Gepubliceerd op woensdag 1 april 2026
IEF 23428
HvJ EU ||
19 mrt 2026
HvJ EU 19 mrt 2026, IEF 23428; ECLI:EU:C:2026:216 (Brillen Rottler GmbH & Co. KG tegen TC), https://ie-forum.nl/artikelen/eerste-inzageverzoek-kan-buitensporig-zijn-maar-schending-van-het-inzagerecht-kan-wel-tot-avg-schadevergoeding-leiden

Eerste inzageverzoek kan buitensporig zijn, maar schending van het inzagerecht kan wél tot AVG-schadevergoeding leiden

HvJ EU 19 maart 2026, IEF 23428; IEFbe 4172; ECLI:EU:C:2026:216 (Brillen Rottler GmbH & Co. KG tegen TC). In C-526/24 verduidelijkt het Hof de verhouding tussen art. 12 lid 5, art. 15 lid 1 en art. 82 lid 1 AVG. Aanleiding is een geschil tussen een Duits opticiensbedrijf en een particulier die zich eerst aanmeldt voor de nieuwsbrief van dat bedrijf, daarbij persoonsgegevens verstrekt, en dertien dagen later een inzageverzoek op grond van art. 15 AVG indient. Nadat het bedrijf dat verzoek afwijst met een beroep op art. 12 lid 5 AVG en stelt dat sprake is van misbruik van recht, vordert de betrokkene bovendien € 1.000 schadevergoeding op grond van art. 82 AVG. Volgens het bedrijf blijkt uit openbaar toegankelijke bronnen dat deze betrokkene stelselmatig volgens een vast patroon handelt: hij verstrekt persoonsgegevens, dient daarna een inzageverzoek in en probeert vervolgens schadevergoeding te verkrijgen wegens een vermeende AVG-schending. De verwijzende rechter vraagt het Hof daarom onder meer of ook een eerste inzageverzoek al als “buitensporig” kan gelden, of schending van het inzagerecht zelfstandig tot schadevergoeding kan leiden, en of verlies van controle of onzekerheid over persoonsgegevens als immateriële schade kan worden aangemerkt.

Het Hof oordeelt allereerst dat ook een eerste verzoek tot inzage in uitzonderlijke gevallen als “buitensporig” in de zin van art. 12 lid 5 AVG kan worden aangemerkt. Het repetitieve karakter van verzoeken is volgens het Hof slechts een aanwijzing, geen noodzakelijke voorwaarde. Omdat art. 12 lid 5 AVG een uitzondering vormt op het uitgangspunt dat de uitoefening van AVG-rechten kosteloos en gefaciliteerd moet zijn, moet die bepaling restrictief worden uitgelegd. Een verwerkingsverantwoordelijke kan dus slechts bij wijze van uitzondering weigeren om op een eerste verzoek in te gaan, en alleen wanneer hij, gelet op alle relevante omstandigheden van het geval, aantoont dat de betrokkene het verzoek formeel wel onder art. 15 AVG indient, maar materieel niet om kennis te nemen van de verwerking en de rechtmatigheid daarvan te controleren. Vereist is dat de verwerkingsverantwoordelijke opzettelijk misbruik aantoont, bijvoorbeeld omdat de betrokkene kunstmatig de voorwaarden creëert om een voordeel uit de AVG te verkrijgen, zoals een schadevergoedingsvordering. Daarbij mogen onder meer worden meegewogen: het feit dat de betrokkene de persoonsgegevens vrijwillig heeft verstrekt, het doel van die verstrekking, het tijdsverloop tussen verstrekking en inzageverzoek en het gedrag van de betrokkene. Ook openbaar toegankelijke informatie waaruit blijkt dat hij bij meerdere verwerkingsverantwoordelijken volgens een vergelijkbaar patroon inzageverzoeken en schadeclaims indient, mag in aanmerking worden genomen, mits die informatie door andere relevante gegevens wordt bevestigd. Het is echter steeds aan de verwerkingsverantwoordelijke om het buitensporige karakter van het verzoek te bewijzen.

Vervolgens beslist het Hof dat art. 82 lid 1 AVG de betrokkene een recht verleent op vergoeding van schade die voortvloeit uit een schending van het recht van inzage uit art. 15 lid 1 AVG. Het recht op schadevergoeding is dus niet beperkt tot schade die voortvloeit uit een gegevensverwerking als zodanig, maar ziet op schade ten gevolge van een inbreuk op de AVG, waaronder ook een schending van art. 12 of art. 15 AVG kan vallen. Daarom hoeft niet eerst een afzonderlijke onrechtmatige verwerking als zodanig te worden vastgesteld. Wel herhaalt het Hof dat voor schadevergoeding op grond van art. 82 AVG drie cumulatieve voorwaarden gelden: een inbreuk op de AVG, daadwerkelijk geleden materiële of immateriële schade, en een causaal verband tussen beide. Een enkele AVG-schending volstaat dus niet. Het Hof bevestigt verder dat immateriële schade ook kan bestaan uit verlies van controle over persoonsgegevens of onzekerheid over de verwerking ervan, maar alleen wanneer die schade daadwerkelijk is geleden; zij mag niet louter uit de schending worden afgeleid. Een nationale minimumdrempel voor ernst is niet toegestaan, maar de betrokkene moet wel aantonen dat hij reële immateriële schade heeft geleden. Ten slotte preciseert het Hof dat geen vergoeding verschuldigd is wanneer het gedrag van de betrokkene zelf de doorslaggevende oorzaak van de schade is geweest, bijvoorbeeld wanneer hij de situatie bewust heeft gecreëerd om een schadeclaim uit te lokken. De kern van het arrest is daarmee dat een eerste inzageverzoek onder uitzonderlijke omstandigheden als buitensporig en misbruikelijk kan worden aangemerkt, maar dat een schending van het inzagerecht in beginsel wél recht kan geven op vergoeding van ook immateriële schade, waaronder verlies van controle of onzekerheid, mits die schade daadwerkelijk is geleden en niet in overwegende mate door de betrokkene zelf is veroorzaakt.

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4, punt 2, artikel 12, lid 5, en artikel 82, lid 1, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB 2016, L 119, blz. 1, met rectificatie in PB 2021, L 74, blz. 35) (hierna: „AVG”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Brillen Rottler GmbH & Co. KG, een familiebedrijf voor opticiensdiensten, en TC, een particulier, betreffende de weigering van deze onderneming om gevolg te geven aan een door TC krachtens artikel 15 AVG ingediend verzoek tot inzage van zijn persoonsgegevens.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 12, lid 5, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)

moet aldus worden uitgelegd dat

een eerste verzoek tot inzage van persoonsgegevens dat de betrokkene op grond van artikel 15 van deze verordening bij de verwerkingsverantwoordelijke heeft ingediend, als „buitensporig” in de zin van dat artikel 12, lid 5, kan worden beschouwd wanneer die verwerkingsverantwoordelijke, gelet op alle relevante omstandigheden van het geval, aantoont dat de betrokkene dit verzoek in weerwil van de formele naleving van de in die bepalingen gestelde voorwaarden niet heeft ingediend om kennis te nemen van de verwerking van die gegevens en om de rechtmatigheid ervan te controleren, om zo bescherming te kunnen verkrijgen van de rechten die hij aan die verordening ontleent, maar om misbruik te plegen, zoals het kunstmatig creëren van de voorwaarden voor het verkrijgen van een voordeel dat uit die verordening voortvloeit. Het feit dat de betrokkene volgens openbaar toegankelijke informatie meerdere verzoeken tot inzage van zijn persoonsgegevens heeft ingediend, gevolgd door vorderingen tot schadevergoeding bij verschillende verwerkingsverantwoordelijken, mag in aanmerking worden genomen om vast te stellen of er sprake is van een dergelijk opzettelijk misbruik.

2)      Artikel 82, lid 1, van verordening 2016/679

moet aldus worden uitgelegd dat

het de betrokkene een recht verleent op vergoeding van de schade die voortvloeit uit een schending van het recht van inzage van artikel 15, lid 1, van deze verordening.

3)      Artikel 82, lid 1, van verordening 2016/679

moet aldus worden uitgelegd dat

de door de betrokkene geleden immateriële schade ook het verlies van controle over zijn persoonsgegevens of zijn onzekerheid over de verwerking ervan omvat, voor zover met name wordt aangetoond dat de betrokkene daadwerkelijk immateriële schade heeft geleden en dat zijn gedrag niet de doorslaggevende oorzaak van die schade is geweest.