Terugvordering na vernietiging van een schadevonnis: rechtsopvolgers niet zonder meer gebonden aan de veroordeling van de cedent
Rb. Amsterdam 1 april 2026, IEF 23451; ECLI:NL:RBAMS:2026:3265 ([eiser 1] tegen Longnorth c.s.). In deze procedure vorderen [eiser 1] en [eiser 2] terugbetaling van bedragen die in 2019 zijn betaald na een vonnis van de rechtbank Den Haag, waarin [eiser 1] wegens merkinbreuk met betrekking tot Jack Daniel’s-producten was veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en proceskosten aan Jack Daniel’s, Brown-Forman en Pitts Bay. In hoger beroep heeft het gerechtshof Den Haag vervolgens geoordeeld dat Pitts Bay haar vordering al op 27 december 2007 aan Longnorth en Bacardi had gecedeerd, zodat Pitts Bay zelf niets meer van [eiser 1] te vorderen had; voor zover de eerdere vonnissen Pitts Bay betroffen, zijn die vernietigd en is Pitts Bay tot terugbetaling veroordeeld. In de onderhavige procedure beroepen eisers zich jegens Longnorth, Bacardi, Jack Daniel’s, Brown-Forman en hun advocaat op gezag van gewijsde, derden- of precedentwerking, onverschuldigde betaling en onrechtmatige daad. De rechtbank wijst dat grotendeels af. Longnorth en Bacardi waren in de procedure bij het hof geen formele of materiële procespartij, zodat zij niet op die grond aan de veroordeling van Pitts Bay zijn gebonden. Art. 236 Rv brengt volgens de rechtbank alleen mee dat in deze procedure vaststaat dát Pitts Bay haar vordering in 2007 aan Longnorth en Bacardi had overgedragen; daaruit volgt niet dat Longnorth en Bacardi daardoor zelf zonder meer gehouden zijn tot terugbetaling. Ook het beroep op derden- of precedentwerking faalt. Verder is de betaling van de zogenoemde Pitts Bay-vordering zelf niet onverschuldigd geweest: de vernietiging van het eerdere vonnis betekent niet dat die materiële vordering niet bestond, maar slechts dat Pitts Bay niet meer de rechthebbende was. Het hof had immers al geoordeeld dat [eiser 1] die vordering op 20 maart 2019 bevrijdend aan Longnorth en Bacardi had betaald, en eisers hebben in deze procedure niet onderbouwd dat op [eiser 1] geen of slechts een lagere schadevergoedingsplicht rustte. Anders ligt het uitsluitend voor het bedrag van € 10.664,78 aan proceskosten dat ten behoeve van Pitts Bay op grond van het vernietigde eindvonnis was betaald: daarvoor is de rechtsgrond door het tussenarrest komen te vervallen, zodat Longnorth en Bacardi dat bedrag wél moeten terugbetalen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 augustus 2022. Voor de proceskosten van het hoger beroep geldt dat [eiser 1] daarvoor slechts een vordering op Pitts Bay als procespartij heeft, zodat ook dat deel niet tegen Longnorth en Bacardi toewijsbaar is.