Auteursrecht  

IEF 23315

Billijke compensatie: mogen uitgevers meedelen in thuiskopie‑ en leenrechtvergoedingen?

HvJ EU 26 feb 2026, IEF 23315; ECLI:EU:C:2026:123 (Verwertungsgesellschaft Wort (VG Wort) tegen TL), https://ie-forum.nl/artikelen/billijke-compensatie-mogen-uitgevers-meedelen-in-thuiskopie-en-leenrechtvergoedingen

Conclusie A-G 26 februari 2026, IEF 23315; ECLI:EU:C:2026:123 (Verwertungsgesellschaft Wort (VG Wort) tegen TL). De zaak draait om de Duitse collectieve beheersorganisatie VG Wort, die vergoedingen int voor auteursrechtelijke en naburige rechten en deze uitkeert aan auteurs en andere rechthebbenden. Twee auteurs (TL en OS) zijn lid van VG Wort, hebben hun werken bij VG Wort aangemeld en jarenlang uitkeringen ontvangen; zij betwisten echter de interne verdeelsleutel, met name dat een deel van de geïnde vergoedingen niet rechtstreeks ten goede komt aan auteurs maar wordt gereserveerd voor andere doeleinden of voor andere rechthebbendencategorieën (zoals uitgevers) en voeren aan dat dit in strijd is met Unierechtelijke regels over de compensatie voor de thuiskopie‑ en leenrechtexcepties. In de nationale procedure vorderen zij dat de door VG Wort toegepaste verdeling en inhoudingen ongeldig worden verklaard en dat de hen toekomende vergoedingen volledig, zonder dergelijke inhoudingen of afvloeiing naar andere groepen, aan hen worden uitgekeerd. De Duitse Bundesgerichtshof twijfelt of het Unierecht toelaat dat een CBO de door de richtlijnen 2001/29 en 2006/115 vereiste compensatie/vergoeding niet volledig uitkeert aan de auteurs zelf maar (i) deels toewijst aan andere categorieën rechthebbenden (zoals uitgevers) en/of (ii) een deel reserveert of aanwendt voor bijvoorbeeld sociaal‑culturele of promotionele activiteiten, en legt daarom prejudiciële vragen voor over de uitlegging van onder meer artikel 2, lid 2, en artikel 5, lid 2, onder b, van richtlijn 2001/29, artikel 6 van richtlijn 2006/115 en artikel 4 en 12 van richtlijn 2014/26 (collectief beheer).

IEF 23314

Uitspraak ingezonden door Tobias Cohen Jehoram, Robert van Hattum, Florence Haverhals en Selmer Bergsma, De Brauw Blackstone Westbroek.

Geen litispendentie bij territoriaal beperkte EU-verboden: rechtbank laat Stokke/Cybex-procedure doorgaan

Rechtbank Gelderland 25 feb 2026, IEF 23314; C/05/4544 70 / HA ZA 25-294 (STOKKE AS, PETER OPSVIK AS tegen BABYPARK B.V., BABY-DUMP B.V. en COLUMBUS TRADING-PARTNERS GMBH & CO. KG, CYBEX GMHB, CYBEX RETAIL GMHB), https://ie-forum.nl/artikelen/geen-litispendentie-bij-territoriaal-beperkte-eu-verboden-rechtbank-laat-stokke-cybex-procedure-doorgaan

Rb Gelderland 25 februari 2026, IEF 23314; C/05/4544 70 / HA ZA 25-294 (STOKKE AS, PETER OPSVIK AS tegen BABYPARK B.V., BABY-DUMP B.V. en COLUMBUS TRADING-PARTNERS GMBH & CO. KG, CYBEX GMHB, CYBEX RETAIL GMHB). In dit incidentvonnis van de Rechtbank Gelderland staat een bevoegdheidsincident centraal in een civiele procedure tussen Stokke AS en Peter Opsvik AS (hierna: Stokke c.s.) en Babypark B.V., Baby-Dump B.V. en de Duitse vennootschappen Columbus Trading-Partners GmbH & Co. KG, Cybex GmbH en Cybex Retail GmbH (hierna gezamenlijk: Cybex c.s.). In de hoofdzaak hebben Stokke c.s., in een auteursrechtelijk geschil, pan-Europese (verbods)vorderingen ingesteld. Cybex c.s. vorderden in een incident aanhouding van de Nederlandse procedure op grond van artikel 29 van de Brussel I-bis-verordening, omdat zij reeds parallelle procedures aanhangig hadden gemaakt in Frankfurt en Rome. Volgens hen was sprake van litispendentie: dezelfde partijen, hetzelfde onderwerp en dezelfde oorzaak, zodat het Nederlandse gerecht de zaak moest aanhouden totdat de buitenlandse rechters over hun bevoegdheid hadden beslist. In reactie daarop hebben Stokke c.s. hun eis verminderd en verduidelijkt, in die zin dat zij Duitsland en Italië expliciet hebben uitgesloten van hun pan-Europese verbodsvorderingen. Ook beperkten zij onder meer een gevorderde rectificatie tot Nederlandse websites en pasten zij onderdelen van het petitum aan. Daarmee beoogden zij te bewerkstelligen dat de Nederlandse procedure geen betrekking meer had op de territoria waarvoor in Duitsland en Italië werd geprocedeerd.

IEF 23312

Uitspraak ingezonden door Jeroen Dijkman, HKD Advocaten; Polo van der Putt, Vondst Advocaten; en Vivien Rorsch, LaRorsch.

Payingit/Workrate: impliciete softwarelicentie bij overlappende broncode

Hoge Raad 20 feb 2026, IEF 23312; ECLI:NL:PHR:2026:186 (Payingit B.V., Payingip B.V., NRD Holding B.V., CMC Holding B.V., [eiser 5], [eiser 6], eisers tot cassatie tegen Workrate Holding B.V.), https://ie-forum.nl/artikelen/payingit-workrate-impliciete-softwarelicentie-bij-overlappende-broncode

Parket bij de Hoge Raad 20 februari 2026, IEF 23312, IT&R 5121; ECLI:NL:PHR:2026:186 (Payingit B.V., Payingip B.V., NRD Holding B.V., CMC Holding B.V., [eiser 5], [eiser 6], eisers tot cassatie tegen Workrate Holding B.V.). In de conclusie van het Parket staat een geschil centraal tussen Payingit c.s. (kopers) en Workrate (verkoper) over de uitleg van een koop- en licentieovereenkomst uit 2016 betreffende software. Workrate had drie softwarepakketten ontwikkeld: Workstate (voor beveiligingsprocessen), Workmate (later Usemate) en Academy. Deze applicaties vertoonden gedeeltelijke overlap in broncode, onder meer via gedeelde modules en interfaces. In 2016 verkochten Workrate en haar mede-aandeelhouders de aandelen in Usemate (later PayingIT) en werd de Usemate-software geleverd aan PayingIP, met overdracht van auteursrechten en een gelijktijdige licentie aan Workrate voor gebruik van de software. In geschil is welke omvang de auteursrechtoverdracht had en of Workrate met haar verdere exploitatie van Workstate, waarin overlappende broncode voorkomt, inbreuk maakt op de overgedragen rechten dan wel tekortschiet in de nakoming van de overeenkomsten. Workrate vorderde in conventie onder meer verklaringen voor recht dat zij geen auteursrechtinbreuk pleegt en niet tekortschiet. Payingit c.s. vorderde in reconventie juist verklaringen voor recht dat het volledige auteursrecht op de in een specificatiedocument genoemde mappen was overgedragen, dat Workrate inbreuk maakte, boetes had verbeurd en schadeplichtig was. De rechtbank en het hof oordeelden, na uitleg volgens het Haviltex-criterium, dat de auteursrechten op de in het document gespecificeerde broncode weliswaar aan PayingIP zijn overgedragen, maar dat Workrate een impliciet contractueel gebruiksrecht behoudt voor zover die broncode ook deel uitmaakt van Workstate. Ook ten aanzien van het gebruik door een derde (KlasseStudent/KlasseNet) werd geoordeeld dat dit binnen de bedoeling van partijen viel. Het hof achtte nader deskundigenonderzoek naar de precieze mate van overlap niet beslissend en veroordeelde Payingit c.s. in de proceskosten op grond van art. 1019h Rv, gemaximeerd op het indicatietarief voor een complexe bodemzaak.

IEF 23309

Auteursrecht op slipperzool: identieke zool levert inbreuk op

Rechtbank Midden-Nederland 11 feb 2026, IEF 23309; ECLI:NL:RBMNE:2026:581 (Einstein tegen Shoes4all), https://ie-forum.nl/artikelen/auteursrecht-op-slipperzool-identieke-zool-levert-inbreuk-op

Rb. Midden-Nederland 11 februari 2026, IEF 23309; ECLI:NL:RBMNE:2026:581 (Einstein tegen Shoes4all). De rechtbank oordeelt in een eindvonnis dat op de slipper van Einstein Shoes B.V. (met de zogeheten Dewi Outsole) auteursrecht rust en dat Shoes4all B.V. daarop inbreuk maakt door een slipper met exact dezelfde zool te verhandelen. In het tussenvonnis was al aangenomen dat er “in beginsel” auteursrecht en inbreuk was; in dit eindvonnis staat centraal of de Chinese matrijs voor de zool daadwerkelijk op basis van Einsteins ontwerptekening is gemaakt (en dus geen standaard, rechtenvrije matrijs was). Einstein onderbouwt dit voldoende met o.a. ontwerpcorrespondentie, het traject met een wooden mould (proefmal) die door de ontwerpster is goedgekeurd, en een e-mail van de trader aan de fabriek waarin expliciet wordt gevraagd de mould op basis van de ontwerptekening te maken; het ontbreken van een blueprint staat daaraan niet in de weg. Ook het openbaarmakingsvereiste is vervuld, omdat de zool afzonderlijk commercieel is geëxploiteerd (o.a. via Kruidvat) en de combinatie met de upper aan potentiële inkopers is aangeboden.

IEF 23310

Afkomstig van www.AI-Forum.nl

Deepfakes als auteursrechtinbreuk? Europese Commissie fluit Deense AI-wet terug

Denemarken werkt, als eerste in Europa, aan een wijziging van zijn Auteurswet om burgers en uitvoerende kunstenaars beter te beschermen tegen AI-gegenereerde deepfakes. Het wetsvoorstel introduceert een verbodsrecht voor natuurlijke personen tegen het online beschikbaar stellen van realistische digitale imitaties van persoonlijke kenmerken en uitvoeringen, zoals stem, uiterlijk of bewegingen. Hiermee poogt Denemarken de opkomst van ongewenste deepfakes te bestrijden via het intellectueel eigendomsrecht. In een recente reactie heeft de Europese Commissie forse kanttekeningen geplaatst bij deze benadering, die ook relevant zijn voor het vergelijkbare wetgevingsinitiatief in Nederland.

IEF 23296

Geen IE-bescherming voor ‘brandblusser’-waterfles

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 7 jan 2026, IEF 23296; ECLI:NL:RBZWB:2026:521 (BHV-Specialist tegen 101BHV), https://ie-forum.nl/artikelen/geen-ie-bescherming-voor-brandblusser-waterfles

Rb. Zeeland-West-Brabant 7 januari 2026, IEF 23296; ECLI:NL:RBZWB:2026:521 (BHV-Specialist tegen 101BHV). In dit kort geding stond de vraag centraal of BHV-Specialist model- en auteursrechtelijke bescherming toekwam voor haar rood uitgevoerde RVS-waterfles met brandblusser-look en of 101BHV daarop inbreuk maakte, dan wel zich schuldig maakte aan slaafse nabootsing. De voorzieningenrechter oordeelt dat het ingeschreven Beneluxmodel geen nieuwheid en geen eigen karakter heeft in de zin van art. 3.1 BVIE. De cilindervormige dubbelwandige RVS-fles, de rode kleur en de brandblusser-uitstraling behoren tot het vormgevingserfgoed. Ook de grafische en tekstuele opdruk (vlam-icoon, stappenplan en woordspelingen als “Thirst Aid”) mist voldoende onderscheidend vermogen; het betreft een uitwerking van een onbeschermde stijl, waarbij eenvoudige teksten en gangbare pictogrammen geen andere algemene indruk wekken bij de geïnformeerde gebruiker dan reeds bestaande vormgeving.

IEF 23292

Vondsten én documentatie moeten terug naar de provincies – auteursrecht geen blokkade

Rechtbank Midden-Nederland 21 jan 2026, IEF 23292; ECLI:NL:RBMNE:2026:424 (de Provincies tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]), https://ie-forum.nl/artikelen/vondsten-en-documentatie-moeten-terug-naar-de-provincies-auteursrecht-geen-blokkade

Rb. Midden-Nederland 21 januari 2026, IEF 23292; ECLI:NL:RBMNE:2026:424 (de Provincies tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]). De rechtbank oordeelt dat archeologische vondsten die onder de Monumentenwet 1988 zijn gedaan, eigendom zijn van de provincie waar zij zijn aangetroffen (art. 50 Monumentenwet 1988). Dat was tussen partijen ook het uitgangspunt. In deze zaak bleek dat naast eerder overgedragen vondsten nog duizenden projecten met bijbehorende vondsten en documentatie bij gedaagden aanwezig waren. De provincies vorderden daarom afgifte op grond van art. 5:2 BW (revindicatie). Volgens de rechtbank zijn niet alleen de fysieke vondsten, maar ook de bijbehorende analoge en digitale opgravingsdocumentatie eigendom van de provincies. Die documentatie vormt naar verkeersopvatting een bestanddeel van de opgraving (art. 3:3 BW): zonder rapporten, foto’s, veldtekeningen en registraties is een opgraving wetenschappelijk en maatschappelijk onvolledig. Dat sluit aan bij art. 46 lid 3 Monumentenwet 1988, dat bepaalt dat zowel de geconserveerde vondsten als de documentatie aan de rechthebbende moeten worden overgedragen.

IEF 23287

HvJ EU over art. 102 VWEU: Onbillijke licentievoorwaarden van collectieve beheersorganisatie bij hotelvergoedingen

HvJ EU 18 dec 2025, IEF 23287; ECLI:EU:C:2025:985 (OSA, z.s. tegen Úřad pro ochranu hospodářské soutěže), https://ie-forum.nl/artikelen/hvj-eu-over-art-102-vweu-onbillijke-licentievoorwaarden-van-collectieve-beheersorganisatie-bij-hotelvergoedingen

HvJ EU 18 december 2025, IEF 23287; IEFbe 4109; ECLI:EU:C:2025:985 (OSA, z.s. tegen Úřad pro ochranu hospodářské soutěže). De zaak betreft de Tsjechische collectieve beheersorganisatie OSA, die auteursrechten exploiteert voor onder meer hotels en andere accommodaties met televisies op de kamers. De Tsjechische mededingingsautoriteit Úřad pro ochranu hospodářské soutěže (ÚOHS) stelde in 2019 vast dat OSA haar machtspositie misbruikte op de markt voor het verlenen van licenties aan dergelijke accommodatieverstrekkers. OSA hanteerde in haar standaardlicenties een minimumvergoeding die geen rekening hield met de werkelijke bezettingsgraad of het daadwerkelijke gebruik en was bovendien onvoldoende transparant over de berekeningswijze en aanpassingsmogelijkheden. Dit werd gekwalificeerd als het opleggen van onbillijke contractuele voorwaarden in de zin van artikel 102, onder a), VWEU. OSA kreeg een boete van 10 676 000 CZK en een gedragsverbod opgelegd. In beroep voerde OSA aan dat haar tarieven niet buitensporig waren en dat misbruik alleen via de toets voor excessieve prijzen (zoals ontwikkeld in onder meer United Brands, AKKA/LAA en SABAM) kon worden vastgesteld. De ÚOHS stelde daartegenover dat het zwaartepunt lag bij de onbillijkheid van de contractvoorwaarden, waardoor geen volledige excess-pricing-analyse vereist was.

IEF 23283

Geen auteursrechtinbreuk bij ontbreken van ingebracht werk; beëindiging opdrachtovereenkomst kwalificeert als opzegging, niet als ontbinding

Rechtbank Midden-Nederland 14 jan 2026, IEF 23283; ECLI:NL:RBMNE:2026:385 ([eiseres] tegen [gedaagde]), https://ie-forum.nl/artikelen/geen-auteursrechtinbreuk-bij-ontbreken-van-ingebracht-werk-beeindiging-opdrachtovereenkomst-kwalificeert-als-opzegging-niet-als-ontbinding

Rb. Midden-Nederland 14 januari 2026, IEF 23283; ECLI:NL:RBMNE:2026:385 ([eiseres] tegen [gedaagde]). De rechtbank wijst de vorderingen van een marketingbureau af dat stelde dat haar opdrachtgever inbreuk maakte op het auteursrecht op een door haar ontwikkelde huisstijl en webdesign voor MOO-software. De rechtbank oordeelt allereerst dat niet kan worden vastgesteld wat het concrete, gestelde auteursrechtelijk beschermde werk is, omdat het bureau geen kopieën van haar eigen ontwerpen in het geding heeft gebracht, maar enkel een deurwaardersproces-verbaal met screenshots van de (vermeend inbreukmakende) website. Zonder inzicht in het oorspronkelijke werk kan niet worden beoordeeld of sprake is van een eigen intellectuele schepping en evenmin of inbreuk is gemaakt. Bovendien slaagt het beroep van de opdrachtgever op art. 8 Auteurswet: bij een opdrachtrelatie als de onderhavige, waarin een vennootschap het werk als van haar afkomstig openbaar maakt zonder vermelding van een natuurlijke maker, geldt zij als maker en daarmee als auteursrechthebbende, tenzij anders is overeengekomen. Van afwijkende afspraken is niet gebleken. De vorderingen in conventie worden daarom afgewezen en het bureau wordt veroordeeld in de proceskosten.

IEF 23281

Afwijzing IE-vorderingen inzake vouwbare oprijplaten

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29 jan 2026, IEF 23281; ECLI:NL:RBZWB:2025:9811 ([producent A] tegen [producent B]), https://ie-forum.nl/artikelen/afwijzing-ie-vorderingen-inzake-vouwbare-oprijplaten

Rb. Zeeland-West-Brabant 29 januari 2025, IEF 23281; ECLI:NL:RBZWB:2025:9811 ([producent A] tegen [producent B]). In het vonnis van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant vorderde producent A onder meer een verklaring voor recht dat producent B inbreuk maakte op haar auteursrechten op vouwbare oprijplaten met scharnierconstructie, zich schuldig maakte aan slaafse nabootsing en misleidende of vergelijkende reclame, alsmede diverse verboden, rectificatie, terughaal- en vernietigingsmaatregelen en schadevergoeding. De rechtbank toetst het beroep op auteursrecht aan art. 1 en 10 Aw, uitgelegd conform de rechtspraak van het HvJ EU (o.a. Cofemel en Brompton): vereist is dat het voortbrengsel een oorspronkelijk werk is dat het resultaat vormt van vrije en creatieve keuzes. De door producent A aangewezen elementen, het profielpatroon, de handgrepen, het scharnier en het (optionele) kantelbare klepprofiel, acht de rechtbank overwegend technisch of functioneel bepaald. Producent A heeft onvoldoende concreet onderbouwd welke creatieve keuzes daarin tot uitdrukking komen. Ook de combinatie van deze elementen levert geen eigen intellectuele schepping op. De oprijplaat mist daarom het vereiste oorspronkelijk karakter en komt niet voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking.