4 aug 2026,
‘De Natuurgrazerij’ maakt inbreuk op handelsnaam ‘De Grazerij’
Rb. Noord-Nederland 4 augustus 2026, IEF 23898; ECLI:NL:RBNNE:2026:4224 (De Grazerij tegen [gedaagde]). De kantonrechter oordeelt dat het gebruik van de handelsnaam ‘De Natuurgrazerij’ inbreuk maakt op het handelsnaamrecht van De Grazerij. Vaststaat dat De Grazerij haar handelsnaam eerder voerde en dat beide ondernemingen boerderijwinkels exploiteren waarin onder meer vlees van een eigen rundveekudde wordt verkocht. Volgens de kantonrechter wijkt ‘De Natuurgrazerij’ slechts in geringe mate af van ‘De Grazerij’, omdat het onderscheidende bestanddeel ‘Grazerij’ volledig is overgenomen. Ook is verwarringsgevaar te vrezen, nu de ondernemingen dezelfde aard hebben, niet is gebleken dat zij zich op een verschillend publiek richten en zij op slechts ongeveer vijftien kilometer van elkaar zijn gevestigd. Dat de gedaagde zijn handelsnaam voorafgaand aan de procedure al had gewijzigd, staat niet aan toewijzing van het verbod in de weg, omdat de oude handelsnaam tijdens de procedure nog via derden en Google op internet zichtbaar bleek. De kantonrechter verklaart daarom voor recht dat sprake is en is geweest van handelsnaaminbreuk en beveelt de gedaagde iedere inbreuk te staken en gestaakt te houden. Bij een nieuwe overtreding moet De Grazerij hem eerst aanschrijven en zeven dagen geven om de inbreuk te beëindigen. Daarna geldt een dwangsom van €50 per dag, met een maximum van €250 per inbreuk.
De kantonrechter wijst daarnaast een proceskostenvergoeding op grond van artikel 1019h Rv toe, maar niet de volledige door De Grazerij opgevoerde kosten van €9.825,25. De zaak wordt aangemerkt als een eenvoudige IE-bodemzaak, waarvoor volgens de Indicatietarieven in IE-zaken een maximum van €9.600 geldt. De kantonrechter vindt ook dat maximum in dit geval niet redelijk en evenredig, omdat de handelsnaaminbreuk inhoudelijk nauwelijks is betwist en de procedure grotendeels over de proceskosten zelf is gaan draaien. Daarbij weegt mee dat de gedaagde vóór de procedure al stappen had gezet om het gebruik van de handelsnaam te beëindigen en dat geen sprake is van een bewuste inbreuk of kwade trouw. Voor de advocaatkosten wordt daarom €7.000 toegewezen. Met dagvaardingskosten, griffierecht en nakosten komt de totale proceskostenveroordeling uit op €7.810,73. De gevorderde wettelijke rente over €1.250 vanaf 27 mei 2025 wordt afgewezen, omdat de redelijke en evenredige kosten ex artikel 1019h Rv pas bij dit vonnis zijn vastgesteld. Over de proceskosten is wel wettelijke rente verschuldigd als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving worden betaald.
Inbreuk handelsnaam
4.1.
De kantonrechter ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of [gedaagde] inbreuk heeft gemaakt op het handelsnaamrecht van De Grazerij. [gedaagde] heeft daartegen geen verweer gevoerd. Naar het oordeel van de kantonrechter is daar sprake van. Dit wordt hierna toegelicht.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat “De Grazerij” een handelsnaam is in de zin van artikel 1 van de Handelsnaamwet (hierna: Hnw) en dat De Grazerij die handelsnaam eerder voerde dan [gedaagde] de handelsnaam ‘Natuurgrazerij’ is gaan voeren. De handelsnaam van De Grazerij wordt door artikel 5 Hnw beschermd. Op grond van artikel 5 Hnw kan De Grazerij het voeren van een jongere handelsnaam, die identiek is aan haar handelsnaam of slechts in geringe mate daarvan afwijkt, verbieden indien door dat voeren van die handelsnaam bij het publiek verwarring tussen de ondernemingen te vrezen is. Volgens vaste rechtspraak moeten bij die beoordeling alle relevante omstandigheden worden betrokken.
4.3.
Naar het oordeel van de kantonrechter wijkt de naam “De Natuurgrazerij” in geringe mate af van de naam “De Grazerij” aangezien het onderscheidende bestandsdeel “Grazerij” volledig is overgenomen. Met het gebruik van de handelsnaam “De Natuurgrazerij” is verwarringsgevaar bij het publiek te vrezen. Hierbij acht de kantonrechter van belang dat het gaat om ondernemingen die een vergelijkbaar product aanbieden. Beide ondernemingen exploiteren een boerderijwinkel waar vlees wordt verkocht van een eigen kudde runderen. Daarmee is de aard van de ondernemingen hetzelfde. Ook is niet gebleken dat zij zich ieder op een ander publiek richten. Tot slot acht de kantonrechter relevant dat de ondernemingen op slechts 15 km van elkaar gevestigd zijn.
4.4.
Gelet op het voorgaande heeft [gedaagde] inbreuk gemaakt op de handelsnaam van De Grazerij. De gevorderde verklaring voor recht wijst de kantonrechter dus toe. Daarnaast zal [gedaagde] worden veroordeeld om iedere inbreuk op de handelsnaamrechten van De Grazerij te staken en gestaakt te houden. Weliswaar heeft [gedaagde] zijn handelsnaam al voorafgaand aan deze procedure gewijzigd, maar tijdens deze procedure bleek dat “De Natuurgrazerij” nog steeds diverse keren op internet zichtbaar is geweest bij derden en via Google. Daarom wijst de kantonrechter ook de gevorderde dwangsom toe. Wel zal de kantonrechter bepalen dat De Grazerij [gedaagde] bij een geconstateerde inbreuk eerst dient aan te schrijven, waarbij aan hem een termijn van zeven dagen wordt geboden om de overtreding te (laten) beëindigen. Indien [gedaagde] de inbreuk niet binnen die zeven dagen beëindigt, wordt de dwangsom opeisbaar. De hoogte van de dwangsom zal worden bepaald op een bedrag van € 50,00 voor iedere dag of deel van de dag dat de inbreuk na een termijn van zeven dagen niet wordt beëindigd. Het maximum per inbreuk wordt bepaald op
€ 250,00.