Gepubliceerd op woensdag 1 juli 2026
IEF 23658
Gerecht EU (voorheen GvEA) ||
1 jul 2026,
Gerecht EU (voorheen GvEA) 1 jul 2026,, IEF 23658; ECLI:EU:T:2026:423 (DecoTrend GmbH tegen EUIPO en B.K.Licht GmbH & Co. KG), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/afbeelding-uit-octrooischrift-kan-ouder-model-zijn-octrooischrift-zelf-niet

Afbeelding uit octrooischrift kan ouder model zijn, octrooischrift zelf niet

Gerecht EU 1 juli 2026, IEF 23658; IEFbe4246; ECLI:EU:T:2026:423 (DecoTrend GmbH tegen EUIPO BKLicht GmbH & Co. KG). In deze zaak vordert DecoTrend vernietiging van een beslissing van de derde kamer van beroep van het EUIPO in een nietigheidsprocedure over een ingeschreven Uniemodel dat een stervormige lampenkap voorstelt. Het model was ingeschreven voor “elektrische guirlandes” en “lampenkappen”. B.K.Licht had de nietigheid van het model gevorderd wegens gebrek aan individueel karakter op grond van artikel 25 lid 1 onder b Verordening 6/2002, gelezen in samenhang met artikel 6 Verordening 6/2002. Die nietigheidsaanvraag was gebaseerd op twee oudere afbeeldingen uit een Zwitsers en een Amerikaans octrooischrift. De nietigheidsafdeling had de aanvraag afgewezen, maar de kamer van beroep vernietigde die beslissing en verwees de zaak terug, omdat de nietigheidsafdeling bij de vergelijking van de algemene indruk ten onrechte ook de technische beschrijving van de uitvinding en andere afbeeldingen uit de octrooischriften had betrokken. Het Gerecht laat die beslissing in stand. Een octrooi beschermt immers een technische uitvinding en niet de uiterlijke verschijningsvorm van een product. Een octrooischrift kan daarom niet als zodanig worden ingeroepen om het individuele karakter van een Uniemodel te ontkrachten; alleen de daarin opgenomen, voldoende precies geïdentificeerde afbeeldingen kunnen als oudere modellen dienen. In dit geval had B.K.Licht alleen de twee “Fig. 1”-afbeeldingen als oudere modellen D1 en D2 ingeroepen.

Ook het tweede middel van DecoTrend wordt verworpen. DecoTrend stelde dat de oudere afbeeldingen D1 en D2 moesten worden begrepen als een vouwbare ster of vouwbare lantaarn, zodat daaruit concave inkepingen, convexe uitstulpingen en vouwbaarheid zouden blijken. Volgens het Gerecht moet echter worden gekeken naar de uiterlijke kenmerken die uit de ingeroepen oudere modellen zelf blijken. Uit D1 en D2 volgt wel een ster met meerdere punten, hachuren en stippellijnen, maar daaruit blijkt niet dat sprake is van concave inkepingen of vouwbaarheid. Daarvoor zou opnieuw moeten worden teruggegrepen op de technische beschrijving en andere onderdelen van de octrooischriften, terwijl die niet als oudere modellen waren ingeroepen. Het Gerecht verwerpt het beroep van DecoTrend daarom volledig. Het spreekt de nietigheid van het model niet zelf uit: de zaak blijft terugverwezen naar de nietigheidsafdeling voor verdere behandeling. DecoTrend wordt veroordeeld in de kosten van B.K.Licht; het EUIPO draagt zijn eigen kosten.

39.       Het EUIPO wijst er terecht op dat een octrooi niet het uiterlijk van een product beschermt, maar een uitvinding, en stelt dat de illustraties in octrooibeschrijvingen slechts als voorbeelden dienen en één of meer uitvoeringsvormen van die uitvinding tonen. Deze illustraties kunnen daarom ook verschillende verschijningsvormen van hetzelfde product, of zelfs verschillende producten, tonen die de beschermde uitvinding kunnen belichamen, waarvan de voor- en nadelen in de beschrijving worden toegelicht. Bijgevolg hebben de illustraties in een octrooibeschrijving niet noodzakelijkerwijs betrekking op hetzelfde ontwerp. Het is daarom de plicht van een verzoeker tot nietigverklaring die zich beroept op een octrooibeschrijving om het individuele karakter van een geregistreerd EU-model aan te vechten, om onder de illustraties in een dergelijke beschrijving nauwkeurig de eerdere modellen aan te wijzen waarop hij zich ter ondersteuning van zijn verzoek beroept.

40       Aan de andere kant kan, gelet op de formulering van artikel 6(1)(b) van Verordening nr. 6/2002  , waaruit ondubbelzinnig volgt dat alleen andere ontwerpen of modellen die eerder openbaar zijn gemaakt het individuele karakter van een geregistreerd ontwerp of model van de Europese Unie kunnen uitsluiten, een octrooi of octrooibeschrijving die eerder openbaar is gemaakt, niet als zodanig worden ingeroepen om het individuele karakter van een geregistreerd ontwerp of model van de Europese Unie te ontkennen. Zoals de interveniërende partij in wezen betoogt, kunnen immers alleen de illustraties in een octrooibeschrijving het individuele karakter van een betwist ontwerp in twijfel trekken, aangezien de beoordeling of een dergelijk ontwerp dat karakter bezit, een vergelijking van het uiterlijk ervan met dat van een specifiek product vereist [zie in die zin arrest van 21 mei 2015, Senz Technologies tegen OHIM – Impliva (Paraplu's), T-22/13 en T-23/13, EU:T:2015:310, punt 24 (niet gepubliceerd)]. Indien deze afbeeldingen verschillende uitvoeringsvormen van een product weergeven overeenkomstig de uitvinding waarop het betreffende octrooi betrekking heeft, is het de plicht van de partij die de nietigverklaring verzoekt om onder deze afbeeldingen precies aan te geven welke ontwerpen zij zich wil beroepen als eerdere ontwerpen in de zin van artikel 6(1)(b) van Verordening nr. 6/2002  .

47       Aangezien de argumenten van de aanvrager ter ondersteuning van het eerste beroepsgrond derhalve ongegrond zijn, volgt daaruit dat de Kamer van Beroep terecht heeft geoordeeld dat de beoordeling van het individuele karakter van het betwiste ontwerp alleen in relatie tot de eerdere ontwerpen D1 en D2 moet plaatsvinden, en dat de andere elementen van de twee betreffende octrooibeschrijvingen die deze eerdere ontwerpen bevatten, namelijk de schriftelijke beschrijving van de uitvinding en de andere daarin opgenomen illustraties, niet in aanmerking kunnen worden genomen.

57       Wat betreft de eerdere ontwerpen D1 en D2, merkt het Hof op dat er bij deze eerdere ontwerpen kennelijk geen sprake is van "concave inkepingen" of enige vorm van "vouwbaarheid".

58       Het klopt dat eerdere ontwerpen D1 en D2 arceringen op bepaalde oppervlakken, stippellijnen en verwijzingen in de vorm van lijnen en letters bevatten. Het is echter niet ongebruikelijk dat een driedimensionale tekening, zoals de eerdere ontwerpen D1 en D2 duidelijk zijn, bepaalde oppervlakken van arceringen voorziet en bepaalde lijnen die niet zichtbaar zijn in de afgebeelde weergave, van stippellijnen zijn voorzien, juist om de weergave van een driedimensionaal object leesbaarder te maken. Geen van deze presentatiekenmerken suggereert dat het afgebeelde object 'concave inkepingen' heeft of dat de vorm ervan is verkregen door een plat maar 'buigzaam' object te vouwen.

59       In werkelijkheid, zoals het EUIPO en de interveniënt terecht opmerken, tracht de aanvrager in zijn argumenten ter ondersteuning van het tweede verweer zich in wezen niet alleen te beroepen op de eerdere ontwerpen D1 en D2, maar veeleer op andere elementen van de betreffende octrooispecificaties waarin deze voorkomen, met name de andere illustraties en de beschrijving van de uitvinding die onder die specificaties valt. Uit de analyse van het eerste verweer in de paragrafen 24 tot en met 48 hierboven blijkt echter duidelijk dat de Kamer van Beroep in dit geval terecht heeft geoordeeld dat het niet nodig was zich te beroepen op die andere elementen van de betreffende octrooispecificaties, die op zichzelf geen verband houden met de eerdere ontwerpen D1 en D2.

60       Bijgevolg zijn de door de aanvrager aangevoerde omstandigheden, namelijk dat deze ontwerpen in de betreffende octrooispecificaties ten eerste worden aangeduid als een "opvouwbare lichtgevende ster" of een "opvouwbare lantaarn", ten tweede dat in de genoemde specificaties wordt verwezen naar de vorm "Annaberger Faltstern" en ten derde dat de genoemde eerdere ontwerpen verwijzingen in de vorm van lijnen en letters bevatten naar toelichtingen in dezelfde specificaties, irrelevant voor de eerdere ontwerpen D1 en D2.

61       Hieruit volgt dat de Raad van Beroep terecht heeft vastgesteld dat de eerdere ontwerpen D1 en D2 geen "concave inkepingen" hadden en dat "buigzaamheid" er evenmin uit bleek.