Handelsnaamrecht  

IEF 23508

Rb. Midden-Nederland: Geen inbreuk op woordmerk of handelsnaam

Rechtbank Midden-Nederland 8 apr 2026, IEF 23508; ECLI:NL:RBMNE:2026:1658 (([eiseres] tegen [gedaagde])), https://ie-forum.nl/artikelen/rb-midden-nederland-geen-inbreuk-op-woordmerk-of-handelsnaam

Rb. Midden-Nederland 8 april 2026, IEF23508; ECLI:NL:RBMNE:2026:1658 ([eiseres] tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland heeft in deze zaak geoordeeld over een geschil tussen [eiseres] en [gedaagde] over vermeende merkinbreuk en handelsnaaminbreuk. [eiseres] exploiteert een juridisch netwerk, detacheert juristen en is houdster van een woordmerk dat ook als handelsnaam wordt gebruikt. [gedaagde] houdt zich eveneens bezig met het detacheren van juristen. Zij gebruikt een handelsnaam en logo waarin deels dezelfde woorden voorkomen, aangevuld met een werkwoord en vormgegeven in een zogenoemde “I love”-stijl. [eiseres] vordert in kort geding een verbod op het gebruik van deze handelsnaam en het logo, plus nevenvoorzieningen. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang aanwezig, gezien de gestelde voortdurende inbreuk en de lopende activiteiten van partijen. Bij de inhoudelijke beoordeling stelt de rechter voorop dat het woordmerk van [eiseres] bestaat uit beschrijvende elementen. Deze verwijzen direct naar de aard van de juridische diensten en de manier waarop die worden georganiseerd. Het merk heeft daarom van huis uit een zeer zwak onderscheidend vermogen. Volgens [eiseres] is door gebruik vanaf 2020 enig onderscheidend vermogen ontstaan. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat sprake is van een zekere toename van onderscheidend vermogen door gebruik, maar oordeelt dat onvoldoende is onderbouwd dat deze toename zodanig is dat het relevante publiek het merk met één specifieke onderneming associeert. Daardoor blijft de beschermingsomvang van het merk en de handelsnaam beperkt. Daarbij weegt mee dat beschrijvende aanduidingen beschikbaar moeten blijven voor andere marktpartijen. Bij de beoordeling van de gestelde merkinbreuk op grond van artikel 2.20 lid 2 sub b BVIE stelt de voorzieningenrechter vast dat de diensten van partijen weliswaar soortgelijk zijn. Ook is er enige overeenstemming tussen de gebruikte aanduidingen. Toch wegen de verschillen in totaalindruk zwaarder. Het teken van [gedaagde] bevat een extra woord dat visueel en auditief opvalt. Daarnaast verschilt de betekenis duidelijk. Gezien het zwakke (en slechts in beperkte mate toegenomen) onderscheidend vermogen van het merk van [eiseres] en het ontbreken van concrete verwarringsgevallen, acht de rechter verwarringsgevaar niet voldoende aannemelijk.

IEF 23499

Benelux-Gerechtshof bevestigd verwarringsgevaar tussen MyFid en IFID

BenGH 18 mrt 2026, IEF 23499; C-2024/31 ((I-FID tegen MyFid)), https://ie-forum.nl/artikelen/benelux-gerechtshof-bevestigd-verwarringsgevaar-tussen-myfid-en-ifid

BenGH 18 maart 2026, IEF23499; IEF-BE4200; C-2024/31 (I-FID tegen Myfid). Het Benelux-Gerechtshof heeft zich uitgesproken over een geschil tussen I-FID en MyFid naar aanleiding van een oppositie tegen de inschrijving van het woordmerk “IFID”. I-FID had dit merk in 2021 aangevraagd voor diensten in klasse 35, terwijl MyFid zich verzette op basis van haar oudere Benelux-woordmerk “myfid” uit 2016. Het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom had de oppositie toegewezen, waarna I-FID beroep instelde. Het hof stelt voorop dat het relevante publiek bestaat uit zowel algemene consumenten als gespecialiseerde afnemers van boekhoudkundige en administratieve diensten binnen de Benelux, die over een basiskennis van het Engels beschikken en een gemiddeld tot hoog aandachtsniveau hebben. Voor de beoordeling wordt uitgegaan van het laagste aandachtsniveau, zodat een gemiddeld aandachtsniveau bepalend is. Bij de vergelijking van de tekens oordeelt het hof dat sprake is van een duidelijke visuele overeenstemming, met name door het gemeenschappelijke bestanddeel “fid”, dat in beide tekens in dezelfde volgorde voorkomt. Daarnaast bestaat er een zekere mate van fonetische overeenstemming, hoewel de tekens auditief niet identiek zijn. Begripsmatig acht het hof een vergelijking niet relevant, nu “IFID” en “myfid” als fantasiewoorden zonder vaste, onmiddellijk herkenbare betekenis worden opgevat, zodat geen begripsmatige verschillen aanwezig zijn die de andere overeenstemmingen kunnen neutraliseren.

IEF 23448

Beschrijvende handelsnaam toch beschermd: Woonhub krijgt gelijk bij verwarringsgevaar

Rechtbank Oost-Brabant 31 mrt 2026, IEF 23448; ECLI:NL:RBOBR:2026:2053 (Woonhub tegen [gedaagden]), https://ie-forum.nl/artikelen/beschrijvende-handelsnaam-toch-beschermd-woonhub-krijgt-gelijk-bij-verwarringsgevaar

Rb. Oost-Brabant 31 maart 2026, IEF 23448; ECLI:NL:RBOBR:2026:2053 (Woonhub tegen [gedaagden]). In dit kort geding staat de vraag centraal of het gebruik van de handelsnaam “WoonHub” door [gedaagden] inbreuk maakt op de oudere handelsnaam “Woonhub” van eiseres, een makelaarskantoor. [gedaagden] exploiteren een aannemersbedrijf en gebruiken (vrijwel) identieke handelsnamen en domeinnamen. De voorzieningenrechter stelt voorop dat op grond van artikel 5 Handelsnaamwet beslissend is of verwarringsgevaar te duchten is. Hoewel de handelsnaam “Woonhub” deels beschrijvend is, heeft deze door de combinatie met “hub” een (beperkt) onderscheidend vermogen. Gezien de vrijwel identieke handelsnamen, het opereren in dezelfde regio en binnen dezelfde vastgoedketen (makelaardij en bouw), en het gebruik van internet waardoor een breder publiek wordt bereikt, is verwarringsgevaar aannemelijk. Daarbij weegt mee dat concrete gevallen van verwarring zijn gesteld, onder meer via berichten van derden en online uitingen.

IEF 23387

Vorderingen van ARDEX tegen ADEX wegens gestelde merk- en handelsnaaminbreuk en onrechtmatige daad afgewezen

Rechtbank Den Haag 12 mrt 2026, IEF 23387; ECLI:NL:RBDHA:2026:5128 (ARDEX tegen ADEX), https://ie-forum.nl/artikelen/vorderingen-van-ardex-tegen-adex-wegens-gestelde-merk-en-handelsnaaminbreuk-en-onrechtmatige-daad-afgewezen

Rb. Den Haag 12 maart 2026, IEF 23387; ECLI:NL:RBDHA:2026:5128 (ARDEX tegen ADEX). In dit kort geding traden ARDEX GmbH en ARDEX Nederland B.V. op tegen ADEX Projecten B.V., ADEX Diensten B.V., ADEX Grondstoffen B.V., ADEX Milieu B.V., ADEX Materieel B.V. en Aannemingen Beheer B.V.. ARDEX stelde dat ADEX door het gebruik van ADEX als teken, handelsnaam en domeinnaam inbreuk maakte op de ARDEX-Uniemerken en het ingeroepen Benelux-/internationale merk, primair op grond van artikel 9 lid 2 sub c UMVo en artikel 2.20 lid 2 sub c BVIE, en subsidiair op grond van artikel 9 lid 2 sub b UMVo en artikel 2.20 lid 2 sub b BVIE. Daarnaast beriep ARDEX zich op artikel 5 Hnw, artikel 5a Hnw en subsidiair op artikel 6:162 BW. De voorzieningenrechter achtte zich bevoegd en nam spoedeisend belang aan, omdat ARDEX na ontdekking van de naamswijziging van Bnext.nl naar ADEX in het voorjaar van 2025 voldoende voortvarend had gehandeld met een sommatiebrief, een BBIE-procedure en daarna dit kort geding; de eenzijdige onthoudingsverklaring van ADEX Diensten en ADEX Grondstoffen van 12 februari 2026 nam dat spoedeisend belang niet weg, omdat die verklaring niet volledig tegemoetkwam aan wat ARDEX vorderde.

IEF 23377

Beschrijvende handelsnaam mist onderscheidend vermogen, geen sprake van verwarringsgevaar

Rechtbank Amsterdam 26 feb 2026, IEF 23377; ECLI:NL:RBAMS:2026:2028 (Experiencegift tegen Hotelgiftcard), https://ie-forum.nl/artikelen/beschrijvende-handelsnaam-mist-onderscheidend-vermogen-geen-sprake-van-verwarringsgevaar

Rb. Amsterdam 26 februari 2026, IEF 23377; ECLI:NL:RBAMS:2026:2028 (Experiencegift tegen Hotelgiftcard). Experiencegift vordert in kort geding een verbod op het gebruik van de handelsnaam “Hotelgiftcard” door Hotelgiftcard, stellende dat deze naam verwarringwekkend overeenstemt met haar (oudere) handelsnaam “Hotelgift”. Beide ondernemingen bieden cadeaukaarten voor hotelovernachtingen aan. Daarnaast vordert Experiencegift overdracht van de domeinnaam en vergoeding van proceskosten. Hotelgiftcard voert verweer en stelt in reconventie onder meer dat Experiencegift onrechtmatig handelt door consumenten te betalen voor (positieve) reviews.

IEF 23334

Onrechtmatige concurrentie binnen joint venture en verbod op gebruik handelsnaam

Rechtbank Amsterdam 9 jul 2025, IEF 23334; ECLI:NL:RBAMS:2025:10424 ([eiseres] tegen [bedrijf 1] en [gedaagde 2]), https://ie-forum.nl/artikelen/onrechtmatige-concurrentie-binnen-joint-venture-en-verbod-op-gebruik-handelsnaam

Rb Amsterdam 9 juli 2025, IEF 23334; ECLI:NL:RBAMS:2025:10424 ([eiseres] tegen [bedrijf 1] en [gedaagde 2]). Een Duitse vennootschap ([eiseres]) en [gedaagde 2] zijn in 2021 een joint venture gestart om in Amsterdam flexibele werkplekken en kantoorruimte te verhuren via de holding [bedrijf 2] B.V. en de werkmaatschappij [bedrijf 3] B.V., die onder de handelsnaam [oude naam bedrijf 1] opereert. Eind 2024 richt [gedaagde 2] zonder medeweten van [eiseres] een eigen vennootschap [oude naam bedrijf 1] B.V. (later [bedrijf 1]) op, die eveneens kantoorruimte verhuurt in een pand op slechts 350 meter van [bedrijf 3], en daarbij gebruikt hij dezelfde naam, logo, formulieren en een brochure die sterk lijken op die van [bedrijf 3]. Vanuit het e‑mailaccount van [bedrijf 3] worden klanten benaderd met de mededeling dat een “brand-new location” of “new office” wordt geopend op het adres van [bedrijf 1], waardoor de nieuwe onderneming wordt gepresenteerd als tweede locatie van de joint venture. [eiseres] stuurt sommaties, verwijt [gedaagde 2] onrechtmatige concurrentie, gebruik van personeel en middelen van [bedrijf 3] en onttrekking van gelden (o.a. hotelkosten, facturen voor andere vennootschappen, advocaatkosten voor het pand van [bedrijf 1] en een domeinnaam voor een andere onderneming). Zij vordert in kort geding onder meer: schorsing van [gedaagde 2] als bestuurder, terugbetaling van ruim 53.000 euro aan [bedrijf 3], overdracht van bankpassen en administratie, een verbod op alle concurrerende activiteiten, een verbod op gebruik van de handelsnaam [oude naam bedrijf 1] of gelijkende namen, diverse gedragsverboden (contact met klanten en personeel, gebruik van e‑mailadressen, bankrekening en bedrijfsinformatie van [bedrijf 3], “aanhaken” bij diens stijl en identiteit) en dwangsommen, plus proceskosten (waarbij zij voor het handelsnaamaspect art. 1019h Rv inroept).

IEF 23323

Uitspraak ingezonden door Jesper Vrielink, Jeroen Boelens en Susanne Bijvank, CMS.

Rb. Amsterdam: geen verbod op handelsnaam Hotelgiftcard ondanks grote gelijkenis met Hotelgift

Rechtbank Amsterdam 26 feb 2026, IEF 23323; C/13/782572 (Experiencegift tegen Hotelgiftcard), https://ie-forum.nl/artikelen/rb-amsterdam-geen-verbod-op-handelsnaam-hotelgiftcard-ondanks-grote-gelijkenis-met-hotelgift

Rb. Amsterdam 26 februari 2026, IEF 23323; C/13/782572 / KG ZA 26-70 MK/JD (Experiencegift tegen Hotelgiftcard). In dit kort geding vorderde Experiencegift een verbod op het gebruik van de handelsnamen HOTELGIFTCARD en HOTELGIFTCARD.COM, overdracht van de domeinnaam hotelgiftcard.com en nevenvoorzieningen, omdat Hotelgiftcard.com volgens haar inbreuk maakte op haar oudere handelsnaam Hotelgift in de zin van artikel 5 Handelsnaamwet en daarnaast onrechtmatig handelde. De voorzieningenrechter stelt voorop dat moet worden beoordeeld onder welke naam partijen hun onderneming daadwerkelijk drijven, of de namen slechts in geringe mate van elkaar afwijken en of daardoor, gelet op de aard van de ondernemingen, hun vestigingsplaats en alle overige omstandigheden, bij het publiek verwarring tussen die ondernemingen te duchten is. De rechter acht voldoende aannemelijk dat Experiencegift haar onderneming mede onder de naam Hotelgift drijft, ook al gebruikt zij die naam niet steeds eenduidig en soms ook als productaanduiding. Eveneens acht de rechter niet aannemelijk dat de wederpartij uitsluitend de naam Hotelgiftcard.com voert: in het normale taalgebruik wordt ook Hotelgiftcard gebruikt, terwijl de toevoeging “.com” vrijwel geen onderscheidend vermogen toevoegt. Vervolgens oordeelt de rechter dat Hotelgift en Hotelgiftcard slechts gering van elkaar afwijken, omdat het element “card” in deze context, beide ondernemingen verkopen hotelcadeaukaarten, nauwelijks onderscheidend is.

IEF 23284

Geen merkinbreuk of handelsnaaminbreuk door “Partij met Lef!

Rechtbank Rotterdam 30 jan 2026, IEF 23284; ECLI:NL:RBROT:2026:857 (LEF tegen Groep de Rijke), https://ie-forum.nl/artikelen/geen-merkinbreuk-of-handelsnaaminbreuk-door-partij-met-lef

Rb. Rotterdam 30 januari 2026, IEF 23284; ECLI:NL:RBROT:2026:857 (LEF tegen Groep de Rijke). In dit kort geding vordert politieke partij LEF dat Groep de Rijke het gebruik van de naam “Partij met Lef!” staakt wegens inbreuk op haar Benelux-beeldmerk, (spoedgeregistreerde) woordmerk “LEF” en handelsnaam, dan wel wegens onrechtmatig handelen. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af. Bij vergelijking van het volledige geregistreerde beeldmerk van LEF met de door Groep de Rijke gebruikte logo’s ontbreekt voldoende visuele, auditieve en begripsmatige overeenstemming; de verschillen in kleur, typografie, aanvullende woorden (“Partij met”) en grafische elementen maken dat geen verwarringsgevaar bestaat in de zin van art. 2.20 lid 2 sub b BVIE. Aan het subsidiaire beroep wordt niet toegekomen. Ten aanzien van het woordmerk “LEF” kan in kort geding niet worden vooruitgelopen op de definitieve registratie. Ook van handelsnaaminbreuk (art. 5 en 5a Hnw) is voorshands geen sprake: het enkele gedeelde gebruik van het woord “lef” is, gelet op de totaalindruk en de context, onvoldoende voor verwarringsgevaar. Daarmee is ook onrechtmatig handelen niet aannemelijk.

IEF 23240

Gebruik handelsnaam ‘Box Brownies’ levert verwarringsgevaar op met ‘The Brownie Box’

Rechtbank Den Haag 20 jan 2026, IEF 23240; ECLI:NL:RBDHA:2026:851 (The Brownie Box tegen Online Retail Services), https://ie-forum.nl/artikelen/gebruik-handelsnaam-box-brownies-levert-verwarringsgevaar-op-met-the-brownie-box

Rb. Den Haag 20 januari 2026, IEF 23240; ECLI:NL:RBDHA:2026:851 (The Brownie Box tegen Online Retail Services). In dit kort geding oordeelt de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag dat Online Retail Services B.V. met het gebruik van de handelsnaam “Box Brownies” inbreuk maakt op de oudere handelsnaam “The Brownie Box” van eiseres. The Brownie Box voert deze naam sinds 2018 voor de online verkoop van brownies, terwijl Online Retail Services sinds 2024 onder een sterk overeenstemmende naam actief is in dezelfde markt en landelijk opereert via een webshop. Het beroep van Online Retail Services op rechtsverwerking wordt verworpen: het enkele feit dat The Brownie Box niet direct is opgetreden en eerder slechts een overnamevoorstel heeft afgewezen, rechtvaardigt niet het vertrouwen dat zij haar handelsnaamrechten niet meer geldend zou maken.

IEF 23235

Uitspraak ingezonden door Margriet Koedooder en Victor den Hollander, de Vos & Partners Advocaten.

Dash Berlin mag weer gebruikt worden door de originele artiest, Jeffrey Sutorius

Hof Den Haag 20 jan 2026, IEF 23235; ECLI:NL:GHDHA:2026:25 ([appellant 1] c.s. tegen [geïntimeerde 1] c.s.), https://ie-forum.nl/artikelen/dash-berlin-mag-weer-gebruikt-worden-door-de-originele-artiest-jeffrey-sutorius

Hof Den Haag 20 januari 2025, IEF 23235; ECLI:NL:GHDHA:2026:25 ([appellant 1] c.s. tegen [geïntimeerde 1] c.s.). Het geschil tussen partijen vindt zijn oorsprong in de beëindiging van de samenwerking rond de DJ-act Dash Berlin. De act was opgericht door [geïntimeerden 1 t/m 4], waarbij [appellant 1] als uitvoerend DJ optrad. In 2019 sloten partijen een vaststellingsovereenkomst (VSO) ter beëindiging van hun geschillen. Deze VSO voorzag erin dat [appellant 1] c.s. de act mocht voortzetten tegen betaling van een licentievergoeding, terwijl de bijbehorende activa (o.a. merk- en handelsnaamrechten) aan hem werden overgedragen. De VSO bevatte tevens een terugleverregeling voor het geval de licentievergoedingen niet (tijdig) zouden worden betaald. Daarnaast maakten partijen in artikel 21 VSO afspraken over de afwikkeling van Amerikaanse fiscale aangelegenheden tot mei 2018. In 2020 ontstond discussie over een aanzienlijke Amerikaanse belastingaanslag over 2017. [appellant 1] c.s. stelde zich op het standpunt dat deze aanslag op grond van artikel 21 VSO door [geïntimeerde 1] c.s. moest worden betaald en schortte de betaling van de licentievergoeding op. [geïntimeerde 1] c.s. betwistte dit en startte een kort geding, waarin onder meer teruglevering van de Dash Berlin-activa, een verbod op gebruik van de merken en betaling van achterstallige licentievergoedingen werd gevorderd. De voorzieningenrechter wees deze vorderingen grotendeels toe en verwierp het beroep op opschorting. [appellant 1] c.s. stelde hoger beroep in.