Merkenrecht  

IEF 23763

Uitspraak ingezonden door Olivia van Rikxoort en Els Doornhein, De Vos & Partners.

Geen merkinbreuk op FeelGoodClubs-beeldmerk door Basic-Fit-slogan ‘Join the Feel Good Club’

Rechtbank Noord-Holland 24 jun 2026,, IEF 23763; C/15/376812 / KG ZA 26-194 (Stichting FeelGoodClubs tegen Basic Fit), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-merkinbreuk-op-feelgoodclubs-beeldmerk-door-basic-fit-slogan-join-the-feel-good-club

Rb. Noord-Holland 24 juni 2026, IEF 23763; C/15/376812 / KG ZA 26-194 (Stichting FeelGoodClubs tegen Basic Fit). In dit kort geding vordert Stichting FeelGoodClubs (FGC) dat Basic Fit ieder gebruik van het teken ‘Feel Good Club’, waaronder de slogans ‘Welcome to the Feel Good Club’ en ‘Join the Feel Good Club’, in de Benelux staakt en haar bestaande reclame-uitingen verwijdert. FGC exploiteert sinds 2012 een platform op het gebied van fitness en lifestyle en is houdster van verschillende in 2015 geregistreerde Benelux-beeldmerken met woordelementen, waaronder het beeldmerk ‘FeelGoodClubs’, voor onder meer gezondheids-, fitness- en sportdiensten. Basic Fit startte in januari 2026 een reclamecampagne waarin zij ‘Join the Feel Good Club’ gebruikte. Volgens FGC maakt dit gebruik inbreuk op haar merkrechten op grond van art. 2.20 lid 2 onder a, b en c BVIE, omdat sprake is van overeenstemming voor soortgelijke diensten, verwarringsgevaar en aantasting van het onderscheidend vermogen van haar merken. Basic Fit betwist de inbreuk en voert onder meer aan dat de bescherming van FGC ziet op de beeldmerken als geheel, dat de woorden ‘feel good’ en ‘club’ beschrijvend dan wel weinig onderscheidend zijn en dat de totaalindruk van haar reclamecampagne duidelijk afwijkt van die van de FGC-merken.

IEF 23759

Sonna schendt vaststellingsovereenkomst met Vlisco door merk- en auteursrechtinbreuken

Rechtbank Oost-Brabant 4 mrt 2026,, IEF 23759; ECLI:NL:RBOBR:2026:1554 (Vlisco tegen Sonna), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/sonna-schendt-vaststellingsovereenkomst-met-vlisco-door-merk-en-auteursrechtinbreuken

Rb. Oost-Brabant 4 maart 2026, IEF 23759; ECLI:NL:RBOBR:2026:1554 (Vlisco tegen Sonna). Vlisco en stoffenhandelaar Sonna sluiten op 1 februari 2024 een vaststellingsovereenkomst om een eerder geschil over inbreuken op de IE-rechten van Vlisco te beëindigen. Sonna verplicht zich daarin onder meer om geen inbreuk te maken op de merken, auteursrechten en modelrechten van Vlisco en om bepaalde inbreukmakende producten te vernietigen. Daarna constateert Vlisco verschillende nieuwe overtredingen. De rechtbank oordeelt onder meer dat de aanduiding SUPER WAX op voor Sonna bestemde stoffen verwarringwekkend overeenstemt met Vlisco’s Uniewoordmerk SUPER-WAX. Ook bepaalde logo’s op de stoffen stemmen verwarringwekkend overeen met een beeldmerk van Vlisco. Voor de afzonderlijke labels geldt dat niet, omdat daarbij volgens de rechtbank meer verschillen dan overeenkomsten bestaan en het verwarringsgevaar gering is. Daarnaast genieten verschillende Vlisco-dessins auteursrechtelijke bescherming. De door Sonna gebruikte versies van onder meer het parasolbloemendessin en dessin 14-2987 maken daarop inbreuk, omdat de verschillen van ondergeschikte aard zijn en de totaalindruk overeenstemt. Ook bij een proefaankoop stelt de rechtbank zowel een merkinbreuk als een auteursrechtinbreuk vast. Verder levert het online tonen van beschermde dessins en het gebruik van de tekens SUPER WAX, SUPERWAX, Superwax en Grand Superwax op de website van Sonna schendingen van de vaststellingsovereenkomst op. Niet alle verwijten van Vlisco slagen. Zo kan de rechtbank op basis van het beschikbare beeldmateriaal niet vaststellen dat een jurk met een stoelendessin auteursrechtinbreuk maakt. Ook leveren de door Vlisco als misleidend aangemerkte aanduidingen op de door de douane tegengehouden stoffen binnen de specifieke afspraken van de vaststellingsovereenkomst geen schending op.

IEF 23760

Gerecht: EUIPO gebonden aan eerder arrest over kwade trouw bij RED BRAND CHICKEN-merk

Gerecht EU (voorheen GvEA) 13 okt 2025,, IEF 23760; ECLI:EU:T:2025:970 (Grzegorz Wyrębski tegen EUIPO en Anna Gagatek-Woźniak, Artur Woźniak en Jolanta Mozerys), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-euipo-gebonden-aan-eerder-arrest-over-kwade-trouw-bij-red-brand-chicken-merk

Gerecht 13 oktober 2025, IEF 23760; ECLI:EU:T:2025:970 (Grzegorz Wyrębski tegen EUIPO en Anna Gagatek-Woźniak, Artur Woźniak en Jolanta Mozerys). De zaak betreft een driedimensionaal Uniemerk bestaande uit de rood-witte rechthoekige vorm van een verpakking, ingeschreven voor producten en diensten in de klassen 29 en 40. Wyrębski verzoekt om nietigverklaring van het merk wegens kwade trouw bij de indiening van de merkaanvraag in de zin van artikel 52 lid 1 onder b van Verordening 207/2009. De nietigheidsafdeling van het EUIPO wijst dit verzoek aanvankelijk toe en de Tweede kamer van beroep verwerpt het daartegen ingestelde beroep. In 2023 vernietigt het Gerecht die beslissing echter, omdat de aangevoerde omstandigheden en bewijzen onvoldoende zijn om de kwade trouw van de merkhouders vast te stellen. Nadat het Hof een hogere voorziening tegen dat arrest niet toelaat, wordt de zaak opnieuw aan een kamer van beroep voorgelegd. De Vierde kamer van beroep vernietigt vervolgens de beslissing van de nietigheidsafdeling en wijst het verzoek om nietigverklaring af. Volgens het Gerecht handelt zij daarmee juist. Op grond van artikel 72 lid 6 van Verordening 2017/1001 moet het EUIPO bij de uitvoering van een vernietigingsarrest niet alleen het dictum, maar ook de dragende overwegingen daarvan eerbiedigen. Het eerdere arrest laat volgens het Gerecht geen materieel geschilpunt over de gestelde kwade trouw meer open: daarin is reeds geoordeeld dat het bewijs daarvoor ontoereikend is.

IEF 23751

HvJ EU laat hogere voorziening over normaal gebruik van Uniemerk voor ayurvedische producten niet toe

HvJ EU 11 sep 2025,, IEF 23751; ECLI:EU:C:2025:728 (Hecht Pharma GmbH tegen EUIPO), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvj-eu-laat-hogere-voorziening-over-normaal-gebruik-van-uniemerk-voor-ayurvedische-producten-niet-toe

HvJ EU 11 september 2025, IEF 23751; ECLI:EU:C:2025:728 (Hecht Pharma GmbH tegen EUIPO). Hecht Pharma verzoekt om toelating van haar hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van 18 december 2024 in een vervallenverklaringsprocedure tussen Hecht Pharma en Gufic BioSciences over het Uniemerk H 15 Gufic. Hecht Pharma voert drie middelen aan. Volgens haar heeft het Gerecht artikel 18 lid 1 UMVo onjuist toegepast bij de beoordeling van het normale gebruik van het merk voor waren in klasse 5. In het bijzonder zou het Gerecht te veel gewicht hebben toegekend aan de presentatie van de betrokken producten als “ayurvedic medicine” en aan de perceptie van consumenten. Volgens Hecht Pharma had ook rekening moeten worden gehouden met de letterlijke betekenis van de term “medicijnen” en met de opvattingen van deskundigen. Omdat de betrokken ayurvedische producten volgens Hecht Pharma geen therapeutische werking hebben, zouden zij niet als “medicijnen” in klasse 5 kunnen worden aangemerkt en daarom evenmin kunnen dienen als bewijs van normaal gebruik van het merk voor die waren. Daarnaast klaagt Hecht Pharma over de afwijzing van aanvullende bewijsstukken, onder meer over Indiaas recht, en over schending van het recht op een eerlijk proces.

IEF 23741

Uitspraak ingezonden door Quirijn Meijnen, LMO Advocaten.

Geen kwade trouw bij depot AEROINTEL-merk na conflict tussen medeoprichters

BBIE 26 jun 2026,, IEF 23741; nr. 3000861 (Aerointel tegen [verweerder]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-kwade-trouw-bij-depot-aerointel-merk-na-conflict-tussen-medeoprichters

BBIE 26 juni 2026, IEF 23741; IEFbe 4274; nr. 3000861 (Aerointel tegen [verweerder]). In deze zaak verzoekt Aerointel B.V. op grond van artikel 2.30bis lid 1 onder a in verbinding met artikel 2.2bis lid 2 BVIE om doorhaling van het op 6 juni 2025 aangevraagde en op 30 augustus 2025 ingeschreven gecombineerde woord-/beeldmerk AEROINTEL. Het merk is ingeschreven voor waren en diensten in de klassen 9, 12 en 42, die onder meer betrekking hebben op drones en dronetechnologie. Aerointel stelt dat zij de naam en het logo heeft ontwikkeld en deze vanaf 27 juli 2024 openbaar en ononderbroken gebruikt, aanvankelijk via een onderneming in oprichting en vanaf 4 oktober 2024 via Aerointel B.V. In april en mei 2025 ontstaat tussen Aerointel en [verweerder] een geschil over diens beoogde participatie in de onderneming. Volgens Aerointel deponeert [verweerder] het teken vervolgens zonder besluit van de algemene vergadering of volmacht op persoonlijke naam, terwijl hij weet dat Aerointel het teken al intensief gebruikt. Aerointel voert aan dat [verweerder] het merk na het depot niet zelf in de Benelux gebruikt, maar de registratie inzet als drukmiddel om haar gebruik van AEROINTEL en haar bedrijfsvoering te blokkeren. Zij wijst daarbij onder meer op een sommatie van 21 mei 2025, de inzet van het depot tegenover een derde op 20 juni 2025, een e-mail van 25 juni 2025 waarin overleg afhankelijk wordt gesteld van staking van het gebruik van AEROINTEL, het offline gaan van de website van Aerointel op 26 juni 2025 en de presentatie van vergelijkbare activiteiten onder een andere handelsnaam op 30 juni 2025. Volgens Aerointel blijkt uit deze chronologie dat sprake is van een blokkeringsdepot zonder legitiem ondernemingsdoel. [Verweerder] betwist dat Aerointel een zelfstandig ouder recht op de naam of het logo heeft. Hij stelt dat hij samen met de bestuurder van Aerointel al vanaf augustus 2023 een gezamenlijke onderneming op het gebied van drones ontwikkelt, dat zij in maart 2024 gezamenlijk onder een eerdere handelsnaam en vervolgens onder de naam Aerointel naar buiten treden en dat zij het bestreden logo in mei 2024 ontwikkelen. Volgens [verweerder] richten zij Aerointel B.V. op als gezamenlijke onderneming, waarbij het de bedoeling is dat ieder uiteindelijk vijftig procent van de aandelen houdt. Die afspraak wordt volgens hem niet uitgevoerd, waarna hij wordt uitgesloten van bestanden, communicatiekanalen, de website en de presentatie van de onderneming. Hij stelt dat hij het merk deponeert om de door hem mede opgebouwde goodwill, het onderscheidend vermogen van de naam en het logo en de herkomst van de gezamenlijk ontwikkelde dronetechnologie te beschermen. Het depot dient volgens hem daarmee de wezenlijke functie van een merk en is geen leeg, speculatief of uitsluitend blokkerend depot.

IEF 23739

Uitspraak ingezonden door Quirijn Meijnen, LMO advocaten.

Depot A-Team-logo na sommatie niet te kwader trouw

BBIE 24 apr 2026,, IEF 23739; 3000826 (Afix tegen The A-Team Agency), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/depot-a-team-logo-na-sommatie-niet-te-kwader-trouw

BBIE 24 april 2026, IEF 23739; IEFbe 4273; nr. 3000826 (Afix tegen The A-Team Agency). In deze zaak verzoekt Afix BV op grond van artikel 2.30bis lid 1 onder a in verbinding met artikel 2.2bis lid 2 BVIE om doorhaling van het op 10 december 2024 aangevraagde en op 25 februari 2025 ingeschreven gecombineerde woord-/beeldmerk van International Video Company B.V., handelend onder de naam The A-Team Agency. Het merk is ingeschreven voor diensten in de klassen 35, 41 en 42, waaronder marketing, video- en filmproductie en het ontwerpen en ontwikkelen van websites. Afix stelt dat zij het door haar ingeroepen A-logo sinds 2016 onafgebroken gebruikt en daarop auteursrechten bezit. Nadat Afix The A-Team Agency op 10 december 2024 had gesommeerd het volgens haar inbreukmakende gebruik van een aangepaste versie van haar logo te staken, diende The A-Team Agency nog diezelfde dag de merkaanvraag in. Volgens Afix blijkt daaruit dat het merk is aangevraagd om het volgens haar inbreukmakende gebruik achteraf te legitimeren en haar rechtmatige gebruik te frustreren. The A-Team Agency betwist dat sprake is van kwade trouw en voert aan dat het bestreden merk onderdeel is van een reeds gebruikte, op de televisieserie The A-Team geïnspireerde merkidentiteit. Zij stelt dat zij het logo zelf heeft ontworpen en ten tijde van het depot alleen bekend was met het volledige Afix-logo, en niet met het afzonderlijke A-logo waarop Afix zich later beriep.

IEF 23732

Aanbieden en verhandelen van automatten met Audi- en Volkswagen-tekens vormt merkinbreuk

Rechtbank Den Haag 27 jul 2026,, IEF 23732; ECLI:NL:RBDHA:2026:21393 (Audi c.s. tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/aanbieden-en-verhandelen-van-automatten-met-audi-en-volkswagen-tekens-vormt-merkinbreuk

Rb. Den Haag 27 juli 2026, IEF 23732; ECLI:NL:RBDHA:2026:21393 (Audi c.s. tegen [gedaagde]). Audi en Volkswagen komen in kort geding op tegen de invoer, aanbieding en verkoop van automatten waarop tekens staan die identiek zijn aan verschillende Audi- en Volkswagen-merken. De Nederlandse douane houdt meerdere voor de handelaar bestemde zendingen tegen, waarna automatten met de merken worden aangetroffen in advertenties op onder meer Instagram, TikTok, Marktplaats, Etsy en Facebook. Hoewel de handelaar na sommatie verklaart de verkoop te hebben gestaakt, verschijnen daarna opnieuw advertenties via bestaande en nieuwe accounts. Omdat meerdere malen nieuwe aanbiedingen worden geplaatst en de handelaar geen onthoudingsverklaring wil afgeven, acht de voorzieningenrechter het spoedeisend belang aanwezig. Niet betwist is dat de handelaar via zijn eigen handelsnaam automatten met tekens gelijk aan de Audi- en Volkswagen-merken aanbiedt en verkoopt. De tekens worden in het economisch verkeer gebruikt voor dezelfde waren als waarvoor de merken zijn ingeschreven. Daarmee is voorshands sprake van merkinbreuk op de a-grond van artikel 9 lid 2 onder a UMVo en artikel 2.20 lid 2 onder a BVIE. Dat de handelaar naar eigen zeggen te goeder trouw handelt, staat aan merkinbreuk en een verbod niet in de weg. Omdat de inbreuk op de a-grond vaststaat, hoeft niet meer te worden onderzocht of ook sprake is van verwarringsgevaar op de b-grond.

IEF 23728

HvJ EU: fictief oprichtingsjaar kan luxemerk misleidend maken

HvJ EU 26 mrt 2026,, IEF 23728; ECLI:EU:C:2026:250 (Fauré Le Page Maroquinier en Fauré Le Page Paris tegen Goyard ST-Honor), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvj-eu-fictief-oprichtingsjaar-kan-luxemerk-misleidend-maken

HvJ EU 26 maart 2026, IEF 23728; ECLI:EU:C:2026:250 (Fauré Le Page Maroquinier en Fauré Le Page Paris tegen Goyard ST-Honoré). In deze zaak beantwoordt het Hof van Justitie prejudiciële vragen over de uitleg van artikel 3, eerste lid, onder g, van Richtlijn 2008/95 en meer bepaald over de vraag of een merk misleidend kan zijn wanneer een daarin opgenomen jaartal bij het relevante publiek ten onrechte de indruk wekt van eeuwenoud vakmanschap en daardoor van een bijzondere kwaliteit en prestigieus imago van de betrokken waren. Maison Fauré Le Page handelde sinds 1716 in Parijs in onder meer wapens, munitie en lederaccessoires, maar werd in 1992 ontbonden. Fauré Le Page Paris werd in 2009 opgericht, verwierf datzelfde jaar het Franse woordmerk Fauré Le Page en vroeg in 2011 twee Franse merken met de aanduiding Fauré Le Page Paris 1717 aan voor onder meer lederwaren, koffers en handtassen. Concurrent Goyard vordert nietigverklaring van deze merken wegens hun misleidende karakter. Na verwijzing verklaart het cour d’appel de Paris de merken nietig, omdat de aanduiding Paris 1717 de indruk wekt dat de onderneming sinds 1717 onafgebroken actief is en het vakmanschap van de historische onderneming aan de huidige onderneming is overgedragen. Voor consumenten van luxe lederwaren zou dit een garantie voor kwaliteit en prestige vormen en hun aankoopbeslissing kunnen beïnvloeden. De Fauré Le Page-vennootschappen voeren in cassatie aan dat de vermeend onjuiste informatie slechts betrekking heeft op de merkhouder en niet op een kenmerk van de waren. De Cour de cassation legt daarop prejudiciële vragen voor aan het Hof. 

IEF 23726

Geen algemeen stakingsbevel, wel afgifte gegevens achter frauduleuze F1-ticketwebsites

Rechtbank Den Haag 30 jul 2026,, IEF 23726; ECLI:NL:RBDHA:2026:21021 (Formula 1 Companies tegen Metaregistrar en Mijndomein), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-algemeen-stakingsbevel-wel-afgifte-gegevens-achter-frauduleuze-f1-ticketwebsites

Rb. Den Haag 30 juli 2026, IEF 23726; IT 5397; ECLI:NL:RBDHA:2026:21021 (Formula 1 Companies tegen Metaregistrar en Mijndomein). In dit kort geding constateren de Formula 1 Companies dat via verschillende websites niet-bestaande tickets voor het FIA Formula One World Championship worden aangeboden en daarbij zonder toestemming gebruik wordt gemaakt van hun FORMULA 1- en F1-merken. Nadat een consument voor € 2.600 aan tickets voor de Grand Prix van Monza heeft betaald zonder deze te ontvangen, ontdekken de Formula 1 Companies meerdere vergelijkbare websites. De websites vertonen sterke overeenkomsten in vormgeving en contactgegevens en gebruiken onder meer gefingeerde namen. Mijndomein is hostingprovider van de betrokken websites en heeft bemiddeld bij de registratie van de domeinnamen, waarvoor Metaregistrar als registrar is ingeschakeld. Na verschillende notice-and-takedownverzoeken haalt Mijndomein de betrokken websites offline, maar weigeren gedaagden de identificerende gegevens van de domeinnaamhouders te verstrekken. De Formula 1 Companies vorderen in kort geding onder meer staking van de dienstverlening als tussenpersoon en verstrekking van de identificerende gegevens van de domeinnaamhouders.

IEF 23716

EU-wijd ex parte verbod tegen verhandeling van Volkswagen ID.6 wegens merkinbreuk

Rechtbank Den Haag 26 jun 2026,, IEF 23716; ECLI:NL:RBDHA:2026:19391 (verzoekster tegen gerekwestreerden), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/eu-wijd-ex-parte-verbod-tegen-verhandeling-van-volkswagen-id-6-wegens-merkinbreuk

Rb. Den Haag 26 juni 2026, IEF 23716; ECLI:NL:RBDHA:2026:19391 (verzoekster tegen gerekwestreerde). Volkswagen Aktiengesellschaft verzocht de voorzieningenrechter om een onmiddellijk verbod tegen een in Nederland gevestigde of woonachtige gerekwestreerde. Volgens Volkswagen maakte de gerekwestreerde met auto’s van het type Volkswagen ID.6 inbreuk op de in randnummer 8 van het verzoekschrift genoemde merken. Omdat de gerekwestreerde in Nederland was gevestigd of woonde, achtte de voorzieningenrechter zich bevoegd om over de gestelde inbreuk in de gehele Europese Unie te oordelen. Voorshands bestond geen reden om aan de geldigheid van de ingeroepen rechten te twijfelen en was de gestelde inbreuk voldoende aannemelijk gemaakt. Gelet op het spoedeisende belang en de mate van aannemelijkheid van de inbreuk bestond voldoende grond om het verbod toe te wijzen zonder de gerekwestreerde vooraf te horen.