Gepubliceerd op maandag 2 november 2026
IEF 23980
Hof Amsterdam ||
20 okt 2026,
Hof Amsterdam 20 okt 2026,, IEF 23980; ECLI:NL:GHAMS:2026:3034 ([appellant] tegen [geïntimeerden]), https://ie-forum.nl/artikelen/beschuldigingen-over-exploitatie-van-muziekrechten-niet-onrechtmatig-vanwege-zakelijke-context-en-feitelijke-onderbouwing

Beschuldigingen over exploitatie van muziekrechten niet onrechtmatig vanwege zakelijke context en feitelijke onderbouwing

Hof Amsterdam 20 oktober 2026, IEF 23980; IT 5623; ECLI:NL:GHAMS:2026:3034 ([appellant] tegen [geïntimeerden]) In deze zaak tussen [appellant] en [geïntimeerden] staat de vraag centraal of [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld door in e-mails aan onder meer muziekdistributeurs, advocaten en zakelijke relaties beschuldigingen te uiten over de exploitatie van muziekrechten. Partijen zijn verwikkeld in een langdurig geschil over de rechten op een muziekcatalogus. [appellant] stelt dat [geïntimeerden] muziekwerken exploiteren zonder over de benodigde rechten te beschikken en beschuldigt hen onder meer van fraude, oplichting en belastingontduiking. De rechtbank oordeelde dat de uitlatingen onrechtmatig waren [IEF 22875].

Volgens het hof vinden de beschuldigingen in grote lijnen voldoende steun in het beschikbare feitenmateriaal. Hoewel niet alle uitlatingen zijn onderbouwd, bestonden er concrete aanwijzingen om te twijfelen aan de rechtenpositie en handelwijze van [geïntimeerden]. Het hof benadrukt bovendien dat het aan de kaak stellen van de exploitatie van muziekwerken zonder royalty's aan de makers af te dragen een algemeen belang dient. Ook weegt mee dat [geïntimeerden] zich eerder zelf in scherpe en beledigende bewoordingen over [appellant] hebben uitgelaten. Verder acht het hof van belang dat de uitlatingen voornamelijk zijn gericht aan een beperkte kring van professionele betrokkenen, waaronder muziekdistributeurs. Het stond [appellant] in beginsel vrij deze partijen te informeren over het geschil en hen te verzoeken bepaalde muziekopnamen offline te halen. Bij de afweging tussen de vrijheid van meningsuiting van [appellant] en de bescherming van de eer, goede naam en reputatie van [geïntimeerden] geeft het hof in deze omstandigheden voorrang aan de vrijheid van meningsuiting. Van onrechtmatig handelen is daarom niet gebleken. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vorderingen van [geïntimeerden] alsnog af.

3.6.1 Het komt erop neer dat [appellant] uitlatingen heeft gedaan die, in elk geval in grote lijnen, steun vinden in het feitenmateriaal. Hier en daar is hij over de schreef gegaan; voor belastingontduiking zijn er bijvoorbeeld geen aanwijzingen. Wel zijn er aanwijzingen voor strafbare feiten als fraude (de verzekeringsfraude) en valsheid in geschrifte (de in het vonnis in de samenhangende zaak genoemde akte), en voor gedragingen die raken aan oplichting en diefstal (het exploiteren van opnamen waarvan betwijfeld kan worden of [geïntimeerden] daarvan de rechten hebben). Ook zijn er voldoende aanwijzingen dat [geïntimeerden] , althans [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] , schulden onbetaald hebben gelaten.

3.6.3 De uitlatingen zijn gedaan in beperkte kring. Voor zover de uitlatingen alleen zijn gericht aan [geïntimeerden] of één van hen, dienen deze te worden bezien in het licht van het door [appellant] geschetste zakelijke geschil tussen partijen, waarbij ook van de zijde van [geïntimeerden] - zelfs voorafgaand aan de door haar in het geding gebrachte e-mails - in scherpe bewoordingen zware beschuldigingen richting [appellant] zijn geuit en ook beledigende taal is gebruikt. In deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat [appellant] zich zodanig kwetsend heeft uitgelaten dat dit een onrechtmatige daad oplevert. Voor zover de uitlatingen (mede) zijn gedaan in de richting van de advocaten van [geïntimeerden] geldt hetzelfde. Daarbij dient bovendien in aanmerking te worden genomen dat deze personen zijn benaderd in hun professionele rol. Bovendien zijn zij geen partij in dit geschil.

3.6.4 Bij de uitlatingen gericht aan de distributeurs dient eveneens te worden uitgegaan van hun professionele rol en van het zakelijke geschil tussen partijen. Het stond [appellant] in beginsel vrij de distributeurs in te lichten over het zakelijke geschil en zijn standpunt daarin, en hen te vragen opnamen offline te halen waarvan [geïntimeerden] niet de rechten zouden bezitten. Dat hij daarbij andere argumenten heeft aangehaald dan het enkele feit dat [geïntimeerden] die rechten niet bezaten, en die de betrouwbaarheid of reputatie van [geïntimeerden] betroffen, voert wel ver maar leidt in de gegeven omstandigheden niet tot de conclusie dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld. [geïntimeerde 2] had zich immers ook al publiekelijk uitgelaten met niet duidelijk gefundeerde beweringen die enkel de reputatie van [appellant] betroffen. [geïntimeerden] hadden bovendien, ook al eerder dan de gewraakte e-mails van [appellant] aan de distributeurs, de distributeur van [appellant] benaderd met eveneens ver gaande beschuldigingen aan het adres van [appellant] .