Merkenrecht  

IEF 23407

Gerecht bevestigt verwarringsgevaar tussen TEAM BEVERAGE en TEAM en laat weigering van schorsing in stand

Gerecht EU (voorheen GvEA) 25 mrt 2026, IEF 23407; ECLI:EU:T:2026:214 (Team Beverage AG tegen EUIPO en Zurich Deutscher Herold Lebensversicherung AG), https://ie-forum.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-verwarringsgevaar-tussen-team-beverage-en-team-en-laat-weigering-van-schorsing-in-stand

Gerecht EU 25 maart 2026, IEF 23407; IEFbe 4159; ECLI:EU:T:2026:214 (Team Beverage AG tegen EUIPO en Zurich Deutscher Herold Lebensversicherung AG). Het Gerecht verwerpt het beroep van Team Beverage AG tegen de beslissing van de Tweede Kamer van Beroep van het EUIPO. Team Beverage vraagt het figuratieve Uniemerk TEAM BEVERAGE aan voor verschillende diensten in klasse 36, waaronder verzekerings-, financiële en bancaire diensten. Zurich Deutscher Herold Lebensversicherung AG stelt oppositie in op basis van het oudere Uniewoordmerk TEAM, dat eveneens voor verzekeringsdiensten is ingeschreven. Tijdens de procedure stelt Team Beverage ook nietigheids- en vervalvorderingen tegen het oudere merk in en verzoekt zij om schorsing van de oppositieprocedure. Het Gerecht oordeelt dat de Kamer van Beroep dat verzoek terecht afwijst. Op grond van artikel 71, lid 1, onder a en b, van Gedelegeerde Verordening 2018/625 beschikt de Kamer van Beroep over een ruime beoordelingsmarge en moet zij de belangen van partijen afwegen. Daarbij mag zij betrekken dat eerdere, grotendeels gelijksoortige procedures tegen het oudere merk al zijn afgewezen, dat de verzoekster geen overtuigende redenen voor schorsing aanvoert en dat de omstandigheden wijzen op een vooral vertragend gebruik van die procedures. procedures.

IEF 23403

Uitspraak ingezonden door Nils Winthagen, Winthagen Legal.

Merkinbreuk via doorlinkende domeinnaam hirschmann.nl

Rechtbank Den Haag 25 mrt 2026, IEF 23403; C/09/693566 / HA ZA 25-937 (Belden c.s. tegen IP Groep c.s.), https://ie-forum.nl/artikelen/merkinbreuk-via-doorlinkende-domeinnaam-hirschmann-nl

Rb Den Haag 25 maart 2026, IEF 23403; C/09/693566 / HA ZA 25-937 (Belden c.s. tegen IP Groep c.s.). Na het faillissement van licentienemer Hirschmann Multimedia B.V. (HMM) in juni 2024 nemen IP Groep c.s. de activiteiten van het onderdeel Hirschmann Media Services over, inclusief de handelsnaam en diverse domeinnamen met “hirschmann”. Belden c.s., houders van diverse Unie‑ en Beneluxmerken HIRSCHMANN, sommeren IP Groep c.s. om elk gebruik van de HIRSCHMANN‑merken in handelsnaam en domeinnamen te staken en de domeinen over te dragen; IP Groep c.s. wijzigen de handelsnaam, tekenen op 5 augustus 2024 een onthoudingsverklaring en beloven onder meer elke merkinbreuk te staken op straffe van een boete van 1.000 euro per overtreding per dag, tot een maximum van 50.000 euro, en de domeinnamen met “hirschmann” uiterlijk per 1 januari 2025 over te dragen. Vervolgens blijft de domeinnaam hirschmann.nl echter niet op een neutrale “reserveringspagina” staan, maar linkt vanaf 13 september 2024 door naar de (onder constructie zijnde) website smartmedia.nl, waarop een link staat naar managedcloudtv.com waar de Managed Cloud TV‑diensten van IP Groep worden aangeboden. Belden c.s. stellen dat dit merkinbreuk én schending van de onthoudingsverklaring oplevert en dagvaarden IP Groep c.s. tot een verklaring voor recht van merkinbreuk en onrechtmatigheid, betaling van de contractuele boete van 50.000 euro, schadevergoeding (nader op te maken bij staat), een verbod op verdere inbreuk in EU/Benelux met dwangsom, overdracht van nog diverse “hirschmann”-domeinnamen en volledige proceskosten ex 1019h Rv. IP Groep c.s. voeren aan dat de doorlink slechts uit coulance diende om klanten te informeren, dat op smartmedia.nl geen diensten werden aangeboden en geen HIRSCHMANN‑merken werden gebruikt, dat Belden c.s. geen gelijksoortige Managed Cloud TV‑diensten aanbieden, dat de onthoudingsverklaring pas op 30 januari 2025 door Belden c.s. is aanvaard en dat zij de overige domeinnamen nooit van de curator hebben verkregen.

IEF 23402

Uitspraak ingezonden door Michiel Odink en Meredith Hom, Leeway.

Geen verbod op gebruik artiestennaam DJ Rossi in kort geding

Rechtbank Amsterdam 24 mrt 2026, IEF 23402; C/131782090 / KG ZA 26-46 EAM/EvK (Van Driest en Traveltex tegen McCormack en Meanwhile), https://ie-forum.nl/artikelen/geen-verbod-op-gebruik-artiestennaam-dj-rossi-in-kort-geding

Rb Amsterdam 24 maart 2026, IEF 23402; C/131782090 / KG ZA 26-46 EAM/EvK (Van Driest en Traveltex tegen McCormack en Meanwhile). In dit kort geding staan twee dj’s tegenover elkaar die allebei onder de naam (DJ) Rossi werken: Van Driest, een Nederlandse technodj die sinds 1990 optreedt als (DJ) Rossi, en McCormack, een Britse techhouse-dj die internationaal, ook in Nederland (sinds 2018), optreedt onder de naam Rossi of Rossi. (met punt). Van Driest heeft via zijn holding Traveltex in 2022 opnieuw het Benelux-woordmerk DJ ROSSI laten registreren (na een eerdere registratie in 2003 die in 2013 is verlopen), terwijl Meanwhile sinds 2020 het Nederlandse boekingskantoor van McCormack is. Nadat Van Driest in 2024 klaagt over verwarring en sommatiebrieven stuurt, ontstaat een bredere merkenstrijd: McCormack vraagt in 2025 het EU-woordmerk ROSSI. aan, Traveltex stelt oppositie daartegen in, en McCormack start bij het Benelux-Bureau een doorhalingsprocedure tegen het merk DJ ROSSI wegens depot te kwader trouw; die doorhalingsprocedure loopt nog en de EU-oppositie is intussen geschorst. In dit kort geding vorderen Van Driest en Traveltex dat McCormack en Meanwhile ieder gebruik in de Benelux van de aanduidingen ROSSI en ROSSI. (en overeenstemmende tekens) voor dj‑activiteiten en promotie onmiddellijk staken wegens merkinbreuk (DJ ROSSI), handelsnaaminbreuk en onrechtmatig profiteren van de opgebouwde naam, alles op straffe van een dwangsom, plus een termijn voor het starten van een bodemprocedure en vergoeding van (IE-)proceskosten. McCormack verweert zich onder meer met de stelling dat het merk DJ ROSSI te kwader trouw is gedeponeerd, dat hij in de Benelux oudere handelsnaamrechten heeft op ROSSI. en dat er geen (relevante) verwarringsgevaarlijke overeenstemming is, terwijl Meanwhile aanvoert dat zij de naam Rossi. niet als eigen handelsnaam gebruikt en zich verder bij het verweer van McCormack aansluit.

IEF 23394

Gerecht bevestigt afwijzing nietigheidsverzoek BLUE BRAND CHICKEN: eerdere vernietigingsuitspraak bindt Kamer van Beroep

Gerecht EU (voorheen GvEA) 13 okt 2025, IEF 23394; ECLI:EU:T:2025:971 (Grzegorz Wyrębski tegen EUIPO en Anna Gagatek-Woźniak, Artur Woźniak en Jolanta Mozerys), https://ie-forum.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-afwijzing-nietigheidsverzoek-blue-brand-chicken-eerdere-vernietigingsuitspraak-bindt-kamer-van-beroep

Gerecht EU 13 oktober 2025, IEF 23394; IEFbe 4153; ECLI:EU:T:2025:971 (Grzegorz Wyrębski tegen EUIPO en Anna Gagatek-Woźniak, Artur Woźniak en Jolanta Mozerys). In zaak T-44/25 stond een beroep centraal tegen de beslissing van de Vierde Kamer van Beroep van het EUIPO om het nietigheidsverzoek tegen het driedimensionale Uniemerk BLUE BRAND CHICKEN af te wijzen. Het merk betrof de blauw-witte rechthoekige vorm van een doos voor waren en diensten in de klassen 29 en 40. Verzoeker had nietigheid gevorderd op grond van artikel 52, lid 1, onder b, van Verordening nr. 207/2009, stellende dat de merkaanvraag te kwader trouw was ingediend. De nietigheidsafdeling had dat verzoek aanvankelijk toegewezen, maar die uitkomst hield geen stand nadat het Gerecht in een eerdere procedure de toenmalige beslissing van de Kamer van Beroep had vernietigd. Nadat het Hof van Justitie de hogere voorziening tegen dat vernietigingsarrest niet had toegelaten, besliste de Vierde Kamer van Beroep opnieuw en wees zij het nietigheidsverzoek af, omdat zij, gebonden aan dat eerdere arrest, tot de slotsom kwam dat de aangevoerde bewijsmiddelen kwade trouw niet konden dragen.

IEF 23391

Gerecht wijst beroep van Mordalski af omdat een reeds vervallen Uniemerk niet meer nietig kan worden verklaard

Gerecht EU (voorheen GvEA) 19 mrt 2026, IEF 23391; ECLI:EU:T:2026:201 (Grzegorz Mordalski tegen EUIPO en Anita Food, SA), https://ie-forum.nl/artikelen/gerecht-wijst-beroep-van-mordalski-af-omdat-een-reeds-vervallen-uniemerk-niet-meer-nietig-kan-worden-verklaard

Gerecht EU 19 maart 2026, IEF 23391; IEFbe 4152;  ECLI:EU:T:2026:201 (Grzegorz Mordalsk tegen EUIPO en Anita Food, SA). In deze zaak verzocht Grzegorz Mordalski om nietigverklaring van de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 5 februari 2025. Die beslissing betrof zijn verzoek tot nietigverklaring van een figuratief Uniemerk van Anita Food SA, dat was aangevraagd op 18 februari 2009, geregistreerd op 27 januari 2010 en, bij gebrek aan verlenging, waarvan de registratie was vervallen op 18 februari 2019. Mordalski had zelf in 2016 in Polen een nationaal merk aangevraagd, maar dat was in 2020 geweigerd wegens gevaar voor verwarring met onder meer dit oudere Uniemerk. Daarop diende hij op 1 november 2020 bij het EUIPO een verzoek tot nietigverklaring van dat Uniemerk in op grond van artikel 60, lid 1, onder a, van verordening 2017/1001, gelezen in samenhang met artikel 8, lid 1, onder a en b, maar gelet op de datum van de Uniemerkaanvraag moest het Gerecht voor de materiële beoordeling uitgaan van de overeenkomstige bepalingen van verordening nr. 40/94, namelijk artikel 52, lid 1, onder a, gelezen in samenhang met artikel 8, lid 1. De annuleringsafdeling had dat verzoek op 7 juni 2024 afgewezen omdat de registratie op het moment van het verzoek al was verstreken, en de kamer van beroep had dat oordeel bevestigd.

IEF 23387

Vorderingen van ARDEX tegen ADEX wegens gestelde merk- en handelsnaaminbreuk en onrechtmatige daad afgewezen

Rechtbank Den Haag 12 mrt 2026, IEF 23387; ECLI:NL:RBDHA:2026:5128 (ARDEX tegen ADEX), https://ie-forum.nl/artikelen/vorderingen-van-ardex-tegen-adex-wegens-gestelde-merk-en-handelsnaaminbreuk-en-onrechtmatige-daad-afgewezen

Rb. Den Haag 12 maart 2026, IEF 23387; ECLI:NL:RBDHA:2026:5128 (ARDEX tegen ADEX). In dit kort geding traden ARDEX GmbH en ARDEX Nederland B.V. op tegen ADEX Projecten B.V., ADEX Diensten B.V., ADEX Grondstoffen B.V., ADEX Milieu B.V., ADEX Materieel B.V. en Aannemingen Beheer B.V.. ARDEX stelde dat ADEX door het gebruik van ADEX als teken, handelsnaam en domeinnaam inbreuk maakte op de ARDEX-Uniemerken en het ingeroepen Benelux-/internationale merk, primair op grond van artikel 9 lid 2 sub c UMVo en artikel 2.20 lid 2 sub c BVIE, en subsidiair op grond van artikel 9 lid 2 sub b UMVo en artikel 2.20 lid 2 sub b BVIE. Daarnaast beriep ARDEX zich op artikel 5 Hnw, artikel 5a Hnw en subsidiair op artikel 6:162 BW. De voorzieningenrechter achtte zich bevoegd en nam spoedeisend belang aan, omdat ARDEX na ontdekking van de naamswijziging van Bnext.nl naar ADEX in het voorjaar van 2025 voldoende voortvarend had gehandeld met een sommatiebrief, een BBIE-procedure en daarna dit kort geding; de eenzijdige onthoudingsverklaring van ADEX Diensten en ADEX Grondstoffen van 12 februari 2026 nam dat spoedeisend belang niet weg, omdat die verklaring niet volledig tegemoetkwam aan wat ARDEX vorderde.

IEF 23385

Gerecht bevestigt afwijzing van oppositie tegen het Uniemerk EMOTORS

Gerecht EU (voorheen GvEA) 18 mrt 2026, IEF 23385; ECLI:EU:T:2026:196 (e-motors tegen EUIPO en Nidec PSA Emotors), https://ie-forum.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-afwijzing-van-oppositie-tegen-het-uniemerk-emotors

Gerecht EU 18 maart 2026, IEF 23385; IEFbe 4149; ECLI:EU:T:2026:196 (e-motors tegen EUIPO en Nidec PSA Emotors). In deze zaak vorderde e-motors vernietiging van de beslissing van de kamer van beroep van het EUIPO, waarbij haar oppositie tegen de inschrijving van het figuratieve Uniemerk EMOTORS van Nidec PSA Emotors was afgewezen. Die oppositie was gebaseerd op een ouder figuratief Uniemerk e-motors en een ouder Frans woordmerk emotors, en berustte op artikel 8 lid 1 onder b UMVo. De kamer van beroep had eerst geoordeeld dat het normale gebruik van de oudere merken voor de betrokken diensten voldoende was aangetoond, maar vervolgens geoordeeld dat geen sprake was van verwarringsgevaar. Het Gerecht bevestigt dat oordeel. Het relevante publiek bestaat uit zowel het algemene publiek als professionals, met een hoog aandachtsniveau, en de betrokken producten van het aangevraagde merk zijn hoogstens middelmatig soortgelijk aan de diensten waarvoor de oudere merken bescherming genieten. Het Gerecht volgt ook het oordeel dat het gemeenschappelijke woordelement “emotors” in de context van de betrokken producten en diensten slechts een zwak intrinsiek onderscheidend vermogen heeft, omdat het relevante publiek dit zal begrijpen als een verwijzing naar elektrische motoren.

IEF 23384

Gerecht bevestigt verval van het Uniemerk Gattinoni wegens gebrek aan normaal gebruik

Gerecht EU (voorheen GvEA) 18 mrt 2026, IEF 23384; ECLI:EU:T:2026:199 (Effeemme Srl tegen EUIPO en Phoenix 1946 Srl), https://ie-forum.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-verval-van-het-uniemerk-gattinoni-wegens-gebrek-aan-normaal-gebruik

Gerecht 18 maart 2026, IEF 23384; IEFbe 4148; ECLI:EU:T:2026:199 (Effeemme Srl tegen EUIPO en Phoenix 1946 Srl). In deze zaak verzocht Effeemme Srl om vernietiging van de beslissing van de kamer van beroep van het EUIPO, waarin was bevestigd dat het figuratieve Uniemerk Gattinoni vervallen was verklaard voor alle betrokken waren in de klassen 18 en 25, omdat geen normaal gebruik van het merk was aangetoond in de relevante periode van 14 mei 2017 tot en met 13 mei 2022. Het Gerecht zet eerst het juridische kader uiteen: voor behoud van een Uniemerk moet het merk in de Unie daadwerkelijk en niet louter symbolisch zijn gebruikt, waarbij het bewijs cumulatief betrekking moet hebben op plaats, duur, omvang en aard van het gebruik. In deze zaak stond alleen de omvang van het gebruik ter discussie. Effeemme voerde aan dat de kamer van beroep het bewijs ten onrechte stuk voor stuk had beoordeeld en onvoldoende gewicht had toegekend aan licentieovereenkomsten, catalogi, facturen, promotiemateriaal en persartikelen. Het Gerecht verwerpt dat betoog en oordeelt dat de kamer van beroep het bewijsmateriaal wél in samenhang heeft beoordeeld, maar terecht heeft vastgesteld dat vrijwel alle stukken zagen op een periode vóór de relevante gebruiksperiode en dat de stukken uit de relevante periode geen voldoende concreet en objectief beeld gaven van daadwerkelijke marktactiviteit. Met name ontbraken gegevens over omzet, verkoopcijfers, jaarlijkse verkooprapporten, promotiebudgetten of andere stukken waaruit de commerciële omvang van het gebruik van het merk kon blijken.

IEF 23383

Gerecht bevestigt nietigverklaring van het Uniemerk V12X

Gerecht EU (voorheen GvEA) 18 mrt 2026, IEF 23383; ECLI:EU:T:2026:198 (MAN Truck & Bus SE tegen EUIPO en Rolls-Royce Power Systems AG), https://ie-forum.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-nietigverklaring-van-het-uniemerk-v12x

Gerecht EU 18 maart 2026, IEF 23383; IEFbe 4147; ECLI:EU:T:2026:198 (MAN Truck & Bus SE tegen EUIPO en Rolls-Royce Power Systems AG). In deze zaak vorderde MAN Truck & Bus SE vernietiging van de beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO, waarin het Uniewoordmerk V12X nietig was verklaard op verzoek van Rolls-Royce Power Systems AG. Het merk was ingeschreven voor motoren en motoronderdelen in klasse 7, met name voor gebruik in boten, schepen en stationaire toepassingen. Het Gerecht verwerpt eerst de bewijsrechtelijke bezwaren van MAN. Volgens het Gerecht schrijft Verordening 2017/1001 geen vaste vorm van bewijs voor, zodat ook screenshots, hyperlinks en andere online bronnen als bewijs kunnen dienen. Het enkele feit dat een website later mogelijk is gewijzigd of dat een link niet meer werkt, maakt zulke stukken nog niet ongeloofwaardig; daarvoor zijn concrete aanwijzingen van manipulatie nodig, en die had MAN niet gegeven. Ook het aanvullende bewijsmateriaal dat Rolls-Royce pas voor het eerst bij de kamer van beroep had ingediend, mocht volgens het Gerecht worden toegelaten. Dat materiaal was op het eerste gezicht relevant voor de uitkomst van de zaak, vulde eerder tijdig ingediend bewijs aan en diende mede als reactie op de afwijzende beslissing van de nietigheidsafdeling, die het eerdere dossier onvoldoende vond. Verder faalde ook de klacht dat de kamer van beroep haar beslissing op andere gronden zou hebben gebaseerd dan die welke Rolls-Royce had aangevoerd: voor zover bepaalde overwegingen al verder gingen, waren die volgens het Gerecht in elk geval niet beslissend, omdat de nietigverklaring al zelfstandig kon steunen op het beschrijvende karakter van het merk.

IEF 23360

Gerecht bevestigt dat ‘Mein Autohaus’ beschrijvend is voor een digitaal communicatieplatform

Gerecht EU (voorheen GvEA) 25 feb 2026, IEF 23360; ECLI:EU:T:2026:147 (Loco-Soft Vertriebs GmbH tegen EUIPO), https://ie-forum.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-dat-mein-autohaus-beschrijvend-is-voor-een-digitaal-communicatieplatform

Gerecht EU 25 februari 2026, IEF 23360; IEFbe 4137; ECLI:EU:T:2026:147 (Loco-Soft Vertriebs GmbH tegen EUIPO). In dit arrest staat de aanvraag centraal voor het woordmerk Mein Autohaus voor een dienst in klasse 42, omschreven als een platform as a service (PaaS) dat is uitgerust met technologie waarmee ondernemingen, organisaties en particulieren hun aanbod online kunnen presenteren en informatie en nieuws over hun activiteiten, producten en diensten aan onlinegebruikers kunnen doorgeven. De examinator had de aanvraag voor die dienst geweigerd op grond van artikel 7, lid 1, onder b en c, UMVo, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 2, UMVo, en de Kamer van Beroep had die weigering bevestigd. Het Gerecht toetst eerst de weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, onder c, UMVo en laat de beslissing in stand. Het relevante publiek bestaat volgens het Gerecht uit zowel het grote publiek als ondernemingen en organisaties, dus mede uit een gespecialiseerd publiek. Voor de beoordeling is met name van belang hoe het Duitstalige publiek het teken begrijpt. Het Gerecht volgt de Kamer van Beroep in haar oordeel dat “Autohaus” in het Duits rechtstreeks verwijst naar een autodealer of autobedrijf en dat dit element, toegepast op de betrokken dienst, onmiddellijk doet denken aan een digitaal platform dat verband houdt met de activiteiten van een autodealer. De betrokken dienst sluit daar volgens het Gerecht rechtstreeks op aan, omdat zij is bedoeld om online aanbod en bedrijfsinformatie te communiceren en dus kan worden gebruikt binnen het typische bedrijfsmodel van een autodealer, met name ter ondersteuning of bevordering van de verkoop van voertuigen.