Mediarecht  

IEF 23452

Kort geding over toegang tot Instagram-account van gezamenlijke tandartspraktijk

Rechtbank Rotterdam 26 feb 2026, IEF 23452; ECLI:NL:RBROT:2026:2593 ([eisers] tegen [gedaagde]), https://ie-forum.nl/artikelen/kort-geding-over-toegang-tot-instagram-account-van-gezamenlijke-tandartspraktijk

Rb. Rotterdam 26 februari 2026, IEF 23452; ECLI:NL:RBROT:2026:2593 ([eisers] tegen [gedaagde]). In dit kort geding staat een conflict centraal over het Instagram-account van een in 2021 door [eiser sub 1] en [gedaagde] opgezette tandartspraktijk. Eind december 2025 verschenen op dat openbare account foto’s en video’s van [eiser sub 2] en van de twee minderjarige dochters van [eiser sub 1] en [eiser sub 2], voorzien van ernstig diffamerende en seksueel getinte teksten; ook werden de gebruikersnaam en accountomschrijving gewijzigd. De voorzieningenrechter verklaart de minderjarige dochters niet-ontvankelijk, omdat zij als minderjarigen procesonbekwaam zijn en voor procederen namens hen een machtiging van de kantonrechter vereist was op grond van art. 1:253k BW jo. art. 1:349 lid 1 BW, welke ontbrak. Ten aanzien van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] oordeelt de voorzieningenrechter dat voldoende aannemelijk is dat [gedaagde] feitelijke toegang heeft tot het Instagram-account. Dat oordeel baseert de rechter op de onweersproken inhoud van ontmoetingen en een telefoongesprek tussen [gedaagde] en de broer van [eiser sub 2], waaruit volgens de voorzieningenrechter volgt dat [gedaagde] de betreffende foto’s en video’s van het account heeft verwijderd en de accountnaam en accountomschrijving heeft gewijzigd. De primair gevorderde overdracht van het account aan [eiser sub 1] wordt afgewezen, omdat [eiser sub 1] en [gedaagde] het account gezamenlijk hebben aangemaakt en op dat moment nog gezamenlijk eigenaar zijn van de tandartspraktijk, zodat volledige uitsluiting van [gedaagde] van het account te ver gaat. Wel wordt de subsidiaire vordering toegewezen: [gedaagde] moet binnen 48 uur alle inloggegevens en toegangscodes van het Instagram-account aan [eiser sub 1] verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 5.000 ineens en € 500 per dag, met een maximum van € 25.000.

IEF 23445

Prejudiciële vraag gesteld over het bewaren van persoonsgegevens door telecommunicatiediensten

HvJ EU 20 nov 2025, IEF 23445; C-741/25 (MR tegen TM), https://ie-forum.nl/artikelen/prejudiciele-vraag-gesteld-over-het-bewaren-van-persoonsgegevens-door-telecommunicatiediensten

Prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie EU 20 november 2026, IEF 23445; IT 5184; IEFbe 4176; C-741/25 (MR tegen TM) via MinBuza. In Polen is in november 2024 een regeling in werking getreden die telecommunicatieondernemingen verplicht om de gegevens van de gebruikers van hun netwerken te bewaren en op te slaan. De nationale regelgeving legt geen beperkingen op ten aanzien van de personen op wie deze maatregelen betrekking hebben. Op grond van het Unierecht mag alleen in bijzondere gevallen worden vastgesteld waarom de bescherming van persoonsgegevens speciaal moet worden beperkt. De verwijzende rechter vraagt zich daarom af of de nationale regeling in strijd is met richtlijn 2002/68 en met diverse bepalingen van het Handvest.

IEF 23443

Uitspraak ingezonden door Femmetje de Wind, ABC Legal

Onrechtmatige socialmediaposts over vermeende bedreiging; bevel tot verwijdering en rectificatie in kort geding bekrachtigd

Hof 's-Hertogenbosch 31 mrt 2026, IEF 23443; ECLI:NL:GHSHE:2026:855 ([appellanten] tegen [geïntimeerden]), https://ie-forum.nl/artikelen/onrechtmatige-socialmediaposts-over-vermeende-bedreiging-bevel-tot-verwijdering-en-rectificatie-in-kort-geding-bekrachtigd

Hof 's-Hertogenbosch 31 maart 2026, IEF 23433; IT5181; ECLI:NL:GHSHE:2026:855 ([appellanten] tegen [geïntimeerden]). In dit kort geding in hoger beroep stond de vraag centraal of door [appellant sub 1] geplaatste posts op sociale media over [geïntimeerde sub 1] en diens onderneming onrechtmatig waren. Aanleiding was een voicemailbericht van 13 september 2024 waarin [geïntimeerde sub 1], na vergeefse pogingen om met [appellant sub 1] in contact te komen over langer lopende kwesties, had gezegd: “Als jij denkt dat het vanzelf over gaat ehhh zo, dan ehhh heb je het echt mis hoor. Word alleen maar bozer en teleurgestelder. Dus mijn advies, bel me terug, maak een afspraak. Als je dat niet doet, kom ik je opzoeken en kom ik het uitpraten met je.” Op 31 oktober 2024 plaatste [appellant sub 1] op LinkedIn en op 1 november 2024 op X een ingekort fragment van dat bericht, namelijk: “mijn advies is, bel me terug, maak een afspraak. Als je dat niet doet, kom ik je opzoeken”, met begeleidende teksten waarin hij sprak van een voicemail van een “dreiger” en verwees naar de onderneming van [geïntimeerde sub 1]. Op 17 en 18 december 2024 verwees hij opnieuw naar die posts op respectievelijk X en Instagram. Het hof stelt voorop dat moet worden afgewogen welk fundamenteel recht in dit geval zwaarder weegt: het recht van [appellanten] op vrijheid van meningsuiting ex art. 10 EVRM of het recht van [geïntimeerden] op eer en goede naam ex art. 8 EVRM. Daarbij past het hof de in de rechtspraak ontwikkelde maatstaf toe voor botsende grondrechten. Het hof oordeelt dat [appellant sub 1] het voicemailbericht onvolledig en daarmee misleidend heeft weergegeven. Door de woorden “en kom ik het uitpraten met je” weg te laten, heeft hij aan het bericht een andere, duidelijk dreigendere strekking gegeven dan het volledige voicemailbericht had. Dat oordeel weegt des te zwaarder omdat [geïntimeerde sub 1] nog op 13 september 2024 per e-mail had uitgelegd dat het bericht geen dreigement was, maar bedoeld was om een afspraak tot stand te brengen. Ondanks die toelichting heeft [appellant sub 1] de ingekorte versie alsnog geplaatst, voorzien van de kwalificatie “dreiger”. De door [appellanten] aangevoerde omstandigheden dat zij zich om andere redenen bedreigd voelden, zoals veelvuldige telefoontjes, een anonieme verklaring over vuurwapengevaarlijkheid en een latere uitlating van [geïntimeerde sub 1], acht het hof onvoldoende onderbouwd of niet relevant als rechtvaardiging voor juist deze publicaties.

IEF 23419

Uitspraak ingezonden door Lotte van Schuylenburch en Matthijs Kaaks, Boekx.

Rb. Midden-Nederland wijst gevorderd publicatieverbod af: veiligheidsrisico onvoldoende concreet onderbouwd en geen noodzaak tot voorafgaande beperking van publicatie

Rechtbank Midden-Nederland 13 mrt 2026, IEF 23419; ECLI:NL:RBMNE:2026:1173 ([eisers c.s] tegen [gedaagde]), https://ie-forum.nl/artikelen/rb-midden-nederland-wijst-gevorderd-publicatieverbod-af-veiligheidsrisico-onvoldoende-concreet-onderbouwd-en-geen-noodzaak-tot-voorafgaande-beperking-van-publicatie

Rb. Midden-Nederland 13 maart 2026, IEF 23419; ECLI:NL:RBMNE:2026:1173 ([eisers c.s] tegen [gedaagde]). In dit kort geding willen eisers voorkomen dat [gedaagde] een voorgenomen artikel publiceert waarin de naam van [eiser sub 2] of andere tot hem herleidbare gegevens worden genoemd. Daarnaast vorderen zij dat het conceptartikel vóór publicatie aan hen wordt voorgelegd, zodat zij zich daartegen zo nodig opnieuw tot de rechter kunnen wenden. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang aanwezig, omdat eisers stellen dat publicatie voor [eiser sub 2] ernstige en onherstelbare schade zal veroorzaken. Vervolgens stelt de rechter voorop dat deze vorderingen neerkomen op voorafgaand toezicht op een publicatie. Dat botst volgens de rechter met art. 10 EVRM en art. 7 Grondwet. Een verbod vooraf is daarom alleen mogelijk als de onrechtmatigheid van de publicatie voldoende is gebleken en dat verbod nodig is ter voorkoming van onherstelbare schade. Omdat voorafgaande beperkingen grote risico’s meebrengen voor de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid, moet de noodzaak daarvan zorgvuldig en kritisch worden onderzocht en door uitzonderlijke omstandigheden worden gerechtvaardigd. De rechter maakt daarom een belangenafweging tussen enerzijds het belang van eisers bij bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de eer en goede naam van [eiser sub 2], en anderzijds het belang van [gedaagde] bij vrijheid van meningsuiting, in het bijzonder persvrijheid. Daarbij noemt de rechter als relevante factoren onder meer de ernst van de misstand vanuit het algemeen belang, de mate waarin de verdenkingen ten tijde van publicatie steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal, de inkleding van de verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen. Daarbij merkt de rechter ook op dat [eiser sub 2] indirect bestuurder is van [eiser sub 1] en dat [gedaagde] van plan is hem in het artikel aan te duiden als [naam].

IEF 23333

A-G Rantos over persoonlijkheidsrechten bij tv- en internetuitzendingen: geen volledige bevoegdheid in Polen zonder individualiseerbare benadeling

HvJ EU 5 feb 2026, IEF 23333; ECLI:EU:C:2026:76 (Z.R. en Ś. tegen U. en Z.), https://ie-forum.nl/artikelen/a-g-rantos-over-persoonlijkheidsrechten-bij-tv-en-internetuitzendingen-geen-volledige-bevoegdheid-in-polen-zonder-individualiseerbare-benadeling

Conclusie A-G HvJ EU 5 februari 2026, IEF 23333; IEFbe 4117; ECLI:EU:C:2026:76 (Z.R. en Ś. tegen U. en Z.). In deze conclusie bespreekt advocaat-generaal Rantos de internationale bevoegdheid onder art. 5, punt 3, EEX-Vo 44/2001 bij gestelde aantasting van persoonlijkheidsrechten door een televisieserie die in meerdere lidstaten op televisie is uitgezonden en ook online beschikbaar was. Aanleiding is een Poolse procedure van een voormalig lid van een verzetsformatie en een Poolse vereniging van oud-leden tegen twee in Duitsland gevestigde producenten. Volgens verzoekers zet de serie de betrokken verzetsformatie neer als antisemitisch en collaborerend, waardoor hun persoonlijkheidsrechten zijn geschonden. De Poolse hoogste rechter vraagt het Hof in wezen twee dingen. Ten eerste of de Poolse rechter, als rechter van de staat waar de serie is uitgezonden en waar het centrum van de belangen van verzoekers ligt, bevoegd is om kennis te nemen van de gehele vordering: dus niet alleen van schade in Polen, maar ook van volledige immateriële schade door uitzending in andere lidstaten, én van verstrekkende niet-geldelijke maatregelen zoals excuses op alle betrokken zenders en websites en een voorafgaande disclaimer vóór iedere uitzending. Ten tweede, als dat niet zo is, of de Poolse rechter dan in elk geval bevoegd is voor het Poolse deel van de zaak: dus voor schade die in Polen is ingetreden en voor territoriaal beperkte maatregelen zoals excuses of een waarschuwing bij uitzending in Polen.

IEF 23286

Politieke satire en reputatiebescherming: EHRM over de grenzen van art. 10 EVRM

EHRM 13 jan 2026, IEF 23286; ECLI:CE:ECHR:2026:0113JUD004338817 (Mladina d.d. Ljubljana tegen Slovenia), https://ie-forum.nl/artikelen/politieke-satire-en-reputatiebescherming-ehrm-over-de-grenzen-van-art-10-evrm

EHRM 13 januari 2026, IEF 23286; IEF 4108; ECLI:CE:ECHR:2026:0113JUD004338817 (Mladina d.d. Ljubljana v. Slovenia (No. 2)). In de zaak Mladina d.d. Ljubljana v. Slovenia (No. 2) stond de vraag centraal of de veroordeling van de uitgever van het Sloveense weekblad Mladina wegens een satirische publicatie in strijd was met artikel 10 EVRM (vrijheid van meningsuiting). De uitgever had in 2011 in de satirische rubriek “Mladinamit” een foto van de bekende Sloveense politicus B.G. met zijn gezin naast een foto van Joseph Goebbels met diens gezin geplaatst. De publicatie vond plaats tegen de achtergrond van een publiek debat waarin B.G. op sociale media met Goebbels was vergeleken. In hetzelfde nummer verscheen een redactioneel stuk waarin parallellen werden getrokken tussen de politieke methoden van B.G.’s partij en die van de nazi-propaganda. B.G. stelde dat de vergelijking, mede gezien de historische connotaties van Goebbels en diens betrokkenheid bij het naziregime, zijn eer en goede naam had aangetast en vorderde schadevergoeding, publicatie van het vonnis en een verontschuldiging. De uitgever voerde aan dat het ging om politieke satire gericht op B.G. als publiek figuur, dat de foto van zijn gezin op een openbare religieuze bijeenkomst was genomen en dat de vergelijking betrekking had op politieke methoden, niet op zijn privéleven of zijn gezin als zodanig. In eerste aanleg werd de vordering afgewezen, maar in hoger beroep werd geoordeeld dat met name de visuele vergelijking van de gezinsfoto’s een ontoelaatbare inbreuk vormde. Uiteindelijk werd de uitgever verplicht een verontschuldiging te publiceren en een (na matiging) schadevergoeding van € 3.000 te betalen. Het Sloveense Constitutionele Hof achtte de belangenafweging tussen de vrijheid van meningsuiting en het recht op reputatie correct uitgevoerd.

IEF 23238

Uitspraak ingezonden door Jacintha van Dorp en Bertil van Kaam, Van Kaam

Gemeente Amsterdam maakt inbreuk op de vrijheid van meningsuiting

Rechtbank Amsterdam 24 dec 2025, IEF 23238; ECLI:NL:RBAMS:2025:10341 ([eiser] tegen de gemeente), https://ie-forum.nl/artikelen/gemeente-amsterdam-maakt-inbreuk-op-de-vrijheid-van-meningsuiting

Rb. Amsterdam 24 december 2025, IEF 23238; IT 5089; ECLI:NL:RBAMS:2025:10341 ([eiser] tegen de gemeente). In deze zaak heeft eiser, een Nederlandse vastgoedondernemer, zich in een LinkedIn-bericht kritisch uitgelaten over enkele gemeentemedewerkers en hen daarbij met naam en toenaam genoemd. De gemeente Amsterdam verzocht hem daarop dringend de namen te verwijderen en stelde dat het incident zou worden geregistreerd in het Gemeentelijk Incidenten Register (GIR). De gemeente verstrekt op haar eigen website nauwelijks informatie verstrekt over het GIR. Uit openbare bronnen blijkt dat dit een intern register is waarin agressieve of gewelddadige burgers kunnen worden opgenomen, met mogelijk verstrekkende gevolgen. Eiser vordert dat de rechtbank voor recht verklaart dat de gemeente onrechtmatig handelt vanwege de dreiging met een registratie in het GIR naar aanleiding van het LinkedIn-bericht.

IEF 23116

Prejudiciële vragen gesteld over het oorsprongsbeginsel

HvJ EU 16 jul 2025, IEF 23116; C-474/25 (LD tegen Medienanstalt Berlin-Brandenburg), https://ie-forum.nl/artikelen/prejudiciele-vragen-gesteld-over-het-oorsprongsbeginsel

Prejudiciële vragen gesteld aan HvJEU 16 juli 2025, IEF 23116; IEFbe 4040; C-474/25 (LD tegen Medienanstalt Berlin-Brandenburg) via MinBuza. LD is de aanbieder van de audio-streamingdienst ‘LD’ voor muziek en podcasts. LD is buiten Duitsland gevestigd, maar is wel actief op de Duitse markt. Zij komt op tegen het besluit van de Duitse mediatoezichthouder (Medienanstalt Berlin-Brandenburg), waarin wordt geëist dat LD transparantiegegevens publiceert over hoe zij content selecteren en presenteren (ter bescherming van mediapluralisme). LD stelt dat zij op basis van het oorsprongsbeginsel niet onderworpen mag worden aan strengere eisen dan die zijn vastgelegd in de lidstaat van vestiging. De rechter vraagt het Hof om uitleg van het oorsprongsbeginsel zoals vastgelegd in richtlijn 2000/31.

IEF 23118

Republiek c.s. niet-ontvankelijk: geen algemene schending van art. 6 EVRM door procedures van de Koning

Hof Den Haag 2 sep 2025, IEF 23118; ECLI:NL:GHDHA:2025:1732 (Republiek c.s. tegen de Staat c.s.), https://ie-forum.nl/artikelen/republiek-c-s-niet-ontvankelijk-geen-algemene-schending-van-art-6-evrm-door-procedures-van-de-koning

Hof Den Haag 2 september 2025, IEF 23118; ECLI:NL:GHDHA:2025:1732 (Republiek c.s. tegen de Staat c.s.). Het Gerechtshof Den Haag behandelt het hoger beroep van Vereniging Republiek en Stichting De Republikein tegen de Staat en de gemachtigde van de Koning. Republiek c.s. stellen dat journalisten geen eerlijk proces (art. 6 EVRM) kunnen krijgen wanneer de Koning tegen hen procedeert, doordat de Koning volgens hen via 19 wettelijke, procedurele en symbolische aspecten te veel verweven is met de rechtspraak (zoals rol bij benoeming van rechters, “in naam van de Koning” op uitspraken, portret in de zaal). Zij vroegen daarom o.a. een verklaring voor recht dat dit systeem art. 6 EVRM schendt, een bevel aan de Staat om dit te herstellen, en een verbod voor de Koning om nog tegen de pers te procederen totdat eerlijke berechting is gegarandeerd. In eerste aanleg waren De Republikein en (deels) Republiek al niet-ontvankelijk verklaard en waren de overige vorderingen afgewezen.

IEF 23100

Prejudiciële vragen gesteld over audiovisuele mediadiensten

HvJ EU 29 aug 2025, IEF 23100; C-591/24 (Golf Bulgaria tegen Savet za elektronni medii), https://ie-forum.nl/artikelen/prejudiciele-vragen-gesteld-over-audiovisuele-mediadiensten

Prejudiciële vragen aan het HvJEU 11 september 2025, IEF 23100; IEFbe 4032; C-591/24 (Golf Bulgaria tegen Savet za elektronni medii) via MinBuza. Roemenië heeft een nationale regel ingesteld waarin een algemeen rechtsbeginsel is opgenomen, waardoor de aanbieders van niet-lineaire audiovisuele mediadiensten nu bestuursrechtelijke sancties kunnen worden opgelegd vanwege het uitzenden van programma’s die in strijd zijn met ‘de goede zeden’. De goede zeden wordt in Roemeense rechtspraak als algemeen beginsel erkend. Het is de vraag of deze nationale regeling (als aanvullende voorwaarden op richtlijn 2010/13) toelaatbaar is, en of het niet de vrijheid van meningsuiting van artikel 11 Handvest beperkt.