Rb. Den Haag overweegt prejudiciële vraag aan Hoge Raad over rechtsmacht bij inzageverzoeken tegen derden ex art. 195a Rv
Rb. Den Haag 1 mei 2026, IEF 23551; ECLI:NL:RBDHA:2026:10389 (Volkswagen tegen DHL c.s.). De Rechtbank Den Haag heeft in een IE-procedure tussen Volkswagen AG en verschillende DHL-entiteiten aangekondigd prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te willen stellen over de uitleg van art. 197 lid 1 Rv in samenhang met het nieuwe inzagerecht van art. 195a Rv. Volkswagen, houdster van meerdere Uniemodellen voor autosleutels, vermoedde dat via een door de Duitse douane onderschepte zending van 350 autosleutels inbreuk werd gemaakt op haar modelrechten. De zending was bestemd voor Metafa Holland B.V. en werd vervoerd binnen het DHL-netwerk. Nadat de goederen waren vernietigd en Metafa betrokkenheid had ontkend, verzocht Volkswagen DHL c.s. op grond van art. 195a Rv om verstrekking van gegevens waarmee de identiteit van de daadwerkelijke inbreukmaker(s) kon worden vastgesteld. Volkswagen stelde dat zij deze informatie nodig had om haar intellectuele-eigendomsrechten effectief te kunnen handhaven. DHL c.s. voerde onder meer een bevoegdheidsverweer en stelde dat ten aanzien van de Duitse DHL-entiteiten niet de Nederlandse rechter, maar de Duitse rechter bevoegd was op grond van de Brussel I-bis-Verordening.