Gepubliceerd op donderdag 19 februari 2026
IEF 23291
Hof Den Haag ||
10 feb 2026
Hof Den Haag 10 feb 2026, IEF 23291; ECLI:NL:GHDHA:2026:128 (B. Futurist B.V. tegen c.f.e.b. Sisley), https://ie-forum.nl/artikelen/afstemmingsregel-in-kort-geding-sisley-behoudt-voorlopig-merkinbreukverbod-tegen-b-futurist

Uitspraak ingezonden door Diederik Stols en Shaharzaad Said, Boekx.

Afstemmingsregel in kort geding: Sisley behoudt voorlopig merkinbreukverbod tegen B. Futurist

Hof Den Haag 10 februari 2026, IEF 23291; ECLI:NL:GHDHA:2026:128 (B. Futurist B.V. tegen c.f.e.b. Sisley). Het gerechtshof Den Haag heeft in kort geding in de IE‑zaak tussen merkhouder Sisley en parallelhandelaar B. Futurist de materiële beslissingen in eerste aanleg in stand gehouden. Aanleiding voor het geschil waren grootschalige aanbiedingen van Sisley‑producten door B. Futurist aan ongeveer 9.000 afnemers binnen de EER. Op 24 december 2024 heeft de voorzieningenrechter op grond van deze massa-aanbiedingen een voorlopig inbreukverbod opgelegd aan B. Futurist. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter de vordering van Sisley tot inzage in het onder B. Futurist gelegde bewijsbeslag toegewezen. In de bodemprocedure heeft de rechtbank Den Haag op 4 juni 2025 een gelijkluidend inbreukverbod met nevenvorderingen toegewezen. Ook tegen dat vonnis is B. Futurist in hoger beroep gegaan. Dat hoger beroep loopt nog.

Voor het oordeel over de merkinbreuk benadrukt het hof dat in kort geding de afstemmingsregel geldt: de uitspraak van de rechter in kort geding moet in beginsel worden afgestemd op de beslissingen in het bodemvonnis, ook als dat vonnis nog geen kracht van gewijsde heeft. In deze zaak ziet het hof geen aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken. Dit betekent dat het hof gebonden is aan het oordeel van de bodemrechter dat de massa‑aanbiedingen van B. Futurist in beginsel inbreuk maken op de Sisley‑merken en dat het uitputtingsverweer van B. Futurist niet slaagt. De afstemmingsregel geldt volgens het hof niet voor de inzagevordering, omdat de rechtbank die vordering in de bodemzaak om andere redenen heeft afgewezen, namelijk op grond van een belangenafweging. De grieven van B. Futurist slagen echter ook niet op dit punt. Het hof bevestigt onder andere dat het Sisley destijds in kort geding, hangende een lopende bodemprocedure waarin nog geen mondelinge behandeling had plaatsgevonden, geoorloofd was om op grond van artikel 843a (oud) Rv een inzagevordering in te stellen, zodat Sisley de eventueel uit de exhibitie verkregen stukken als bewijs in de bodemprocedure zou kunnen indienen. Het hof oordeelt in dit kort geding dat Sisley inmiddels (ex nunc) geen spoedeisend belang meer heeft bij handhaving van het voorlopig inbreukverbod en de inzageveroordeling voor wat betreft de toekomst, omdat er een gelijkluidend verbod in de bodemzaak is uitgesproken en de inzageveroordeling al volledig is geëxecuteerd door de deurwaarder. Voor het verleden (ex tunc) blijven het inbreukverbod en de inzageveroordeling echter in stand. B. Futurist blijft de in eerste aanleg opgelegde proceskosten verschuldigd en wordt in hoger beroep opnieuw veroordeeld in de proceskosten.

6.24: “B. Futurist betwist dat tussen haar en Sisley sprake is van een rechtsbetrekking en dat Sisley rechtmatig belang had bij haar inzagevordering en voert daartoe aan dat haar massa-aanbiedingen niet als inbreuk kunnen worden aangemerkt. Het hof gaat op grond van de afstemmingsregel voorbij aan deze betwistingen. Bovendien voert Sisley terecht aan dat voor toewijzing van inzage niet vereist is dat een inbreuk komt vast te staan, maar dat voldoende aannemelijk moet zijn dat inbreuk op een IE-recht is of dreigt te worden gemaakt.”

6.25: “B. Futurist bestrijdt eveneens dat sprake was van voldoende bepaalde bescheiden: volgens haar was de vordering te ruim en kwam zij neer op een fishing expedition. De voorzieningenrechter heeft de veroordeling weliswaar beperkt door te voorzien in de hiervoor onder 6.14 beschreven procedure, maar daarmee was die veroordeling volgens B. Futurist nog steeds te ruim, omdat zij nog steeds mede zag op mogelijke stukken met betrekking tot:

transacties die zich geheel buiten de EER hebben voltrokken;

transitohandel onder de unitaire douaneregeling voor extern vervoer; of

geoorloofde parallelhandel.”

6.26: “Deze betwisting stuit af op het volgende.

6.26.1 De in kort geding gevorderde inzageveroordeling had betrekking op verzameling 1, zoals de deurwaarder die heeft geselecteerd en beschreven tijdens het conservatoir bewijsbeslag. Daardoor staat vast dat ten tijde van de kortgedingdagvaarding sprake was van bepaalde bestaande bescheiden, en de voorzieningenrechter heeft inzage in die verzameling 1 beperkt door een bepaalde zoektermcombinatie voor te schrijven, gevolgd door een procedure voor het redigeren van niet-relevante informatie en controle door B. Futurist op selectie en redactie. Hierdoor is geen sprake van een fishing expedition.

6.26.2 Of de voorzieningenrechter de inzageveroordeling, zoals door B. Futurist bepleit, verder had moeten inperken tot stukken over transacties ten gevolge van de twee massa-aanbiedingen, kan hier in het midden blijven. Ook indien de voorzieningenrechter die beperking had behoren aan te brengen zou daarmee namelijk nog steeds een inzageveroordeling zijn overgebleven die, in combinatie met het toegewezen inbreukverbod, zou hebben geleid tot een proceskostenveroordeling ten nadele van B. Futurist.”

6.27: “B. Futurist bestrijdt tenslotte dat de bescherming van haar vertrouwelijke gegevens voldoende was gewaarborgd, aangezien de voorzieningenrechter geen maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat Sisley ook inzage zou krijgen in stukken met betrekking tot de niet door het unitaire of Beneluxmerkenrecht geraakte transacties, bedoeld hiervoor onder 6.25. Ook dit bezwaar stuit af op het oordeel in de vorige alinea.”