Rechtbank Den Haag stelt prejudiciële vraag over internationale bevoegdheid bij inzageverzoek tegen derde
Rb. Den Haag 9 oktober 2026, IEF 23937; ECLI:NL:RBDHA:2026:30246 (Volkswagen tegen DHL c.s.). Volkswagen verzoekt de rechtbank op grond van artikel 195a Rv om DHL Express (Netherlands) en drie Duitse DHL-vennootschappen te veroordelen tot het verstrekken van gegevens over de betrokkenen bij een zending met vermeend inbreukmakende producten. De zending kwam in november 2023 via Duitsland de Europese Unie binnen en werd door de Duitse douane tegengehouden op grond van de Antipiraterijverordening (Verordening (EU) 608/2013). De producten zijn vervolgens vernietigd. Het inzageverzoek houdt verband met een nog aanhangig te maken bodemprocedure tegen Metafa Holland wegens vermeende inbreuk op Uniemodelrechten van Volkswagen. DHL c.s. betwist de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter. Volgens Volkswagen moet voor de bevoegdheidsvraag worden aangesloten bij de rechtsverhouding tussen haar en Metafa, terwijl DHL c.s. en Metafa stellen dat de rechtsverhouding tussen Volkswagen en DHL bepalend is. In een eerdere tussenbeschikking had de rechtbank aangekondigd hierover een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad te willen stellen.