Gepubliceerd op woensdag 26 augustus 2026
IEF 23775
Rechtbank Den Haag ||
13 mei 2026,
Rechtbank Den Haag 13 mei 2026,, IEF 23775; ECLI:NL:RBDHA:2026:11505 (de VVJ c.s. tegen de de Staat), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/accreditatievoorwaarden-persrichtlijn-2025-onverbindend-wegens-strijd-met-artikel-10-evrm

Accreditatievoorwaarden Persrichtlijn 2025 onverbindend wegens strijd met artikel 10 EVRM

Rb. Den Haag 13 mei 2026, IEF 23775; IT 5472; ECLI:NL:RBDHA:2026:11505 (de VVJ c.s. tegen de Staat). De Rechtbank Den Haag oordeelt dat de accreditatievoorwaarden van artikel 2.1 van de Persrichtlijn 2025 onrechtmatig en onverbindend zijn wegens strijd met artikel 10 EVRM. Sinds 1 juni 2025 is voor toegang tot de bijzondere persfaciliteiten van de gerechten vereist dat iemand beschikt over een NVJ-perskaart, IFJ-perskaart of politieperskaart, dan wel lid is van de Buitenlandse Persvereniging (BPV). Tot die faciliteiten behoren onder meer het maken van beeld- en geluidsopnamen en foto's en het live verslag doen vanuit de zittingszaal. Volgens de rechtbank vormen deze voorwaarden een inmenging in de door artikel 10 EVRM beschermde vrijheid van nieuwsgaring. De inmenging heeft een grondslag in het nationale recht en dient legitieme doelen, waaronder de bescherming van de privacy en veiligheid van procesdeelnemers en hun recht op een eerlijk proces. De Staat heeft echter onvoldoende aangetoond dat het gekozen accreditatiesysteem noodzakelijk en proportioneel is. Voor journalisten die niet voor buitenlandse media werken, bepaalt in feite de NVJ wie voor accreditatie in aanmerking komt, terwijl onvoldoende inzichtelijk is gemaakt waarom voor deze constructie is gekozen, welke afspraken daarover met de NVJ bestaan en op welke wijze uitzonderingen op de voorwaarden worden toegepast. De andere accreditatiemogelijkheden bieden bovendien niet voor iedereen een redelijk en werkbaar alternatief.

De rechtbank sluit niet uit dat voorwaarden met betrekking tot inkomen of tijdsbesteding een redelijke manier kunnen zijn om de groep die gebruik mag maken van de persfaciliteiten aanvankelijk af te bakenen. Als dit echter de enige maatstaf is, worden personen die wel door artikel 10 EVRM beschermde journalistieke activiteiten verrichten ten onrechte uitgesloten. Er moet daarom een voldoende duidelijke en reële mogelijkheid bestaan om van dergelijke voorwaarden af te wijken, bijvoorbeeld voor personen die niet aan de inkomens- of tijdsbestedingseisen voldoen maar wel aantoonbaar bijdragen aan het publieke debat en relevante journalistieke normen naleven. De rechtbank verklaart uitsluitend de accreditatievoorwaarden van artikel 2.1 onrechtmatig en onverbindend; de vordering om de gehele Persrichtlijn 2025 buiten toepassing te laten wordt afgewezen. Ook is volgens de rechtbank geen sprake van strijd met artikel 6 EVRM doordat in de Persrichtlijn 2025 niet langer is voorgeschreven dat een afwijzing van een verzoek om beeld- en geluidsopnamen met motivering op Rechtspraak.nl wordt gepubliceerd. De Staat wordt in de hoofdzaak in de proceskosten veroordeeld.

Accreditatievoorwaarden in de Persrichtlijn 2025

Strijd met artikel 10 lid 1 EVRM

5.5.

Artikel 10 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) bepaalt dat eenieder het recht heeft op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag. Artikel 10 lid 1 EVRM strekt er mede toe het recht op vrije nieuwsgaring door de pers te waarborgen. Vrije nieuwsgaring vormt een onverbrekelijk aspect van de vrijheid van meningsuiting.4 Aan de positie van de pers komt bijzondere betekenis toe, gelet op enerzijds de taak van de pers om informatie en ideeën van publiek belang te verspreiden en zijn vitale rol van publieke waakhond te spelen, en anderzijds het recht van het publiek om informatie en ideeën te ontvangen.5 [eiser 1] en [eiser 2] zijn, zoals blijkt uit hun publicaties, actief op het gebied van de vrije nieuwsgaring en de VVJ maakt zich sterk voor de persvrijheid. De VVJ c.s. komen op tegen in de Persrichtlijn 2025 opgenomen regels. De rechtbank zal dan ook de door de VVJ c.s. gestelde inmenging in artikel 10 EVRM beoordelen vanuit het perspectief van de inmenging in de vrijheid van meningsuiting van de pers, meer specifiek de vrijheid van nieuwsgaring.

5.6.

De in artikel 4 van de Persrichtlijn 2025 opgenomen regels beperken de vrijheid van nieuwsgaring. Het gaat om het beperken van het verrichten van werkzaamheden als het tijdens zittingen maken van geluids- en of beeldopnames, het maken van foto’s, het live verslag doen vanuit de zittingszaal en dergelijke. Dit is een beperking van de mogelijkheid om informatie en ideeën te ontvangen en te verspreiden. Het bezit van een van de voorgeschreven perskaarten dan wel het lidmaatschap van de BPV is een voorwaarde voor het mogen verrichten van de in dit artikel beschreven werkzaamheden. Daardoor kan niet iedereen deze werkzaamheden in de gerechten verrichten.

5.7.

De Staat verwijst nog naar een uitspraak van Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) uit 19956, waaruit volgens de Staat kan worden afgeleid dat van een schending van de vrijheid van meningsuiting in het geval van de in de Persrichtlijn 2025 opgenomen regels geen sprake is. Deze procedure bij het EHRM ging echter over het verkrijgen van informatie waarop ook het publiek recht had, maar waar geaccrediteerde journalisten gemakkelijker toegang toe hadden. De betreffende klager was geen geaccrediteerde journalist en meende dat sprake was van een inmenging op het door artikel 10 lid 1 EVRM beschermde recht. Het EHRM oordeelde dat van een inmenging op artikel 10 lid 1 EVRM geen sprake was. Zoals de rechtbank onder 5.6. al heeft toegelicht, gaat het in de onderhavig procedure echter niet om een voor geaccrediteerde journalisten gemakkelijkere toegang tot informatie, waarop ook het publiek recht heeft, zodat deze uitspraak op deze procedure niet van toepassing is.

5.8.

De hierboven beschreven beperking van de vrijheid van nieuwsgaring vormt een inmenging op artikel 10 lid 1 EVRM. De vervolgvraag is of die inmenging volgens artikel 10 lid 2 EVRM gerechtvaardigd kan worden.