29 jul 2026,
Buma en Sena krijgen schadevergoeding en verbod wegens ongeoorloofd afspelen muziek in winkel
Rb. Midden-Nederland 29 juli 2026, IEF 23783; ECLI:NL:RBMNE:2026:6005 (Buma en Sena tegen [gedaagde]). De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover Buma en Sena door zonder de vereiste licenties muziek openbaar te maken in haar winkel. Buma behartigt de belangen van aangesloten componisten, tekstdichters en muziekuitgevers met betrekking tot de openbaarmaking van hun muziekwerken, terwijl Sena op grond van de Wet op de naburige rechten is aangewezen voor het innen van billijke vergoedingen voor het voor commerciële doeleinden ten gehore brengen van muziek. Vaststaat dat [gedaagde] in de periode van 1 oktober 2024 tot en met 31 december 2025 zonder licentie en zonder betaling van een vergoeding muziek openbaar heeft gemaakt. Buma had onder meer op 27 november 2024 en meerdere momenten in 2025 vastgesteld dat muziek uit haar en Sena’s repertoire werd gedraaid; daarnaast stelde een deurwaarder op 24 juli 2025 vast dat in de winkel muziek openbaar werd gemaakt. De schade wordt begroot op de bedragen die Buma en Sena zouden hebben ontvangen wanneer [gedaagde] voor deze periode wel licenties had afgesloten. Omdat de hoogte daarvan niet is betwist, wordt € 416,52 aan Buma en € 219,46 aan Sena toegewezen. De gevorderde handelsrente wordt afgewezen omdat geen sprake is van een handelsovereenkomst; in plaats daarvan wordt de wettelijke rente van artikel 6:119 BW vanaf de vervaldata toegewezen. Ook de gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen, omdat de vordering uit onrechtmatige daad voortvloeit en niet is gesteld dat daarvoor meer werkzaamheden zijn verricht dan aanmaningen en andere eenvoudige correspondentie.
Daarnaast wordt [gedaagde] verboden om zonder licentie in haar bedrijfsruimten muziekwerken uit het Buma-repertoire openbaar te maken en om voor commerciële doeleinden uitgebrachte fonogrammen of reproducties daarvan zonder licentie van Sena ten gehore te brengen of anderszins openbaar te maken. Aan beide verboden wordt een dwangsom van € 100 per dag verbonden, met een maximum van € 4.000 voor Buma en € 2.000 voor Sena; de kantonrechter matigt daarmee de gevorderde dwangsommen omdat deze anders niet in verhouding zouden staan tot de omvang van de schade. Omdat de zaak de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten betreft, is artikel 1019h Rv van toepassing. De kantonrechter kwalificeert de zaak als een zeer eenvoudige inbreukzaak met een beperkt feitencomplex en financieel belang en begroot de proceskosten daarom volgens het liquidatietarief op € 832,35. In het incident worden Buma en Sena niet-ontvankelijk verklaard in hun voorlopige verbodsvordering, omdat tegelijkertijd eindvonnis in de hoofdzaak wordt gewezen en zij daardoor geen belang meer hebben bij een afzonderlijk voorlopig verbod; de kosten van het incident worden gecompenseerd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Buma en Sena hebben geen belang bij het gevorderde verbod
3.1
Buma en Sena vorderen in het incident om tijdens de duur van de procedure een verbod op te leggen voor het openbaar maken van muziekwerk behorende tot het Buma- en Sena-repertoire. Omdat gelijktijdig met het incident vonnis in de hoofdzaak wordt gewezen en de procedure hiermee eindigt, hebben Buma en Sena geen belang bij een veroordeling in incident. De kantonrechter zal Buma en Sena daarom niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen.
3.2
Beide partijen kunnen in het incident niet als verliezende partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
in de hoofdzaak
[gedaagde] moet de schade van Buma en Sena vergoeden
3.3
Er komt vast te staan dat [gedaagde] onrechtmatig tegenover Buma en Sena heeft gehandeld door inbreuk te maken op de auteursrechten en naburige rechten van de rechthebbenden die door Buma en Sena worden vertegenwoordigd. [gedaagde] heeft namelijk zonder licentieovereenkomst of het betalen van een vergoeding aan Buma en Sena in de periode 1 oktober 2024 tot en met 31 december 2025 muziek openbaar gemaakt in haar winkel. [gedaagde] heeft in haar conclusie van antwoord alleen betwist dat zij muziek op 24 juli 2024 openbaar heeft gemaakt. Maar van deze datum stellen Buma en Sena ook niet dat [gedaagde] muziek openbaar heeft gemaakt. Daar komt bij dat tijdens de mondelinge behandeling de [A] van Buma heeft toegelicht dat hij op 27 november 2024 en meerdere malen in 2025 heeft vastgesteld dat in de winkel van [gedaagde] muziek behorende tot het Buma- en Sena-repertoire is gedraaid. Ook heeft een deurwaarder op 24 juli 2025 bij een bezoek aan de winkel van [gedaagde] vastgesteld dat er muziek openbaar is gemaakt.