Auteursrecht  

IEF 23928

Geen auteursrechtinbreuk aannemelijk na beëindiging samenwerking tussen marketingbureau en opdrachtgever

Rechtbank Noord-Nederland 25 sep 2026, IEF 23928; ECLI:NL:RBNNE:2026:4257 (LC tegen Monti), https://ie-forum.nl/artikelen/geen-auteursrechtinbreuk-aannemelijk-na-beeindiging-samenwerking-tussen-marketingbureau-en-opdrachtgever

Rb. Noord-Nederland 25 september 2026, IEF 23928; ECLI:NL:RBNNE:2026:4257 (LC tegen Monti). De voorzieningenrechter oordeelt in kort geding over een auteursrechtelijk geschil tussen marketingbureau Los Companeros B.V. (LC) en het Duitse Monti Werkzeuge GmbH (Monti). LC en haar rechtsvoorganger verrichtten tussen 2018 en 2025 marketingwerkzaamheden voor Monti, waaronder het ontwikkelen van merkidentiteiten, logo's, slogans en huisstijlen. Na beëindiging van de samenwerking stelde LC dat Monti inbreuk maakte op haar auteursrechten door 327 volgens LC auteursrechtelijk beschermde werken te blijven gebruiken. LC vorderde onder meer een stakings- en verwijderingsgebod en een voorschot op schadevergoeding van € 50.000. Volgens LC waren de auteursrechten op grond van de algemene voorwaarden bij haar rechtsvoorganger blijven berusten en vervolgens aan LC overgedragen. Monti betwistte de toepasselijkheid van deze voorwaarden en beriep zich op artikel 8 Auteurswet (Aw), op grond waarvan een rechtspersoon die een werk als van haar afkomstig openbaar maakt zonder daarbij een natuurlijke persoon als maker te vermelden, onder bepaalde voorwaarden als maker wordt aangemerkt. De voorzieningenrechter stelt voorop dat partijen van artikel 8 Aw kunnen afwijken, maar dat daarvoor overeenstemming moet bestaan.

IEF 23927

Rechtbank Midden-Nederland bevoegd ten aanzien van Nederlandse en Duitse distributeur in auteursrechtelijk geschil over ruilkaartspel

Rechtbank Midden-Nederland 30 sep 2026, IEF 23927; ECLI:NL:RBMNE:2026:6957 ([eiseres] tegen [gedaagden]), https://ie-forum.nl/artikelen/rechtbank-midden-nederland-bevoegd-ten-aanzien-van-nederlandse-en-duitse-distributeur-in-auteursrechtelijk-geschil-over-ruilkaartspel

Rb. Midden-Nederland 30 september 2026, IEF 23927; ECLI:NL:RBMNE:2026:6957 ([eiseres] tegen [gedaagden]). In een geschil over de verkoop en distributie van een ruilkaartspel beoordeelt de Rechtbank Midden-Nederland of zij internationaal bevoegd is om kennis te nemen van vorderingen tegen vier vennootschappen uit hetzelfde concern, gevestigd in Nederland, Duitsland en de Verenigde Staten. De Amerikaanse eiseres stelt dat de verkoop en distributie van het spel inbreuk maken op haar auteursrechten en daarnaast onrechtmatig zijn. De rechtbank is op grond van artikel 4 Brussel I-bis bevoegd ten aanzien van de Nederlandse vennootschap. Ook ten aanzien van de Duitse distributeur neemt de rechtbank bevoegdheid aan op grond van artikel 8 lid 1 Brussel I-bis. De vorderingen hebben betrekking op hetzelfde spel en op nauw samenhangende verkoop- en distributieactiviteiten binnen dezelfde distributieketen. De Nederlandse vennootschap treedt daarbij op als lokale distributeur en de Duitse vennootschap als centrale distributeur. Ook de vorderingen die betrekking hebben op de verkoop in Duitsland en Oostenrijk en de export naar andere EU-lidstaten vertonen volgens de rechtbank voldoende samenhang met de Nederlandse vorderingen. Dat de eiseres mogelijk een voor haar gunstiger forum heeft gekozen, staat niet aan bevoegdheid in de weg, zolang aan de voorwaarden van artikel 8 lid 1 Brussel I-bis is voldaan en geen sprake is van een kunstmatige ankergedaagde. De rechtbank acht zich daarom bevoegd voor alle vorderingen tegen de Duitse distributeur, zowel op grond van auteursrecht als onrechtmatige daad.

IEF 23911

Uitspraak ingezonden door Sjo Anne Hoogcarspel, Mount Law.

Rechtbank Amsterdam: vorderingen over exploitatie-inkomsten en -gegevens van muzieknummers afgewezen

Rechtbank Amsterdam 7 okt 2026, IEF 23911; ECLI:NL:RBAMS:2026:9874 ([eisende partij] tegen Moonlight c.s.), https://ie-forum.nl/artikelen/rechtbank-amsterdam-vorderingen-over-exploitatie-inkomsten-en-gegevens-van-muzieknummers-afgewezen

Rb. Amsterdam 7 oktober 2026, IEF 23911; ECLI:NL:RBAMS:2026:9874 ([eisende partij] tegen Moonlight c.s.). Een muziekproducent vordert van Moonlight Music en een zangeres onder meer afdracht van 50% van de exploitatie-inkomsten uit de nummers Vamos a la Playa en Bailando, evenals inzage in exploitatiegegevens van deze nummers en Slimando. Volgens de producent zijn partijen overeengekomen de inkomsten gelijk te verdelen en kan hij daarnaast aanspraak maken op het auteursrecht en de naburige rechten. De Rechtbank Amsterdam oordeelt dat de exploitatieovereenkomst uit 2010 in juni 2011 van rechtswege is geëindigd. De producent heeft onvoldoende onderbouwd dat partijen in 2013 hebben afgesproken de overeenkomst voort te zetten. Eventuele vorderingen tot nakoming van de oorspronkelijke overeenkomst zijn bovendien naar het toepasselijke Duitse recht verjaard. Ook de gestelde verdelingsafspraken uit 2017 en 2018 zijn onvoldoende onderbouwd. Uit de overgelegde correspondentie blijkt niet dat Moonlight Music c.s. heeft ingestemd met een gelijke verdeling van de exploitatie-inkomsten. De producent heeft daarmee niet voldaan aan zijn stelplicht en bewijslast.

IEF 23908

Eisers niet-ontvankelijk bij verklaringen voor recht over auteursrecht MaMa-vaas na faillissement en schikking

Rechtbank Den Haag 30 sep 2026, IEF 23908; ECLI:NL:RBDHA:2026:28724 ([eisers] c.s. tegen mr. [gedaagde] q.q.), https://ie-forum.nl/artikelen/eisers-niet-ontvankelijk-bij-verklaringen-voor-recht-over-auteursrecht-mama-vaas-na-faillissement-en-schikking

Rb. Den Haag 30 september 2026, IEF 23908; ECLI:NL:RBDHA:2026:28724 ([eisers] c.s. tegen mr. [gedaagde] q.q.). [eiser sub 1] ontwierp in 1998 de MaMa-vaas, die op basis van een exclusieve licentie door atelier [eiser sub 3] wordt geproduceerd en verkocht. [bedrijfsnaam] B.V. bood vanaf 2021 onder de naam Betsy vazen aan waarvan [eisers] c.s. stelden dat deze inbreuk maakten op het auteursrecht op de MaMa-vaas. In 2021 ondertekende [naam] namens [bedrijfsnaam] B.V. een onthoudingsverklaring waarin werd verklaard dat met de Betsy-vaas inbreuk was gemaakt en waarin werd toegezegd die inbreuk te staken. Nadat in 2023 en 2024 opnieuw Betsy-vazen waren aangeboden, startten [eisers] c.s. een procedure. Tijdens die procedure werd [bedrijfsnaam] B.V. failliet verklaard en nam de curator het geding over. Vervolgens bereikten [eisers] c.s. en de curator een schikking over de geldelijke verhaalsvorderingen, werden de resterende Betsy-vazen vernietigd en werden alle overige vorderingen ingetrokken. Alleen de gevorderde verklaringen voor recht dat de MaMa-vaas auteursrechtelijk beschermd is en dat het auteursrecht daarop aan [eiser sub 1] toekomt, bleven gehandhaafd.

IEF 23885

Oorspronkelijk verschenen op AI-Forum.

Thomson Reuters wint ook in hoger beroep: geen fair use bij AI-training met headnotes

Het Amerikaanse Third Circuit (equivalent van ons gerechtshof) heeft de overwinning van Thomson Reuters op ROSS Intelligence bevestigd. Het gebruik van de koptitels uit de juridische databank van Reuters voor de ontwikkeling van een met die databank concurrerende AI-zoektool, valt niet onder fair use. Het betreft de eerste Amerikaanse uitspraak in hoger beroep over fair use in de context van AI.

Bent u graag up to date op het snijvlak van AI en recht? Meld u vandaag nog aan voor het aankomende Nationaal AI & Data Congres van donderdag 5 november.

IEF 23874

HvJ EU: Rome I bepaalt toepasselijk recht op formele geldigheid overdracht exclusieve gebruiksrechten

HvJ EU 24 sep 2026, IEF 23874; ECLI:EU:C:2026:785 (Steizer), https://ie-forum.nl/artikelen/hvj-eu-rome-i-bepaalt-toepasselijk-recht-op-formele-geldigheid-overdracht-exclusieve-gebruiksrechten

HvJ EU 24 september 2026, IEF 23874; IEFbe 4322; ECLI:EU:C:2026:785 (Steizer). BT liet door een in Polen gevestigde fotograaf foto’s van automatten maken voor haar onlineverkoop. Partijen sloten geen schriftelijke overeenkomst over de overdracht van gebruiksrechten en maakten evenmin een rechtskeuze. Nadat IU een aantal van deze foto’s zonder toestemming voor eigen eBay-aanbiedingen had gebruikt, stelde BT in Duitsland een auteursrechtelijke inbreukvordering in. In hoger beroep betwistte IU dat BT de exclusieve gebruiksrechten rechtsgeldig had verkregen, omdat naar Pools recht voor een dergelijke overdracht volgens haar een schriftelijkheidsvereiste gold. Het Oberlandesgericht Düsseldorf vroeg het Hof of de formele geldigheid van de overdracht moet worden beoordeeld volgens de lex loci protectionis van artikel 8 lid 1 Rome II, dan wel volgens het recht dat op grond van Rome I op de overdrachtsovereenkomst van toepassing is. Het Hof maakt een onderscheid tussen beide rechtsverhoudingen: de gestelde inbreuk door een derde vormt een niet-contractuele verbintenis en valt onder Rome II, maar de vraag naar de formele geldigheid van de overeenkomst tussen de auteur en de verkrijger staat daarvan los en betreft een verbintenis uit overeenkomst.

IEF 23867

Lidl maakt auteursrechtinbreuk op beschermde elementen van Birkenstock-sandalen

Rechtbank Gelderland 23 sep 2026, IEF 23867; ECLI:NL:RBGEL:2026:7234 (Birkenstock c.s. tegen Lidl c.s.), https://ie-forum.nl/artikelen/lidl-maakt-auteursrechtinbreuk-op-beschermde-elementen-van-birkenstock-sandalen

Rb. Gelderland 23 september 2026, IEF 23867; ECLI:NL:RBGEL:2026:7234 (Birkenstock c.s. tegen Lidl c.s.). Birkenstock beroept zich op auteursrechtelijke bescherming van het gemeenschappelijke ondergedeelte van haar sandalen en van de uppers van de modellen Madrid, Arizona, Florida, Boston en Gizeh. De rechtbank past daarbij het door het HvJ EU in Mio/Konektra [IEF 23142] verduidelijkte toetsingskader voor werken van toegepaste kunst toe. De rechter moet de concrete creatieve keuzes in de vormgeving identificeren; het enkele bestaan van ontwerpvrijheid of een esthetisch effect is onvoldoende. Van het ondergedeelte acht de rechtbank uitsluitend het hoogteverschil beschermd waardoor aan de achterzijde een wand wordt gevormd die naar de voorzijde in hoogte afloopt. De overige aangevoerde kenmerken zijn functioneel of technisch bepaald, dan wel onvoldoende creatief. Van de upper van de Madrid is alleen het verloop van een duidelijk zichtbare smallere strap van circa twee centimeter over een duidelijk zichtbare bredere band van circa vijf centimeter auteursrechtelijk beschermd. De uppers van de Arizona, Florida en Boston voldoen niet aan het oorspronkelijkheidsvereiste. Op de upper van de Gizeh kan Birkenstock evenmin auteursrecht inroepen: het daarop rustende auteursrecht is volgens de rechtbank op 21 december 1998 vervallen doordat na afloop van het toenmalige modelrecht geen tijdige instandhoudingsverklaring als bedoeld in de toen geldende BTMW is afgelegd.

IEF 23865

Uitspraak ingezonden door Paul Trapman, Ploum.

Erik Fruit aansprakelijk voor inbreuk op 'Labubu'-merken van Pop Mart

Rechtbank Rotterdam 23 sep 2026, IEF 23865; ECLI:NL:RBDHA:2026:28275 (Popmart tegen Erik Fruit), https://ie-forum.nl/artikelen/erik-fruit-aansprakelijk-voor-inbreuk-op-labubu-merken-van-pop-mart

Rb. Den Haag 23 september 2026, IEF 23865; ECLI:NL:RBDHA:2026:28275 (Popmart tegen Erik Fruit). In deze zaak tussen Pop Mart en Erik Fruit heeft de rechtbank geoordeeld dat groothandel Erik Fruit B.V. inbreuk heeft gemaakt op de Uniemerken van Pop Mart (bekend van het figuur 'Labubu'). Erik Fruit had ruim 7.000 namaakproducten van de populaire vinylknuffels geleverd aan diverse filialen van supermarktketen Jumbo. Pop Mart vorderde een inbreukverbod, opgave van feiten en cijfers, en schadevergoeding op te maken bij staat. Erik Fruit verweerde zich onder meer met de stelling dat de inkopers van Jumbo expliciet om koplopers/kopieën hadden gevraagd omdat de originele Labubu's niet verkrijgbaar waren, waardoor er bij de professionele afnemer geen verwarring kon ontstaan. Ook voerde Erik Fruit aan dat 'lafufu' een soortnaam zou zijn geworden en dat zij slechts op verzoek handelde.

IEF 23866

Auteursrechtinbreuk op bloemenvazen van Des Pots

Rechtbank Noord-Nederland 26 aug 2026, IEF 23866; ECLI:NL:RBNHO:2026:11723 (Des Pots tegen [gedaagde]), https://ie-forum.nl/artikelen/auteursrechtinbreuk-op-bloemenvazen-van-des-pots

Rb. Noord-Holland 26 augustus 2026, IEF 23866; ECLI:NL:RBNHO:2026:11723 (Des Pots tegen [gedaagde]). Des Pots exploiteert een collectie bloemenvazen die volgens haar in 2006 is ontworpen en vanaf januari 2007 op de markt is gebracht. Gedaagde bood in 2025 op een beurs en via haar webshop sterk overeenstemmende rozenvazen aan. De rechtbank oordeelt dat de bloemenvazen auteursrechtelijk beschermd zijn. Gedaagde had de beschermingswaardigheid van de vormgeving niet concreet betwist, zodat de rechtbank uitgaat van auteursrechtelijke bescherming aan de hand van de maatstaf dat sprake moet zijn van een eigen intellectuele schepping die de vrije en creatieve keuzes van de maker weerspiegelt. Ook staat voldoende vast dat Des Pots auteursrechthebbende is. Des Pots kan zich beroepen op artikel 8 Aw, omdat zij de vazen als van haar afkomstig openbaar heeft gemaakt zonder vermelding van een natuurlijke persoon als maker. Daarnaast volgt uit een overgelegde akte dat de ontwerpster haar auteursrechten aan Des Pots heeft overgedragen. De betwisting van het makerschap door gedaagde acht de rechtbank onvoldoende gemotiveerd.

IEF 23860

Boetebeding uit onthoudingsverklaring ziet alleen op specifiek genoemde foto’s

Rechtbank Overijssel 15 sep 2026, IEF 23860; ECLI:NL:RBOVE:2026:5540 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://ie-forum.nl/artikelen/boetebeding-uit-onthoudingsverklaring-ziet-alleen-op-specifiek-genoemde-foto-s

Rb. Overijssel 15 september 2026, IEF 23860; ECLI:NL:RBOVE:2026:5540 ([eiser] tegen [gedaagde]). [eiser] en [gedaagde] zijn directe concurrenten op het gebied van elektrotechnische infrastructuur. Nadat [gedaagde] zonder toestemming twee foto’s van [eiser] op haar website had geplaatst, verstrekte zij een onthoudingsverklaring. Daarin erkende zij dat [eiser] rechthebbende was op de in de voorafgaande correspondentie bedoelde foto’s, erkende zij daarop inbreuk te hebben gemaakt, zegde zij toe ieder gebruik van die foto’s te staken en gestaakt te houden en verbond zij daaraan een boete van € 500 per dag met een maximum van € 10.000. Enkele maanden later verscheen een andere, derde foto van [eiser] op de website van [gedaagde]. [eiser] stelde dat daarmee de maximale boete uit de onthoudingsverklaring was verbeurd. De kantonrechter stelt voorop dat partijen het erover eens zijn dat de onthoudingsverklaring een eenzijdige rechtshandeling is. De uitleg daarvan vindt daarom plaats aan de hand van de wilsvertrouwensleer van art. 3:33 en 3:35 BW. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang en komt geen beslissend gewicht toe aan uitsluitend de taalkundige betekenis van de gebruikte bewoordingen.