanneer het teken gelijk is aan het merk en gebruikt wordt voor waren of diensten die gelijk zijn aan die waarvoor het merk is ingeschreven.
4.8.
De stelling dat [gedaagde] via verschillende sociale mediakanalen Automatten (voorzien van tekens die gelijk zijn aan de Audi- en Volkswagen-merken) heeft aangeboden en verkocht onder de naam ‘ [handelsnaam] ’ wordt door [gedaagde] niet betwist. De tekens worden, zo is niet in geschil, in het economisch verkeer gebruikt voor dezelfde waren (automatten) als die waarvoor de Audi- en Volkswagen-merken zijn ingeschreven. Daarmee maakt [gedaagde] merkinbreuk in de zin van artikel 9 lid 2 sub a UMVo. [gedaagde] betwist weliswaar de omvang van de merkinbreukinbreuk, maar dat doet niets af aan het feit dat sprake is geweest van merkinbreuk op grond waarvan Audi c.s. recht heeft op een verbod. Datzelfde geldt ten aanzien van het verweer dat [gedaagde] te goeder trouw zou hebben gehandeld.
4.9.
Nu de voorzieningenrechter voorshands van oordeel is dat sprake is van merkinbreuk in de zin van artikel 9 lid 2 sub a UMVo en artikel 2.20 lid 2 sub a BVIE en een inbreukverbod op grond daarvan zal opleggen, heeft Audi c.s. geen belang meer bij een beoordeling of (ook) sprake is van merkinbreuk in de zin van artikel 9 lid 2 sub b UMVo en/of 2.20 lid 2 sub b BVIE.