Levering van 'Strekdrop' in Den Haag bevestigt bevoegdheid Rb. Den Haag in merkinbreuk-zaak
Rb. Den haag 22 april 2026, IEF23541; ECLI:NL:RBDHA:2026:9738 (Haribo c.s. tegen Felko c.s.). In deze zaak staat een merkenrechtelijk geschil centraal tussen Haribo c.s. en Felko c.s. over het gebruik van de tekens TREKDROP, STREKDROP en REKDROP voor dropproducten. Haribo behoort tot het wereldwijd opererende Haribo-concern en richt zich op de verkoop van snoepgoed in Nederland en België. Haribo c.s. is houdster van onder meer het Uniewoordmerk TREKDROP uit 1988 en een Beneluxwoordmerk TREKDROP uit 2024 voor snoep en drop in klasse 30. Felko Holland produceert en verhandelt al vanaf 2003 snoepgoed en Felko Beheer liet in 2025 de Beneluxmerken STREKDROP en REKDROP registreren en diende daarnaast een aanvraag in voor het Beneluxwoordmerk TREKDROP voor snoepgoed in klasse 30. Aanleiding voor het geschil vormt de introductie van een dropproduct onder de naam “Strekdrop” op de Nederlandse markt in augustus 2025. Haribo stelde zich op het standpunt dat daarmee inbreuk werd gemaakt op haar Trekdrop-merken en sommeerde Felko om het gebruik van de tekens te staken en de registraties van STREKDROP en REKDROP door te halen. Felko wees die bezwaren van de hand en startte op haar beurt bij het BBIE procedures tot nietig- en vervallenverklaring van Trekdrop-merken van Haribo. Het gaat daarbij om het Trekdrop Beneluxmerk uit 2024 én om een oudere Beneluxregistratie TREKDROP uit 1988. In de hoofdzaak vordert Haribo onder meer een verbod op merkinbreuk, nietigverklaring van de Felko-merken, een opgave- en recallbevel, schadevergoeding of winstafdracht, dwangsommen en proceskosten op grond van artikel 1019h Rv. Subsidiair beroept Haribo zich op oneerlijke mededinging en onrechtmatige daad. Volgens Haribo heeft Felko bovendien te kwader trouw merken aangevraagd. In een incident ex artikel 223 Rv vorderde Haribo alvast voorlopige voorzieningen voor de duur van het geding, waaronder een voorlopig inbreukverbod en een bevel tot staking van de daden van oneerlijke mededinging, een dwangsom en proceskosten. Felko voerde in een bevoegdheidsincident aan dat de rechtbank Den Haag niet bevoegd zou zijn om van de zaak kennis te nemen. Volgens Felko was de gestelde merkinbreuk na de sommatie gestaakt, zodat ten tijde van de dagvaarding geen sprake meer zou zijn geweest van inbreukmakende handelingen of oneerlijke handelspraktijken in Nederland. Daarom zou de rechtbank Noord-Holland bevoegd zijn op grond van de woonplaats van gedaagden (art. 99 Rv) en zou de rechtbank Den Haag zich op grond van artikel 110 Rv onbevoegd moeten verklaren. De rechtbank Den Haag volgt dat standpunt niet. Zij kwalificeert de merkinbreukvorderingen én de vorderingen gebaseerd op oneerlijke handelspraktijken/oneerlijke mededinging als vorderingen uit onrechtmatige daad. Vervolgens verwijst de rechtbank naar artikel 102 Rv, dat bevoegdheid toekent aan de rechter van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. Daarbij sluit de rechtbank aan bij de rechtspraak van het Hof van Justitie over artikel 7 lid 2 Brussel I-bis-Vo, waarin onder meer is bepaald dat onder “plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” de plaats van de veroorzakende gebeurtenis én de plaats waar de schade intreedt valt.