Auteursrecht  

IEF 23612

Alles over deepfakes: definities, rechten, plichten en meer. Dit leerde het IE Zomerforum 2026 ons


Deepfakes zijn in rap tempo uitgegroeid tot een van de meest besproken toepassingen van generatieve AI. Steeds gemakkelijker kunnen afbeeldingen, video's en audiobestanden worden gegenereerd waarin personen, stemmen en gebeurtenissen overtuigend worden nagebootst. Of deze ontwikkeling ook wenselijk is, blijkt een andere vraag.

Tijdens het IE Zomerforum 2026 stond dit onderwerp centraal. Aan de hand van bijdragen van Daniël de Weerd, Dirk Visser, Etienne Valk, Jet Hootsmans en Elles Masselink werd uitgebreid stilgestaan bij de juridische stand van zaken rond deepfakes. Daarbij kwamen zowel de Europese AI Act als het in Nederland geïnitieerde wetsvoorstel aan bod. Ook werd aandacht besteed aan de belangen van makers en andere betrokkenen.

IEF 23609

Annotatie geschreven door P.B. Hugenholtz.

Noot onder HvJ EU 5 december 2025, gevoegde zaken C‑580/23 en C‑795/23 ECLI:EU:C:2025:941 (Mio & konektra)

[verschenen in Nederlandse Jurisprudentie 2026/155]

Noot

Dit is een belangrijk arrest met voor het Nederlandse auteursrecht en de rechtspraktijk directe consequenties. Het HvJEU geeft uitleg aan de inhoud en toepassing van de oorspronkelijkheidstoets, een kernbegrip in het geharmoniseerde auteursrecht. De creativiteit die voorwaarde is voor de bescherming van een werk mag niet worden verondersteld, maar moet blijken uit de creatieve (persoonlijk) keuzen van de auteur die in het werk zichtbaar zijn. Daarnaast spreekt het Hof zich uit over de beschermingsomvang van een werk, waarbij afstand wordt genomen van het door de Hoge Raad ontwikkelde totaalindrukkencriterium. Ook verduidelijkt het arrest de verhouding tussen auteursrechtelijke bescherming van werken van toegepaste kunst en het bijzondere modellenrecht.


Feiten
Het arrest is gewezen in twee gevoegde zaken. In de Zweedse zaak C-580/23 roept Asplund auteursrechtelijke bescherming in voor zijn Palais Royal eetkamertafel t.o.v. de sterk gelijkende tafel Cord van meubelwinkelketen Mio. De Duitse zaak C-795/23 betreft een modulair kastsysteem [“gekenmerkt door hoogglanzend verchroomde ronde buizen die via bolvormige koppelstukken met elkaar zijn verbonden en een structuur vormen waarin gekleurde metalen panelen worden geplaatst”]. Volgens ontwerper USM pleegt konektra inbreuk door het online aanbieden van een sterk gelijkend systeem alsmede onderdelen of uitbreidingen daarvan.

Het HvJEU beantwoordt de uitvoerige prejudiciële vragen van de Svea hovrätt, de Zweedse appelrechter in IE-zaken, en het Bundesgerichtshof grotendeels in lijn met de conclusie van AG Szpunar.


Relatie auteursrecht-modellenrecht
Het HvJ bespreekt eerst de vraag hoe auteursrechtelijke bescherming van toegepaste kunst zich in het algemeen verhoudt tot het modellenrecht, het IE-regime dat op basis van een depotsysteem kortlopende bescherming (max. 25 jaar) toekent aan het nieuwe uiterlijk van een gebruiksvoorwerp. Beide regimes zijn in de EU in belangrijke mate geharmoniseerd. Enkele lidstaten, waaronder Duitsland en Italië, hanteren van oudsher strenge eisen voor auteursrechtelijke bescherming van toegepaste kunst om te voorkomen dat het modellenrecht door het auteursrecht, dat geen depotvereiste kent en veel langer duurt (tot 70 jaar p.m.a.), wordt ondermijnd. In het verleden gold ook in de Benelux een striktere auteursrechtelijke toets (modellen moesten “een duidelijk kunstzinnig karakter vertonen”), maar daaraan is al in de vorige eeuw een einde gemaakt [Hoge Raad 29 november 1985 en BenGH 22 mei 1987, NJ 1987, 880-881 m.nt. Wichers Hoeth].

In het Cofemel-arrest [zaak C-683/17, NJ 2020/90 m.nt. Spoor] had het HvJEU al verklaard dat werken van toegepaste kunst aan de normale auteursrechtelijke werktoets zijn onderworpen, waarbij cumulatie tussen auteursrecht en modellenrecht in beginsel mogelijk is. Het Hof overwoog echter ook “dat een dergelijke cumulatie slechts in bepaalde situaties kan worden overwogen” (Cofemel, ro. 52). Auteursrechtelijke bescherming is volgens het Hof enkel “voorbehouden aan voorwerpen die het verdienen om als werk te worden gekwalificeerd” (Cofemel, ro.50). Deze overwegingen riepen de vraag of het Hof niet toch een striktere maatstaf voor werken van toegepaste kunst voor ogen had, zodat auteursrechtelijke bescherming t.o.v. het modellenrecht een uitzondering zou blijven.

In het Mio-arrest verduidelijkt het Hof zijn Cofemel-oordeel. Auteursrecht en modellenrecht zijn verschillende regimes met onderling afwijkende criteria. Terwijl in het modellenrecht nieuwheid en eigen karakter volstaan, waarbij creativiteit geen rol speelt [zie HvJEU 18 december 2025, zaak C-323/241, ECLI:EU:C:2025:983 (Deity Shoes)], verlangt het auteursrecht originaliteit (oorspronkelijk karakter). Deze voorwaarden mogen niet met elkaar worden verward, zo maant het Hof (ro. 54). De auteursrechtelijke originaliteitseis is, zo blijkt uit het vervolg van het arrest, geen sinecure. Weliswaar bestaat er “geen regel-uitzondering-relatie tussen modelrechtelijke bescherming en auteursrechtelijkebescherming” (ro. 56), en geldt voor auteursrechtelijke bescherming van modellen werken van toegepaste kunst, zoals de meubelontwerpen in kwestie, de normale werktoets, maar aan deze toets is voor deze categorie creaties niet gemakkelijk voldaan. Anders dan bij “vrije” kunstuitingen, zoals werken van letterkunde, muziek en film`, is de creatieve vrijheid van meubelontwerpers en andere designers immers ingeperkt door allerlei functionele, technische en ergonomische randvoorwaarden. Auteursrechtelijke originaliteit is in zo’n geval niet vanzelfsprekend.

IEF 23603

Rb. Den Haag: mand met bodem valt niet onder beschermingsomvang van model van mand zonder bodem, geen slaafse nabootsing

Rechtbank Den Haag 20 mei 2026, IEF 23603; ECLI:NL:RBDHA:2026:12453 ([eiseres] tegen [gedaagde]), https://ie-forum.nl/artikelen/rb-den-haag-mand-met-bodem-valt-niet-onder-beschermingsomvang-van-model-van-mand-zonder-bodem-geen-slaafse-nabootsing

Rb. Den Haag 20 mei 2026, IEF 23603; ECLI:NL:RBDHA:2026:12453 ([eiseres] tegen [gedaagde]). De rechtbank oordeelt dat de door [gedaagde] aangeboden ‘water baskets’ geen inbreuk maken op de Uniemodelrechten en het auteursrecht van [eiseres] op de Drypot‑manden en evenmin een slaafse nabootsing daarvan opleveren. [eiseres] exploiteert sinds 2013 zogenoemde Drypot‑manden: rotan manden zonder gevlochten bodem, gevlochten rond een plastic binnenpot, waarvoor zij diverse ingeschreven Uniemodellen houdt. [gedaagde] brengt vanaf 2022 “water baskets” (Seline, Bridget, Pauline) op de markt: eveneens rotan manden rond een plastic binnenpot, maar dan met een gevlochten rotanbodem. [eiseres] stelt dat deze water baskets inbreuk maken op haar Uniemodelrechten en auteursrechten op de Drypot‑manden en dat bovendien sprake is van slaafse nabootsing (onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW), en vordert brede verbods‑, recall‑, opgave‑ en afgiftemaatregelen, alsmede schadevergoeding. De Uniemodellen van [eiseres] zijn bij het EUIPO in stand gebleven. Nu [gedaagde] geen reconventionele nietigheidsvordering instelt, gaat de rechtbank uit van geldige modellen, maar bepaalt zij de beschermingsomvang in het licht van het vormgevingserfgoed.

 

 

IEF 23608

Artikel geschreven door Annette de Bont, ICTRecht.

Nieuwe uitspraak: wanneer is online delen auteursrechtinbreuk?

Annette de Bont, 26 mei 2026. 

Inleiding

Op 30 april 2026 heeft het Hof van Justitie van de EU (‘HvJ’) een arrest gewezen waarin de auteursrechtelijke handeling van ‘een mededeling aan het publiek’ centraal staat. Het HvJ oordeelde dat het doorgeven van via satelliet ontvangen televisie- en radioprogramma’s naar de kamers van bewoners van een verzorgingshuis via een intern kabelnetwerk geen afzonderlijke ‘mededeling aan het publiek’ vormt in de zin van de Auteursrechtrichtlijn.

In dit blog gaan wij in op de uitspraak en wat de praktische gevolgen ervan zijn. Om de uitspraak te kunnen begrijpen, is het echter belangrijk eerst kort stil te staan bij deze auteursrechtelijke handeling: wat wordt er precies bedoeld met ‘een mededeling aan het publiek’?

IEF 23607

Rb. Den Haag bevoegd in geschil over gestelde auteursrechtinbreuk op betonblokmallen

Rechtbank Den Haag 20 mei 2026, IEF 23607; ECLI:NL:RBDHA:2026:12751 ((Betonblock tegen 3A steel)), https://ie-forum.nl/artikelen/rb-den-haag-bevoegd-in-geschil-over-gestelde-auteursrechtinbreuk-op-betonblokmallen

Rb. Den Haag 3 juni 2026, IEF 23607; ECLI:NL:RBDHA:2026:12751 (Betonblock tegen 3A steel). In deze zaak tussen Betonblock en de Bulgaarse producent 3A Steel heeft de Rechtbank Den Haag zich bevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen van Betonblock over gestelde auteursrechtinbreuk op betonblokmallen en subsidiair slaafse nabootsing. Volgens de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de gestelde schade mede in Nederland is ingetreden, nu de vermeend inbreukmakende producten via de website van 3A Steel in Nederland toegankelijk zijn en ook daadwerkelijk aan Nederlandse afnemers zijn verkocht. De rechtbank oordeelt daarmee dat zij internationaal en relatief bevoegd is; de vraag welke territoriale reikwijdte een eventueel later op te leggen verbod of rectificatie heeft (EU-breed of slechts nationaal), is volgens de rechtbank een inhoudelijke vraag die in de hoofdzaak moet worden beantwoord. De rechtbank wijst het bevoegdheidsincident van 3A Steel daarom af. Over de gestelde auteursrechtinbreuk, slaafse nabootsing en de wederzijdse contractuele vorderingen heeft de rechtbank zich nog niet inhoudelijk uitgelaten. Betonblock ontwikkelt, produceert en verkoopt stalen mallen voor betonblokken. 3A Steel produceerde sinds 2009 dergelijke mallen voor Betonblock. De afspraken tussen partijen waren niet schriftelijk vastgelegd. Tussen 2022 en 2024 ontstonden geschillen over onder meer prijsverhogingen, een gestelde minimumafnameverplichting en mogelijke betalingen aan een voormalig medewerker van Betonblock. In juli 2024 schortte 3A Steel de levering van mallen op wegens volgens haar niet nagekomen minimumafnames en openstaande facturen. Op 29 augustus 2024 verklaarde zij de volgens haar bestaande exclusieve afspraken met Betonblock primair ontbonden en subsidiair opgezegd. Vervolgens opende zij op 14 september 2024 de webshop www.3ablock.com, waarop zij gelijkende mallen aanbood. Volgens Betonblock maken deze producten inbreuk op haar auteursrechten op de betonblokmallen dan wel vormen zij een ontoelaatbare slaafse nabootsing. In de hoofdzaak vordert zij onder meer een verklaring voor recht dat sprake is van auteursrechtinbreuk, subsidiair onrechtmatig handelen, een verbod op het vervaardigen, aanbieden en verkopen van gelijkende producten, opgave van in- en verkopen, rectificatie, schadevergoeding en een proceskostenveroordeling op grond van artikel 1019h Rv. 

IEF 23600

Uitspraak ingezonden door Maga Verwoert & Max van Oostrum, Leeway.

Hof ’s-Hertogenbosch bekrachtigt executievonnis: executie door Stokke onrechtmatig

HvJ EU 26 mei 2026, IEF 23600; 200.361.497/01 ((Stokke c.s. tegen Cybex c.s.)), https://ie-forum.nl/artikelen/hof-s-hertogenbosch-bekrachtigt-executievonnis-executie-door-stokke-onrechtmatig

Hof ’s-Hertogenbosch 26 mei 2026, IEF 23600; 200.361.497/01 (Stokke c.s. tegen Cybex c.s.). Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft het executievonnis (IEF 23045) tussen Stokke c.s. en Cybex c.s. bekrachtigd. Volgens het hof heeft Cybex geen dwangsommen verbeurd wegens overtreding van het eerder opgelegde verbod met betrekking tot de Iris Chair. De door Stokke ingestelde executiemaatregelen waren daarom onrechtmatig. Aan het geschil ligt een eerder kortgedingvonnis ten grondslag waarin Cybex was verboden de Iris Chair binnen de Europese Unie te verhandelen wegens een aangenomen auteursrechtinbreuk op de Tripp Trapp-stoel van Stokke . Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft dat verbod later vernietigd voor de lidstaten buiten Nederland (IEF 23486). Daardoor resteerde in het onderhavige executiegeschil uitsluitend nog de vraag of Cybex binnen Nederland het verbod had overtreden en daardoor dwangsommen had verbeurd. Stokke stelde dat Cybex het verbod had geschonden doordat promotievideo's van de Iris Chair na betekening van het vonnis nog zichtbaar waren op de global social-media-accounts van Cybex Retail op Facebook, Instagram, YouTube en LinkedIn. Ook werd aanvankelijk gewezen op een brief aan afnemers en een vermeend aanbod van de stoel via een website, maar die verwijten werden tijdens de procedure ingetrokken. Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van een gestelde overtreding niet alleen naar de letterlijke tekst van het dictum moet worden gekeken, maar ook naar de overwegingen waarop de veroordeling berust. Uit het oorspronkelijke kortgedingvonnis volgt volgens het hof dat sprake was van een terughoudend geformuleerd verbod. De voorzieningenrechter had uitdrukkelijk overwogen dat de maatregel uitsluitend was bedoeld als een "standstill" om verdere marktintroductie van de Iris Chair te voorkomen totdat in een bodemprocedure duidelijkheid zou bestaan over de auteursrechtelijke beoordeling. Tegen die achtergrond moet het verbod volgens het hof beperkt worden uitgelegd. Het verbod zag op nieuwe handelingen gericht op verkoop, verhandeling of verdere marktintroductie van de Iris Chair.

IEF 23583

Beperkte schending van geheimhoudingsbeding bij gebruik luikafbeelding

Rechtbank Overijssel 20 mei 2026, IEF 23583; ECLI:NL:RBOVE:2026:2921 ([eiseres] tegen [gedaagde]), https://ie-forum.nl/artikelen/beperkte-schending-van-geheimhoudingsbeding-bij-gebruik-luikafbeelding

Rb. Overijssel 20 mei 2026, IEF 23583; ECLI:NL:RBOVE:2026:2921 ([eiseres] tegen [gedaagde]). Tussen [eiseres] en [gedaagde], beide actief in de jachtbouw, gold een inleenovereenkomst op grond waarvan de directeur van [gedaagde] door [eiseres] werd ingeleend voor het opzetten en marktrijp maken van een luikenprogramma. In de toepasselijke algemene voorwaarden waren geheimhoudingsverplichtingen opgenomen, waaronder een verbod om vertrouwelijke informatie bekend te maken of voor andere doeleinden te gebruiken, en een verbod om resultaten van de verrichte diensten zonder toestemming aan derden beschikbaar te stellen. Aan overtreding was een contractuele boete verbonden van € 50.000 per gebeurtenis, vermeerderd met € 5.000 per dag of dagdeel. Nadat [eiseres] in januari 2025 ontdekte dat [gedaagde] op haar eigen website een afbeelding had geplaatst van een tijdens de inleen gemaakte rendering van een scheepsluik, vorderde zij betaling van de contractuele boete. De rechtbank stelt bij de uitleg van de bedingen de tekst centraal, omdat het ging om algemene voorwaarden waarover niet was onderhandeld en partijen geen concrete omstandigheden hadden aangevoerd die een afwijkende uitleg rechtvaardigden. Volgens de rechtbank is geen sprake van schending van artikel 15 lid 1 of lid 5 onder b: uit de afbeelding konden geen technische gegevens worden afgeleid, het grootste deel van het design was al openbaar via de website van [eiseres] zelf, en het nog niet openbare element, het verdiepte kruis in het deksel, was onvoldoende concreet uitgewerkt om als vertrouwelijke informatie te gelden.

IEF 23578

Foto zonder toestemming en naamsvermelding gepubliceerd: schadevergoeding wegens auteursrechtinbreuk

Rechtbank Amsterdam 19 mei 2026, IEF 23578; ECLI:NL:RBAMS:2026:5170 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://ie-forum.nl/artikelen/foto-zonder-toestemming-en-naamsvermelding-gepubliceerd-schadevergoeding-wegens-auteursrechtinbreuk

Rb. Amsterdam 19 mei 2026, IEF 23578; ECLI:NL:RBAMS:2026:5170 ([eiser] tegen [gedaagde]). De kantonrechter van de Rechtbank Amsterdam oordeelt dat gedaagde inbreuk heeft gemaakt op de auteursrechten en persoonlijkheidsrechten van eiser, een professioneel fotograaf, door een door hem gemaakte foto van een 538-Koningsdagbezoekster zonder toestemming en zonder naamsvermelding op haar website te publiceren. Het verweer dat niet vaststaat dat de foto auteursrechtelijk beschermd is, wordt gepasseerd, onder meer omdat dit pas bij dupliek is aangevoerd en gedaagde in haar conclusie van antwoord nog zelf ervan uitging dat op de foto auteursrecht rustte. Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat voldoende aannemelijk is dat de foto auteursrechtelijke bescherming geniet, omdat sprake is van een bewust gekozen hoek en focus die de foto een eigen, oorspronkelijk karakter geven. Ook het beroep van gedaagde op mogelijk rechtmatig gebruik via beeldbanken slaagt niet, omdat zij onvoldoende concreet heeft onderbouwd dat zij daadwerkelijk toestemming had om de foto te gebruiken. Dat gedaagde de inbreuk niet bewust zou hebben gepleegd, doet daaraan niet af: de publicatie zonder toestemming van de maker en zonder diens naam te vermelden levert een schending op van diens exploitatierechten en persoonlijkheidsrechten.

IEF 23575

Geen reactie op nadere toelichting fataal: betalingsveroordeling voor muziekgebruik

Rechtbank Noord-Holland 6 mei 2026, IEF 23575; ECLI:NL:RBNHO:2026:4380 (([eiser 1] en [eiser 2] tegen MED Medemblik)), https://ie-forum.nl/artikelen/geen-reactie-op-nadere-toelichting-fataal-betalingsveroordeling-voor-muziekgebruik

Rb. Noord-Holland 6 mei 2026, IEF 23575; ECLI:NL:RBNHO:2026:4380 ([eiser 1] en [eiser 2] tegen MED Medemblik). In deze zaak tussen twee collectieve rechtenorganisaties ([eiser 1] en [eiser 2]) en MED Medemblik staat de vraag centraal of de exploitant van een horecagelegenheid gehouden is tot betaling van openstaande vergoedingen voor muziekgebruik op grond van licentieovereenkomsten. De kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de vorderingen grotendeels toewijsbaar zijn en passeert het gevoerde verweer, nu dit na nadere onderbouwing onvoldoende is gehandhaafd. MED Medemblik exploiteert een horecagelegenheid waar muziek wordt afgespeeld. Met beide collectieve rechtenorganisaties zijn licentieafspraken gemaakt voor het gebruik van muziekwerken. Over het jaar 2025 blijven meerdere facturen onbetaald, waaronder een factuur van € 1.419,11 van [eiser 1] en twee facturen van in totaal € 2.235,29 van [eiser 2]. Daarnaast worden eerder verleende kortingen van 33,33% na uitblijven van betaling alsnog in rekening gebracht, waardoor de gevorderde hoofdsommen oplopen tot € 2.128,56 respectievelijk € 3.352,77. MED Medemblik betwist de vorderingen en voert aan dat de gehanteerde berekeningsgrondslag onjuist is. Volgens haar is de horecagelegenheid ten onrechte ingedeeld in een hogere oppervlaktecategorie (450 m²), terwijl de feitelijke oppervlakte circa 160 m² bedraagt, wat zou leiden tot lagere tarieven. Daarnaast stelt zij dat geen sprake is van ondertekende licentieovereenkomsten en dat betaling van eerdere facturen niet zonder meer kan worden aangemerkt als aanvaarding van contractuele verplichtingen.

IEF 23568

AI en auteursrecht medio 2026: internationale consensus over output, verdeeldheid over input

In aanloop naar het ALAI Congress 2026 in Den Haag zijn achttien nationale rapporten gepubliceerd over auteursrecht en AI. De rapporten zijn afkomstig uit verschillende rechtsstelsels, waaronder diverse EU-lidstaten, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, Mexico, Argentinië en Zwitserland. Daarnaast organiseerde deLex afgelopen week een online update over AI en auteursrecht met professor Daniel Gervais, waarin de meest recente internationale ontwikkelingen op dit terrein werden besproken.

De rapporten en online update bieden samen een scherp overzicht van de huidige stand van het internationale debat rond AI en auteursrecht. Daarbij valt een duidelijke tweedeling op. Over de outputzijde van generatieve AI bestaat veel consensus, terwijl de opvattingen over de inputzijde juist uiteenlopen. In dit artikel bespreken we deze ontwikkelingen uitgebreider.