Overige  

IEF 23648

Geen resultaatsverbintenis bij softwareontwikkeling; beslag op auteursrechten blijft in stand

Rechtbank Amsterdam 29 jun 2026,, IEF 23648; ECLI:NL:RBAMS:2026:6075 ((212 tegen DPO)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-resultaatsverbintenis-bij-softwareontwikkeling-beslag-op-auteursrechten-blijft-in-stand

Rb. Amsterdam 15 april 2026, IEF 23648; ECLI:NL:RBAMS:2026:6075 (212 tegen DPO). In deze zaak tussen 212 Holding B.V. en DPO One B.V. staat de uitleg van een managementovereenkomst centraal die betrekking heeft op de commerciële ontwikkeling van software. De Rechtbank Amsterdam buigt zich over de vraag of de overeengekomen werkzaamheden moeten worden aangemerkt als een inspanningsverplichting of een resultaatsverplichting, of 212 is tekortgeschoten in de uitvoering van haar opdracht en of DPO daarom betaling van managementvergoedingen en terugbetaling van een converteerbare lening mocht weigeren. 212 verrichtte vanaf april 2024 op basis van een managementovereenkomst werkzaamheden als algemeen directeur voor DPO, een onderneming die software en diensten op het gebied van informatietechnologie en dataprivacy ontwikkelt. Tot haar taken behoorden onder meer de groei van het bedrijf, het ontwikkelen van een technische roadmap, het verbeteren van het partnermodel, het uitbreiden van het netwerk van verkooppartners en het aanscherpen van de prijsstrategie. Naast de managementovereenkomst sloten partijen een convertible loan agreement waarbij 212 € 60.000 aan DPO uitleende. Daarbij was overeengekomen dat de lening direct opeisbaar zou worden indien DPO de managementovereenkomst zou beëindigen. Nadat betaling van de managementvergoedingen uitbleef, legde 212 bovendien conservatoir beslag op de auteursrechten die rusten op het Software-as-a-Service-systeem van DPO, naast beslag op de bankrekening van DPO. Na ongeveer zes maanden ontstond een geschil. DPO stelde dat 212 haar opdracht nauwelijks had uitgevoerd, geen resultaten had geboekt, onvoldoende inzicht had gegeven in haar werkzaamheden en daardoor toerekenbaar tekort was geschoten. Volgens DPO mocht de managementovereenkomst daarom worden ontbonden, hoefden de openstaande facturen niet meer te worden betaald en mocht de terugbetaling van de lening worden opgeschort. Daarnaast vorderde DPO schadevergoeding van € 30.000 en opheffing van de door 212 gelegde conservatoire beslagen. 212 stelde daartegenover dat zij haar werkzaamheden overeenkomstig de overeenkomst had uitgevoerd, dat uitsluitend sprake was van een inspanningsverplichting en dat DPO de openstaande managementvergoedingen én de lening moest voldoen. De rechtbank stelt voorop dat de managementovereenkomst moet worden uitgelegd aan de hand van de Haviltex-maatstaf, waarbij beslissend is welke betekenis partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en wat zij over en weer van elkaar mochten verwachten.

IEF 23655

Rb. Amsterdam: Telegraaf hoeft citaat over vermeende betrokkenheid dierenactivist niet te verwijderen

Rechtbank Amsterdam 29 jun 2026,, IEF 23655; ECLI:NL:RBAMS:2025:9184 (([eiser] tegen De Telegraaf)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-amsterdam-telegraaf-hoeft-citaat-over-vermeende-betrokkenheid-dierenactivist-niet-te-verwijderen

Rb. Amsterdam 27 november 2025, IEF 23655; IT&Recht 5326; ECLI:NL:RBAMS:2025:9184 ([eiser] tegen De Telegraaf). In deze zaak tussen [eiser] en De Telegraaf staat de vraag centraal of De Telegraaf onrechtmatig heeft gehandeld door in een online artikel een citaat op te nemen waarin een derde [eiser] in verband brengt met een grote brand bij een pluimveebedrijf. [eiser], een dierenrechtenactivist die bekendstaat als de "[alias 1]", vordert – onder meer op straffe van een dwangsom – verwijdering van de passage en plaatsing van een rectificatie. Aanvankelijk was ook Mediahuis Nederland B.V. als gedaagde partij betrokken, maar de vordering tegen Mediahuis is ter zitting ingetrokken, zodat alleen de online publicatie op de website van De Telegraaf aan de orde is. De voorzieningenrechter wijst alle vorderingen af. De publicatie is niet onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW, omdat De Telegraaf de uitlating slechts als boodschapper heeft weergegeven en voldoende journalistieke zorgvuldigheid heeft betracht. De voorzieningenrechter verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. De gewraakte passage maakt deel uit van een artikel over de arrestatie van een activist die had gedreigd met brandstichting bij het kantoor van BBB. In dat artikel staat dat volgens deze activist een cel van het Animal Liberation Front onder leiding van [eiser] verantwoordelijk zou zijn voor een eerdere miljoenenbrand bij een pluimveebedrijf. Nadat [eiser] De Telegraaf had verzocht de passage te rectificeren, voegde de krant een reactie van hem aan het artikel toe waarin hij iedere betrokkenheid bij de brand en iedere band met de betreffende bron ontkent. De passage zelf werd niet verwijderd. De procedure bestond uit een kort geding met mondelinge behandeling op 24 november 2025, waarin [eiser] na debat zijn vordering tegen Mediahuis Nederland B.V. introk en uitsluitend de online publicatie op de website van De Telegraaf van [datum 1] 2025 aan de orde stelde. De voorzieningenrechter stelt voorop dat toewijzing van de gevorderde maatregelen een beperking zou vormen van de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10 EVRM en dat die beperking alleen gerechtvaardigd kan zijn indien sprake is van onrechtmatigheid in de zin van artikel 6:162 BW. Daarom moet een afweging plaatsvinden tussen enerzijds het belang van De Telegraaf om verslag te doen van nieuwswaardige gebeurtenissen en anderzijds het belang van [eiser] om niet lichtvaardig te worden blootgesteld aan beschuldigingen die zijn eer en goede naam aantasten.

IEF 23639

Periodieke Beleidsevaluatie Intellectueel Eigendom

Onderzoeksbureau Technopolis heeft het beleid van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) op het gebied van het intellectuele eigendom (IE) over de periode 2017-2024 geëvalueerd. Deze evaluatie was gericht op de vier domeinen die waar EZK verantwoordelijk voor is: octrooien, merken, tekeningen en modellen en bedrijfsgeheimen.

Technopolis concludeert dat het IE-stelsel in de basis goed functioneert. Uit het onderzoek komt een positief beeld naar voren over de juridische robuustheid, en de kwaliteit van uitvoering van het Nederlandse IE-stelsel in lijn met internationale standaarden. Dit bevestigt dat ons IE-stelsel een betrouwbaar fundament vormt voor het Nederlandse innovatie- en ondernemingsklimaat. 

Lees meer in het evaluatierapport van Technopolis: Periodieke Beleidsevaluatie Intellectueel Eigendom | Tweede Kamer der Staten-Generaal.

IEF 23630

Rectificatie bevolen na misleidende publicatie over oud-werknemer

Rechtbank Rotterdam 21 apr 2026,, IEF 23630; ECLI:NL:RBROT:2026:5250 (([eiser] tegen [gedaagde])), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rectificatie-bevolen-na-misleidende-publicatie-over-oud-werknemer

Rb. Rotterdam 21 april, IEF 23630; ECLI:N:RBROT:2026:5250 ([eiser] tegen [gedaagde]). In deze zaak tussen [eiser] en [gedaagde] staat de vraag centraal of [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door klanten van haar beautysalon te berichten dat [eiser], een voormalig werknemer, zonder haar medeweten Tikkie-betalingen van klanten zou hebben ontvangen. De voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam oordeelt dat sprake is van een feitelijk onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie. De beschuldigingen vinden onvoldoende steun in het beschikbare feitenmateriaal en tasten de goede naam van [eiser] aan. [gedaagde] moet daarom een rectificatie versturen en inzage verschaffen in de geadresseerden van zowel het oorspronkelijke bericht als de rectificatie, op straffe van een dwangsom, en wordt veroordeeld in de proceskosten. [eiser] was van mei 2023 tot februari 2025 in dienst bij [gedaagde]. Nadat tussen partijen een geschil was ontstaan over onder meer achterstallig loon, stuurde [gedaagde] in februari 2026 een e-mail aan een aantal klanten. Daarin schreef zij dat "gebleken" was dat [eiser] zonder haar medeweten klanten had verzocht betalingen via Tikkie naar haar persoonlijke rekening over te maken, dat inmiddels aangifte was gedaan en dat voor een politieonderzoek en een rechtszaak bewijs werd verzameld. Aan de ontvangers werd gevraagd hun bankgegevens te controleren en eventuele Tikkie-betalingen aan [eiser] te melden. Volgens [eiser] waren deze beschuldigingen onjuist en schadelijk voor haar reputatie. Zij wees erop dat zij meerdere betalingen via Tikkie juist op instructie of met toestemming van [gedaagde] had ontvangen. Nadat [gedaagde] weigerde haar bericht in te trekken of een rectificatie te versturen, startte [eiser] dit kort geding. De voorzieningenrechter stelt voorop dat sprake is van een botsing tussen het recht op vrijheid van meningsuiting van [gedaagde] en het recht van [eiser] op bescherming van haar goede naam. Een rectificatie kan worden bevolen wanneer sprake is van een onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie van feitelijke gegevens die onrechtmatig is jegens een ander. Daarbij zijn onder meer van belang de ernst van de beschuldiging, de mate waarin de goede naam wordt aangetast en de vraag of de beschuldiging voldoende steun vindt in het beschikbare feitenmateriaal. Volgens de voorzieningenrechter is daarvan hier sprake. Het bericht vermeldt dat "gebleken" zou zijn dat [eiser] zonder medeweten van [gedaagde] betalingen via Tikkie heeft ontvangen. Uit door [eiser] overgelegde WhatsApp-berichten blijkt echter dat [gedaagde] in meerdere gevallen juist instructie of toestemming heeft gegeven voor dergelijke betalingen. Ook heeft [eiser] per e-mail een overzicht van ontvangen betalingen aan [gedaagde] verstrekt. [gedaagde] erkent bovendien dat voor een deel van de betalingen toestemming bestond, maar stelt dat andere betalingen onterecht zijn ontvangen. Daarmee strookt haar bericht niet.

IEF 23618

Reclameovereenkomst kansspelpromotie: voorinvesteringen zonder terugbetalingsplicht, maar geen aanspraak op resterende termijnen

Rechtbank Amsterdam 27 mei 2026,, IEF 23618; ECLI:NL:RBAMS:2026:5703 (Sagevas tegen FC Afkicken), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/reclameovereenkomst-kansspelpromotie-voorinvesteringen-zonder-terugbetalingsplicht-maar-geen-aanspraak-op-resterende-termijnen

Rb. Amsterdam 27 mei 2026, IEF 23618; RB 4022; IT 5307; ECLI:NL:RBAMS:2026:5703 (Sagevas tegen FC Afkicken). De Rechtbank Amsterdam oordeelt in deze zaak over de afwikkeling van een exclusieve samenwerkingsovereenkomst tussen Sagevas, exploitant van kansspelaanbieder betFIRST, en sportmediaproducent FC Afkicken. Op grond van die overeenkomst zou FC Afkicken betFIRST exclusief promoten in haar sportmedia, maar de samenwerking is feitelijk niet uitgevoerd nadat gewijzigde wet- en regelgeving voor kansspelreclame de beoogde promotie bemoeilijkte. Sagevas had inmiddels € 420.000 aan FC Afkicken betaald en vorderde terugbetaling, primair omdat de overeenkomst volgens haar rechtsgeldig was ontbonden en de betalingen slechts voorschotten waren op nog te verrichten diensten. Daarnaast stelde Sagevas dat FC Afkicken de exclusiviteitsverplichting had geschonden en daarom een contractuele vergoeding van € 25.000 verschuldigd was. FC Afkicken voerde daartegen aan dat de betalingen geen voorschotten waren, maar voorinvesteringen in de groei van haar kanalen en onderneming, en vorderde in reconventie nog € 150.000 op basis van een niet-ondertekend addendum waarin de totale pre-payment zou zijn verhoogd naar € 570.000. De rechtbank acht zich bevoegd op grond van de forumkeuze voor de Rechtbank Amsterdam en past Nederlands recht toe op basis van de rechtskeuze in de overeenkomst; ook de subsidiaire grondslag van ongerechtvaardigde verrijking wordt wegens nauwe samenhang met de overeenkomst naar Nederlands recht beoordeeld.

IEF 23617

Rb. Gelderland: geen preventief verbod op boek over zedenzaak binnen gezin

Rechtbank Gelderland 6 jun 2026,, IEF 23617; ECLI:NL:RBGEL:2026:4331 ((de zussen tegen [gedaagden])), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-gelderland-geen-preventief-verbod-op-boek-over-zedenzaak-binnen-gezin

Rb. Gelderland 6 juni 2026, IEF nummer; ECLI:NL:RBGEL:2026:4331 (de zussen tegen [gedaagden]). De voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland heeft de vorderingen van de zussen afgewezen, die waren gericht op het voorkomen van de publicatie van een boek dat door een andere zus is geschreven over haar levensverhaal in relatie tot een omvangrijke zedenzaak binnen het gezin. Volgens de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de voorgenomen publicatie onrechtmatig is. Ook de gevorderde inzage in het manuscript wordt afgewezen. Aanleiding voor het geschil vormt een strafzaak waarin de ouders van partijen in eerste aanleg zijn veroordeeld wegens seksueel misbruik en mishandeling van hun dochters. Tegen die veroordelingen loopt nog hoger beroep. Eén van de dochters heeft samen met een journalist een boek geschreven waarin haar ervaringen centraal staan. Kort voor de geplande publicatie startten [eiser 1] en [eiser 2] een kort geding tegen [gedaagden]. De zussen vorderden inzage in het manuscript en een verbod op publicatie totdat het hoger beroep in de strafzaak tegen hun ouders zou zijn afgerond. Volgens hen levert publicatie een ontoelaatbare inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer op en bestaat het risico op psychische schade en hernieuwd slachtofferschap. Daarnaast vrezen zij dat het boek gevolgen kan hebben voor het nog lopende strafproces, bijvoorbeeld doordat getuigenverklaringen worden beïnvloed of aanvullende getuigenverhoren noodzakelijk worden. [gedaagden] beriepen zich op de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van publicatie. Zij voerden aan dat het boek een onderwerp van maatschappelijk belang behandelt, dat gebruik wordt gemaakt van gefingeerde namen en dat geen nieuwe strafrechtelijk relevante informatie of bijzonder privacygevoelige gegevens over [eiser 1] en [eiser 2] worden openbaar gemaakt. Volgens [gedaagden] is een preventief publicatieverbod slechts in uitzonderlijke gevallen toelaatbaar. De voorzieningenrechter stelt voorop dat een voorafgaand publicatieverbod een zeer ingrijpende beperking vormt van de vrijheid van meningsuiting, beschermd door artikel 10 EVRM en artikel 7 Grondwet. Voor een dergelijke maatregel geldt daarom een hoge drempel.

IEF 23615

Uitspraak ingezonden door Rogier de Vrey, CMS.

Rb. Amsterdam: minimumgarantie in advertentieovereenkomst moet worden berekend op basis van ongewijzigde CIM-kijkcijfers

Rechtbank Amsterdam 10 jun 2026,, IEF 23615; C/13/774442 ((Paramount tegen Ads)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-amsterdam-minimumgarantie-in-advertentieovereenkomst-moet-worden-berekend-op-basis-van-ongewijzigde-cim-kijkcijfers

Rb. Amsterdam 10 juni 2026, IEF 23615; C/13/774442 (Paramount tegen Ads). In deze zaak tussen Paramount en Ads & Data stond de uitleg centraal van een advertentieverkoopovereenkomst voor de Vlaamse zenders MTV Vlaanderen en Comedy Central Vlaanderen. Paramount verleende Ads daarin een exclusief recht om advertentieruimte te verkopen, terwijl Ads zich verbond tot betaling van een jaarlijkse minimumgarantie. De hoogte van die minimumgarantie werd mede bepaald door de zogenoemde Break Rating: het gemiddelde kijkcijfer van de reclameblokken op de zenders, gemeten door het Centrum voor Informatie over de Media (CIM). De overeenkomst bepaalde uitdrukkelijk dat deze Break Rating werd vastgesteld aan de hand van de door het CIM gemeten cijfers. In juli 2024 constateerde Ads een sterke stijging van de kijkcijfers van Comedy Central Vlaanderen. Naar aanleiding daarvan werd contact opgenomen met het CIM. Het CIM bevestigde dat de stijging in belangrijke mate samenhing met twee panelleden uit hetzelfde huishouden die sinds april 2024 intensief naar de zender waren gaan kijken. Hoewel het CIM sprak van een statistische uitschieter als gevolg van de beperkingen van panelonderzoek, stelde het instituut tevens vast dat deze panelleden correct waren gerekruteerd en alle onderzoeksregels volgden, zodat geen aanleiding bestond de cijfers te corrigeren. Ads stelde zich vervolgens op het standpunt dat de CIM-cijfers daardoor geen representatief beeld meer gaven van de werkelijke commerciële waarde van de zendtijd en corrigeerde de gegevens eigenhandig bij de berekening van de minimumgarantie. Paramount betwistte dat en vorderde betaling van het resterende bedrag. Bij de uitleg van de overeenkomst past de rechtbank de Haviltex-maatstaf toe. Daarbij benadrukt zij dat ook bij commerciële contracten tussen professionele partijen alle omstandigheden van het geval van belang blijven, maar dat onder omstandigheden groot gewicht kan toekomen aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen. Dat geldt volgens de rechtbank in het bijzonder wanneer sprake is van professionele partijen die met juridische bijstand uitvoerig over de inhoud van de overeenkomst hebben onderhandeld. In dit geval verwijst de contractuele definitie van Break Rating rechtstreeks naar de door het CIM gemeten cijfers.

IEF 23610

Samenvatting geschreven door Bertil van Kaam & Pascal Steijvers, Van Kaam

Rb. Noord-Holland verbiedt het opnieuw verspreiden van ernstige beschuldigingen en legt een contactverbod op

Rechtbank Noord-Holland 4 jun 2026,, IEF 23610; ECLI:NL:RBNHO:2026:6422 ((VNV tegen [gedaagde])), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-noord-holland-verbiedt-het-opnieuw-verspreiden-van-ernstige-beschuldigingen-en-legt-een-contactverbod-op

Rb. Noord-Holland 4 juni 2026, IEF 23610; ECLI:NL:RBNHO:2026:6422 (VNV tegen [gedaagde]). Eiseres in deze zaak is de Vereniging Nederlandse Verkeersvliegers (VNV). De VNV is een vakbond en beroepsvereniging van Nederlandse burgerluchtvaartpiloten. Als vakbond onderhandelt zij namens haar leden met luchtvaartmaatschappijen, zoals KLM, over uiteenlopende collectieve regelingen. Gedaagde is een natuurlijke persoon met een herstructureringsbedrijf. Hij is tevens toegevoegd gerechtsdeurwaarder. Volgens gedaagde zijn er organisatorische en financiële problemen bij KLM en is dat om uiteenlopende redenen de schuld van de VNV. Tegen deze achtergrond uit gedaagde in 2025 in diverse e-mailberichten aan de VNV, KLM, en andere vakbonden die betrokken zijn in de luchtvaartbranche, uiteenlopende beschuldigingen aan het adres van de VNV. De VNV zou om verschillende redenen onrechtmatig handelen jegens onder meer KLM. Daarnaast beschuldigt hij de VNV ervan KLM op te lichten, af te persen en zou de VNV meineed hebben gepleegd, de rechterlijke macht hebben voorgelogen, een criminele organisatie zijn en journalisten intimideren. Bovendien dreigt gedaagde in zijn berichten bij herhaling met het doen van aangifte tegen de VNV en met naam genoemde (oud-)bestuurders en kondigt hij meerdere keren aan op het kantoor van de VNV langs te komen om "het een en ander te bespreken". De VNV vordert bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland een verbod op het opnieuw verspreiden van voornoemde beschuldigingen jegens de VNV. Daarnaast vordert de VNV inzage in de lijst met namen van alle partijen aan wie gedaagde de beschuldigingen heeft verspreid en een contactverbod van 2 jaar. De voorzieningenrechter beoordeelt dit geschil in het licht van de afweging tussen twee in beginsel gelijkwaardige fundamentele grondrechten. Namelijk enerzijds het recht op vrijheid van meningsuiting van gedaagde en anderzijds het recht op de bescherming van de eer, goede naam, reputatie en eerbiediging van de persoonlijke levensfeer van de VNV.

IEF 23585

Stellantis-dealers en reparateurs kwalificeren volgens de A-G niet als franchisenemers

Hoge Raad 22 mei 2026,, IEF 23585; ECLI:NL:PHR:2026:506 (VODN c.s. tegen Stellantis), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/stellantis-dealers-en-reparateurs-kwalificeren-volgens-de-a-g-niet-als-franchisenemers

Parket bij de Hoge Raad 22 mei 2026, IEF 23585; ECLI:NL:PHR:2026:506 (VODN c.s. tegen Stellantis). In deze conclusie gaat het om de vraag of oude dealer- en reparateurovereenkomsten met Stellantis franchiseovereenkomsten zijn. VODN en VGPCN treden op voor voormalige Opel-, Peugeot-, Citroën- en DS-dealers en reparateurs. Zij willen dat wordt vastgesteld dat deze contracten onder de Wet franchise vallen. De rechtbank wees dat af. Volgens de rechtbank was niet duidelijk dat de betalingen of voordelen voor Stellantis een vergoeding waren voor het recht om een franchiseformule te gebruiken. Het hof wees de vordering ook af, maar om een andere reden. Volgens het hof was niet genoeg gesteld om aan te nemen dat alle betrokken dealers en reparateurs een Stellantis-formule moesten exploiteren. Voor franchise is meer nodig dan het verkopen of repareren van producten van een bepaald merk. Er moet sprake zijn van een formule die bepalend is voor een uniforme identiteit en uitstraling van de ondernemingen. Ook moet de formule onder meer bestaan uit een merk, handelsnaam, huisstijl of tekening én uit geheime, wezenlijke en geïdentificeerde knowhow. De A-G sluit daarbij aan. Voor de kwalificatie is niet de naam van het contract beslissend, maar de inhoud van de rechtsverhouding.

IEF 23583

Beperkte schending van geheimhoudingsbeding bij gebruik luikafbeelding

Rechtbank Overijssel 20 mei 2026,, IEF 23583; ECLI:NL:RBOVE:2026:2921 ([eiseres] tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/beperkte-schending-van-geheimhoudingsbeding-bij-gebruik-luikafbeelding

Rb. Overijssel 20 mei 2026, IEF 23583; ECLI:NL:RBOVE:2026:2921 ([eiseres] tegen [gedaagde]). Tussen [eiseres] en [gedaagde], beide actief in de jachtbouw, gold een inleenovereenkomst op grond waarvan de directeur van [gedaagde] door [eiseres] werd ingeleend voor het opzetten en marktrijp maken van een luikenprogramma. In de toepasselijke algemene voorwaarden waren geheimhoudingsverplichtingen opgenomen, waaronder een verbod om vertrouwelijke informatie bekend te maken of voor andere doeleinden te gebruiken, en een verbod om resultaten van de verrichte diensten zonder toestemming aan derden beschikbaar te stellen. Aan overtreding was een contractuele boete verbonden van € 50.000 per gebeurtenis, vermeerderd met € 5.000 per dag of dagdeel. Nadat [eiseres] in januari 2025 ontdekte dat [gedaagde] op haar eigen website een afbeelding had geplaatst van een tijdens de inleen gemaakte rendering van een scheepsluik, vorderde zij betaling van de contractuele boete. De rechtbank stelt bij de uitleg van de bedingen de tekst centraal, omdat het ging om algemene voorwaarden waarover niet was onderhandeld en partijen geen concrete omstandigheden hadden aangevoerd die een afwijkende uitleg rechtvaardigden. Volgens de rechtbank is geen sprake van schending van artikel 15 lid 1 of lid 5 onder b: uit de afbeelding konden geen technische gegevens worden afgeleid, het grootste deel van het design was al openbaar via de website van [eiseres] zelf, en het nog niet openbare element, het verdiepte kruis in het deksel, was onvoldoende concreet uitgewerkt om als vertrouwelijke informatie te gelden.