Gepubliceerd op dinsdag 21 juli 2026
IEF 23705
Rechtbank Amsterdam ||
17 jun 2026,
Rechtbank Amsterdam 17 jun 2026,, IEF 23705; ECLI:NL:RBAMS:2026:6093 (Openbaar Ministerie tegen [verdachte]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/dertig-maanden-gevangenisstraf-voor-openen-bankrekeningen-met-deepfakes

Dertig maanden gevangenisstraf voor openen bankrekeningen met deepfakes

Rb. Amsterdam 17 juni 2026, IEF 23705; IT 5373; ECLI:NL:RBAMS:2026:6093 (Openbaar Ministerie tegen [verdachte]). De verdachte opent tussen 20 maart en 13 november 2025 op frauduleuze wijze 47 bankrekeningen bij ABN AMRO. Tijdens het digitale identificatie- en verificatieproces gebruikt hij gemanipuleerde selfies en identiteitsdocumenten om de controles van de bank te omzeilen. Daarbij worden onder meer met deepfaketechnologie gezichtskenmerken van de verdachte en van slachtoffers gecombineerd. Op zijn telefoon worden identiteitsgegevens van slachtoffers aangetroffen, evenals informatie, zoekopdrachten en aankopen die verband houden met het omzeilen van digitale identiteitscontroles. De rechtbank acht zijn verklaring dat hij vóór 28 september 2025 niet wist waarvoor zijn beeldmateriaal en de gegevens werden gebruikt ongeloofwaardig. De oplichting is voltooid doordat ABN AMRO de rekeningen heeft geopend en daarmee een dienst heeft verleend; dat enkele betaalpassen niet zijn geactiveerd, doet daaraan niet af. De verdachte wordt als alleenpleger veroordeeld voor oplichting, het vervalsen van meerdere identiteitsbewijzen en het verschaffen en voorhanden hebben van afbeeldingen van identiteitsdocumenten waarvan hij wist dat zij voor oplichting waren bestemd. Van het ten laste gelegde medeplegen wordt hij vrijgesproken, omdat geen voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander is bewezen.

Daarnaast verklaart de rechtbank bewezen dat de verdachte niet-openbare gegevens heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat deze door misdrijf waren verkregen. Dit bewezenverklaarde kan echter niet als gegevensheling in de zin van artikel 139g Sr worden gekwalificeerd. De rechtbank past naar analogie de heler-stelerregel toe: iemand kan niet wegens heling worden veroordeeld voor gegevens die hij zelf door een misdrijf heeft verkregen. Van een deel van de identiteitsbewijzen staat vast dat de verdachte deze zelf door oplichting heeft verkregen, terwijl bij de overige gegevens niet kan worden uitgesloten dat dit eveneens het geval is. Voor feit 4 wordt hij daarom ontslagen van alle rechtsvervolging. Voor de overige feiten krijgt hij een gevangenisstraf van dertig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden. De rechtbank betrekt daarbij onder meer de duur en omvang van de fraude, de daardoor mogelijk gemaakte identiteits- en bankhelpdeskfraude en zijn eerdere veroordelingen voor vermogensdelicten. In het dictum wordt de vordering van ABN AMRO toegewezen tot € 13.100 aan materiële schade en onderzoekskosten, vermeerderd met wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Conclusie

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat door middel van listige kunstgrepen bankrekeningen zijn geopend bij ABN AMRO (feit 1). Uit de bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte degene is geweest die de rekeningen op frauduleuze wijze heeft geopend. Zijn (deepfake)foto’s zijn daarvoor gebruikt en de gegevens van de slachtoffers zijn in de telefoon van verdachte aangetroffen. Uit de telefoon van verdachte blijkt verder dat hij vóór 28 september 2025 zoekopdrachten heeft ingevoerd over het openen van bankrekeningen en het doorlopen van onboarding processen bij banken. Ook zijn de gegevens van de slachtoffers eerder dan 28 september 2025 op de telefoon van verdachte gezet. De verklaring van verdachte dat hij voor 28 september 2025 niet wist waaraan hij meewerkte, acht de rechtbank daarom ongeloofwaardig. Ook de pas ná het aanvullende onderzoek gegeven verklaring van verdachte dat hij van [naam persoon] loonstroken en trustpilot reviews moest maken en dat hij daarom de gegevens van slachtoffers in zijn telefoon had, gelooft de rechtbank niet. Verdachte heeft deze verklaring eerder niet gegeven en nergens blijkt van het bestaan van [naam persoon] of van deze beweerdelijke activiteiten van verdachte.

De rechtbank is verder van oordeel dat de oplichtingen ook daadwerkelijk zijn voltooid. De oplichtingen waren erop gericht om bankrekeningen bij ABN AMRO te openen. Dit is in 47 gevallen gelukt. ABN AMRO heeft bankrekeningen geopend en betaalpassen verstuurd aan de opgegeven rekeninghouders. Daarmee heeft ABN AMRO diensten verleend. Dat in enkele gevallen de betaalpassen niet zijn geactiveerd, doet daaraan niet af. Bovendien is een deel van de bankrekeningen gebruikt voor bankhelpdeskfraude en het opnemen van contante gelden.

De rechtbank is verder van oordeel dat verdachte voor het plegen van bovengenoemde oplichtingen identiteitsbewijzen heeft vervalst (feit 2). Op de telefoon van verdachte zijn identiteitsbewijzen aangetroffen. Deze identiteitsbewijzen zijn vervolgens gebruikt bij het aanvragen van ABN AMRO rekeningen, terwijl de identiteitsbewijzen zijn vervalst door daarop een andere (deepfake)foto – soms van verdachte - te plakken. Niet is gebleken dat verdachte de vervalste identiteitsbewijzen van een ander heeft ontvangen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte degene is geweest die de identiteitsbewijzen heeft vervalst.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte ook afbeeldingen van identiteitsbewijzen en paspoorten zich heeft verschaft, ter beschikking heeft gesteld en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat deze identiteitsbewijzen bestemd waren voor oplichting (feit 3) en dat verdachte niet-openbare gegevens heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze door misdrijf zijn verkregen (feit 4).

De rechtbank is van oordeel dat verdachte ten aanzien van feiten 1 tot en met 4 gedurende de gehele ten laste gelegde periode het opzet heeft gehad op deze feiten. Uit de aangetroffen zoekopdrachten en aankopen op zijn telefoon blijkt dat verdachte gedurende de gehele periode wist waarmee hij bezig was.

De rechtbank is verder van oordeel dat het onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde medeplegen niet kan worden bewezen, omdat niet is komen vast te staan dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander. Daarom zal verdachte van het ten laste gelegde medeplegen worden vrijgesproken.