Procesrecht  

IEF 23725

Ex parte verbod wegens inbreuk op Philips-merken en modelrecht

Rechtbank Den Haag 29 jun 2026,, IEF 23725; ECLI:NL:RBDHA:2026:19388 (Koninklijke Philips N.V. en [gerekwestreerde 1] en [gerekwestreerde 2]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/ex-parte-verbod-wegens-inbreuk-op-philips-merken-en-modelrecht

Rb. Den Haag 29 juni 2026, IEF 23725; ECLI:NL:RBDHA:2026:19388 (Koninklijke Philips N.V. en [gerekwestreerde 1] en [gerekwestreerde 2]). In deze zaak tussen Koninklijke Philips N.V. en [gerekwestreerde 1] en [gerekwestreerde 2] staat de gestelde inbreuk op Uniewoordmerken en een model van Philips centraal. Philips verzoekt de voorzieningenrechter om zonder voorafgaand verhoor van [gerekwestreerden] een onmiddellijk verbod op te leggen. De voorzieningenrechter acht de geldigheid van de door Philips ingeroepen rechten voorshands voldoende aannemelijk. Philips heeft daarnaast voldoende aannemelijk gemaakt dat [gerekwestreerden] inbreuk maken op deze rechten. De beschikking vermeldt niet om welke producten het precies gaat, maar verwijst naar de in het verzoekschrift omschreven inbreukmakende producten.

IEF 23723

Rb. Den Haag: ex parte verbod op handel in Volkswagen ID.6 wegens merkinbreuk

Rechtbank Den Haag 26 jun 2026,, IEF 23723; ECLI:NL:RBDHA:2026:19391 (Volkswagen Aktiengesellschaft tegen [gerekwestreerde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-den-haag-ex-parte-verbod-op-handel-in-volkswagen-id-6-wegens-merkinbreuk

Rb. Den Haag 26 juni 2026, IEF 23723; ECLI:NL:RBDHA:2026:19391 (Volkswagen Aktiengesellschaft tegen [gerekwestreerde]). In deze zaak tussen Volkswagen Aktiengesellschaft en [gerekwestreerde] staat de gestelde inbreuk op de merkrechten van Volkswagen door de handel in Volkswagen ID.6-auto’s centraal. Volkswagen verzoekt de voorzieningenrechter om zonder voorafgaand verhoor van [gerekwestreerde] een verbod op te leggen. De voorzieningenrechter acht de geldigheid van de door Volkswagen ingeroepen merkrechten voorshands voldoende aannemelijk. Ook heeft Volkswagen voldoende aannemelijk gemaakt dat [gerekwestreerde] inbreuk op deze rechten maakt. Uit de beschikking volgt dat de gestelde inbreuk bestaat uit het invoeren, uitvoeren, aanbieden, in de handel brengen of voor deze doeleinden in voorraad hebben van auto’s van het type Volkswagen ID.6.

IEF 23722

Verzoeken over verkoop van IE-rechten vallen grotendeels buiten artikel 69 Fw

Rechtbank Den Haag 21 jul 2026,, IEF 23722; ECLI:NL:RBDHA:2026:21050 (4ML B.V. tegen de curator in de faillissementen van [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V.), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/verzoeken-over-verkoop-van-ie-rechten-vallen-grotendeels-buiten-artikel-69-fw

Rb. Den Haag 21 juli 2026, IEF 23722; ECLI:NL:RBDHA:2026:21050 (4ML B.V. tegen de curator in de faillissementen van [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V.). In deze zaak tussen 4ML B.V. en de curator in de faillissementen van [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. staat de vraag centraal of nader onderzoek nodig is naar intellectuele eigendomsrechten op twee formules voor verfpoeder. Daarnaast beoordeelt de rechtbank welke verzoeken een schuldeiser op grond van artikel 69 Fw aan de rechter-commissaris kan voorleggen. De gefailleerde vennootschappen hielden zich bezig met een verfformule die aanvankelijk werd aangeduid als RWP100. Volgens 4ML is deze formule later doorontwikkeld tot RWP203. Beide formules en de daarop rustende IE-rechten behoren volgens 4ML tot de faillissementsboedel. De curator is van plan de IE-rechten op RWP100 te verkopen, maar beschouwt RWP203 niet als onderdeel van de boedel. 4ML stelt dat de boedel hierdoor wordt benadeeld en verzocht de rechter-commissaris onder meer om nader onderzoek naar de eigendom van RWP203, de veiligstelling van mogelijke boedelactiva, mogelijke bestuurdersaansprakelijkheid en de waarborgen rond het verkoopproces. Ter ondersteuning van haar standpunt verwijst 4ML naar een e-mail van een voormalig bestuurder uit 2022, waarin wordt gesproken over de binnen de gefailleerde vennootschappen ontwikkelde titaniumdioxidevrije formules RWP100 en RWP203. Ook beroept 4ML zich op een vergelijkend onderzoek van Nebest. Daaruit blijkt volgens haar dat de onderzochte verfpoeders dezelfde organische componenten bevatten en slechts op enkele punten verschillen. Verder acht 4ML het ongeloofwaardig dat de voormalige bestuurders hebben verklaard de formule van RWP203 niet in hun bezit te hebben. De curator stelt daartegenover dat uitgebreid onderzoek is verricht. Uit een technisch laboratoriumonderzoek is niet gebleken dat RWP100 en RWP203 dezelfde formule hebben. Ook heeft de curator een accountant onderzoek laten doen bij [bedrijf 3] B.V., de vennootschap waarbinnen RWP203 volgens haar bestuurder zou zijn ontwikkeld. Uit dat onderzoek blijkt niet dat [bedrijf 3] B.V. omzet met een verfproduct heeft behaald. De curator heeft daarom geen schade voor de gefailleerde vennootschappen en geen onrechtmatige doorontwikkeling of verduistering van IE-rechten kunnen vaststellen.

IEF 23629

Geen merkinbreuk: Container Centralen onderbouwt handel in eurocontainers onvoldoende

Rechtbank Den Haag 3 jun 2026,, IEF 23629; ECLI:NL:RBDHA:2026:14890 ((Container Centralen tegen Celieplant).), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-merkinbreuk-container-centralen-onderbouwt-handel-in-eurocontainers-onvoldoende

Rb. Den Haag 3 juni 2026, IEF 23629; ECLI:NL:RBDHA:2026:14890 (Container Centralen tegen Celieplant). In deze zaak tussen Container Centralen en Celieplant staat de vraag centraal of Celieplant toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomsten, merkinbreuk heeft gemaakt of onrechtmatig heeft gehandeld door eurocontainers van Container Centralen of daarop gelijkende containers op te slaan en in circulatie te brengen. De Rechtbank Den Haag oordeelt dat Container Centralen haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Alle vorderingen worden afgewezen. De eerder ten laste van Celieplant gelegde bewijsbeslagen worden opgeheven. Container Centralen exploiteert een rouleersysteem van zogenoemde CC Eurocontainers, die veel worden gebruikt in de bloemen- en potplantenbranche. Zij is houdster van een Uniebeeldmerk voor onder meer deze containers. Het modelrecht en het octrooirecht op de CC Eurocontainer zijn inmiddels verlopen. Celieplant is actief als importeur, exporteur en commissionair van planten en was tot 2023 deelnemer aan het CC Eurocontainer Poolsysteem. Daarnaast huurt zij ook eurocontainers van andere marktpartijen. Aanleiding voor het geschil vormde een bewijsbeslag dat Container Centralen in maart 2024 liet leggen bij J.B.B. Pack. Volgens het proces-verbaal van de deurwaarder werden daar zowel "originele EC-containers" als "nagenoeg identieke imitatie EC-containers" aangetroffen. Ook bij Celieplant werd later bewijsbeslag gelegd. Container Centralen stelde dat Celieplant haar contractuele verplichtingen had geschonden door CC Eurocontainers op het terrein van JBB te stallen en daarnaast merkinbreuk maakte door originele en namaakcontainers aan te bieden, te verhuren of anderszins in circulatie te brengen. Volgens Container Centralen leidde dit bovendien tot vervuiling van haar poolsysteem, omdat namaakcontainers niet van originele containers zouden zijn te onderscheiden. De rechtbank volgt die redenering niet. Zij stelt voorop dat de CC Eurocontainers die Celieplant op grond van de OWS-overeenkomsten huurt een gesloten route afleggen: Container Centralen levert de containers af en haalt deze ook zelf weer op bij de eindafnemer. Die containers kunnen daarom niet bij Celieplant achterblijven. Verder heeft Celieplant voldoende onderbouwd dat zij ook eurocontainers van andere marktpartijen huurt. Tussen partijen staat vast dat inmiddels meerdere ondernemingen vergelijkbare eurocontainers produceren en aanbieden. Omdat zowel het modelrecht als het octrooirecht van Container Centralen zijn verlopen, mogen andere marktpartijen dergelijke containers in beginsel vervaardigen en verhuren. Het staat Celieplant eveneens vrij om deze te huren.

IEF 23627

Rb. Amsterdam: klantenbestand kwalificeert als bedrijfsgeheim

Rechtbank Amsterdam 11 jun 2026,, IEF 23627; ECLI:NL:RBAMS:2026:5976 ((TMU tegen [gedaagde])), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-amsterdam-klantenbestand-kwalificeert-als-bedrijfsgeheim

Rb. Amsterdam 11 juni 2026, IEF 23627; IT 5312; ECLI:NL:RBAMS:2026:5976 (TMU tegen [gedaagde]). In deze zaak tussen TMU en [gedaagde] staat de vraag centraal of [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door een klantenbestand van TMU te gebruiken voor eigen marketingactiviteiten. De voorzieningenrechter oordeelt dat het klantenbestand van TMU een bedrijfsgeheim vormt en dat [gedaagde] door het zonder toestemming gebruiken van dat bestand onrechtmatig heeft gehandeld op grond van onder meer artikel 6:162 BW en de Wet bescherming bedrijfsgeheimen (Wbb). [gedaagde] wordt bevolen ieder verder gebruik van het klantenbestand te staken en opgave te doen van de met het bestand verrichte marketingactiviteiten en de daarmee behaalde omzet en winst. TMU is actief op het gebied van handelseducatie en financiële markten en verkoopt cursussen over handelen op de financiële markt. [gedaagde] exploiteert een concurrerende onderneming. Partijen hadden sinds 2022 zowel een zakelijke als persoonlijke relatie. In april 2026 verstuurde [gedaagde] vanaf zijn eigen e-mailadres een commerciële e-mail aan een groot aantal adressen die onderdeel bleken te zijn van het klantenbestand van TMU. In die e-mail presenteerde hij zich als de "mentor van uw mentor" en maakte hij reclame voor zijn eigen diensten. Daarnaast plaatste hij een vergelijkbaar bericht op Telegram. Van de 66 adressen waarvan TMU meldingen ontving, kwamen er 64 voor in haar klantenbestand. Elf ontvangers verklaarden bovendien dat zij het betreffende e-mailadres uitsluitend gebruikten voor hun account bij TMU. Volgens TMU had een voormalig opdrachtnemer eind 2025 een grote hoeveelheid vertrouwelijke bedrijfsinformatie ontvreemd, waaronder het klantenbestand. TMU stelde dat [gedaagde] daarmee onrechtmatig handelde en tevens in strijd met de Wet bescherming bedrijfsgeheimen (Wbb) en de regels over vergelijkende reclame. [gedaagde] voerde aan dat hij het adressenbestand anoniem had ontvangen via een link, er niet voor had betaald en niet wist van wie het afkomstig was. Nadat hij de e-mails had verzonden, zou hij het bestand weer hebben verwijderd. De voorzieningenrechter overweegt dat [gedaagde] onder deze omstandigheden had moeten begrijpen dat een dergelijk klantenbestand economische waarde vertegenwoordigt. Als actief handelaar op een concurrerende markt ontving hij zonder tegenprestatie een omvangrijk adressenbestand. Door dat bestand zonder enige controle voor eigen commerciële doeleinden te gebruiken, heeft hij willens en wetens het risico aanvaard dat hij inbreuk maakte op rechten van derden. Dat handelen is voorshands onrechtmatig. Daarbij weegt mee dat [gedaagde] de e-mail zelf heeft opgesteld en daarin expliciet verwees naar [naam 1] van TMU, die hij persoonlijk kende. Verder acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat TMU geen toestemming heeft gegeven voor verspreiding van haar klantenbestand, dat het bestand aanzienlijke economische waarde vertegenwoordigt en bovendien het voornaamste bedrijfsdebiet van TMU vormt. Daarom wordt het gevorderde verbod op verdere verkrijging, openbaarmaking en gebruik van het klantenbestand toegewezen, waaraan een dwangsom wordt verbonden van € 20.000 per dag met een maximum van € 500.000

IEF 23605

Hoge Raad laat Dynamic Security van HP in stand: geen misbruik van machtspositie

Hoge Raad 5 jun 2026,, IEF 23605; ECLI:NL:HR:2026:847 ((Digital Revolution tegen HP)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hoge-raad-laat-dynamic-security-van-hp-in-stand-geen-misbruik-van-machtspositie

HR 5 juni 2026, IEF 23605; ECLI:NL:HR:2026:847 (Digital Revolution tegen HP). De Hoge Raad heeft in het langlopende geschil tussen Digital Revolution (123inkt) en HP over HP's zogenoemde Dynamic Security-technologie het principale cassatieberoep van Digital Revolution verworpen. Het (deels) voorwaardelijke incidentele cassatieberoep van HP slaagde gedeeltelijk. Het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 19 november 2024 is vernietigd en de zaak is verwezen naar het gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling. De zaak draaide onder meer om de vraag of HP met Dynamic Security misbruik maakt van een machtspositie op de markt voor printercartridges. Ook stond ter discussie of partijen zich schuldig maakten aan misleidende handelspraktijken en ongeoorloofde vergelijkende reclame. Volgens Digital Revolution belemmert HP via Dynamic Security de concurrentie op de secundaire markt (aftermarket) voor cartridges. Firmware-updates wijzigen regelmatig de beveiligingscode, waardoor bepaalde cartridges van derden, waaronder de huismerkcartridges van Digital Revolution, door de printer worden geweigerd. Volgens Digital Revolution levert dat misbruik van een machtspositie op in strijd met artikel 102 VWEU en artikel 24 Mededingingswet. HP stelde daartegenover dat Dynamic Security namaakcartridges tegengaat, printers beschermt tegen schade en de kwaliteit en veiligheid van het printsysteem bewaakt. De Hoge Raad benadrukt, onder verwijzing naar artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1/2003, dat een partij die een schending van artikel 102 VWEU en artikel 24 Mededingingswet stelt, de relevante economische feiten en omstandigheden moet aanvoeren en bij betwisting moet onderbouwen. Alleen dan ontstaat een voldoende onderbouwd economisch debat tussen partijen. Daarbij moet de relevante markt worden afgebakend aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden. In deze zaak lag het op de weg van Digital Revolution om die feiten en omstandigheden over de gestelde (after)markt voor cartridges aan te voeren. De Hoge Raad volgt het hof in zijn oordeel dat Digital Revolution daarvoor onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd. Digital Revolution voerde aan dat de cartridges voor ieder model HP-printer een afzonderlijke productmarkt vormen. Volgens de Hoge Raad mocht het hof echter oordelen dat deze marktafbakening onvoldoende feitelijk was uitgewerkt. Daarbij speelt ook een rol in hoeverre de concurrentiedruk op de primaire markt voor printers doorwerkt naar de aftermarket voor cartridges.

IEF 23579

Verbetervonnis in IE-verstekzaak: proceskosten alsnog begroot op grond van artikel 1019h Rv

Rechtbank Den Haag 8 apr 2026,, IEF 23579; ECLI:NL:RBDHA:2026:12265 (Volkswagen tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/verbetervonnis-in-ie-verstekzaak-proceskosten-alsnog-begroot-op-grond-van-artikel-1019h-rv

Rb. Den Haag 8 april 2026, IEF 23579; ECLI:NL:RBDHA:2026:12265 (Volkswagen tegen [gedaagde]. De Rechtbank Den Haag wijst het verzoek van Volkswagen tot verbetering van een eerder, op 11 februari 2026 gewezen verstekvonnis toe. Volkswagen had aangevoerd dat sprake was van een kennelijke fout in de zin van artikel 31 Rv, omdat de rechtbank in het oorspronkelijke vonnis had overwogen dat de gevorderde proceskosten niet waren gespecificeerd, terwijl die specificatie wel degelijk in de dagvaarding was opgenomen. De rechtbank volgt Volkswagen daarin. Nu gedaagde niet in het geding was verschenen, beslist de rechtbank op het verzoek zonder nader bericht aan gedaagde. Volgens de rechtbank is sprake van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent: in het oorspronkelijke vonnis werd voor de feiten van het geding verwezen naar de dagvaarding, en uit de aan dat vonnis gehechte dagvaarding blijkt dat Volkswagen haar proceskosten onder randnummer 6.1 had opgegeven en gespecificeerd.

IEF 23573

Uitspraak ingezonden door Sabin Tigu & Evianne Roos, Ploum.

Modelinbreuk via dropshipping: rb. Den Haag passeert verweren over art. 21 Rv en misbruik van procesrecht

Rechtbank Den Haag 13 mei 2026,, IEF 23573; C/09/690949 ((Graypants tegen Gedaagde)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/modelinbreuk-via-dropshipping-rb-den-haag-passeert-verweren-over-art-21-rv-en-misbruik-van-procesrecht

Rb. Den Haag 13 mei 2026, IEF 23573; C/09/690949 (Graypants tegen [gedaagde]). In deze zaak tussen Graypants en [gedaagde] (handelend onder de naam handelsnaam) staat de vraag centraal of het aanbieden van een LED-tafellamp via een dropshipwebsite inbreuk maakt op het Uniemodel van Graypants en, in het verlengde daarvan, of Graypants nog belang heeft bij haar vorderingen nadat de vermeende inbreuk al was gestaakt en een onthoudingsverklaring was afgegeven. Graypants is houder van een geregistreerd Uniemodel voor de zogeheten Wick-lamp. [gedaagde] exploiteert een webshop waarop onder meer de “Olyx – Moderne LED tafellamp” werd aangeboden. Volgens Graypants wekt dit product dezelfde algemene indruk als haar Wick-model. Na sommatie heeft [gedaagde] het product van de website verwijderd. Partijen hebben vervolgens onderhandeld over een minnelijke regeling, waarbij Graypants onder meer een onthoudingsverklaring en vergoeding van juridische kosten verlangde. [gedaagde] weigerde die kosten te betalen, maar stuurde uiteindelijk wel een, beperkter, ondertekende onthoudingsverklaring waarin hij expliciet erkent inbreuk te hebben gemaakt en toezegt iedere verdere inbreuk te staken, op straffe van een boete. Omdat geen overeenstemming werd bereikt over de kosten, startte Graypants een bodemprocedure waarin zij onder meer een stakingsbevel, opgave van verkoopgegevens, rectificatie, schadevergoeding en een volledige proceskostenveroordeling vordert. [gedaagde] voert als kernverweer dat Graypants geen belang meer heeft bij haar vorderingen, nu de inbreuk al is gestaakt en grotendeels aan de verlangde maatregelen is voldaan. Volgens hem is de procedure uitsluitend ingesteld om een proceskostenveroordeling te verkrijgen, hetgeen strijd zou opleveren met artikel 21 Rv en neerkomt op misbruik van procesrecht. De rechtbank stelt voorop dat, gelet op de door [gedaagde] ondertekende onthoudingsverklaring, tussen partijen vaststaat dat sprake is van inbreuk op het Wick-model. De daarin opgenomen erkenning van de modelrechten en de inbreuk daarop, alsmede de toezegging om deze te staken, maken dat dit punt geen nadere inhoudelijke beoordeling meer vergt. Eventuele nietigheidsverweren tegen het model blijven buiten beschouwing, nu geen reconventionele nietigheidsvordering is ingesteld en de geldigheid van het model daarom wordt verondersteld. Het verweer dat Graypants geen belang meer heeft bij haar vorderingen wordt verworpen.

IEF 23551

Rb. Den Haag overweegt prejudiciële vraag aan Hoge Raad over rechtsmacht bij inzageverzoeken tegen derden ex art. 195a Rv

Rechtbank Den Haag 1 mei 2026,, IEF 23551; ECLI:NL:RBDHA:2026:10389 (Volkswagen tegen DHL c.s.), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-den-haag-overweegt-prejudiciele-vraag-aan-hoge-raad-over-rechtsmacht-bij-inzageverzoeken-tegen-derden-ex-art-195a-rv

Rb. Den Haag 1 mei 2026, IEF 23551; ECLI:NL:RBDHA:2026:10389 (Volkswagen tegen DHL c.s.). De Rechtbank Den Haag heeft in een IE-procedure tussen Volkswagen AG en verschillende DHL-entiteiten aangekondigd prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te willen stellen over de uitleg van art. 197 lid 1 Rv in samenhang met het nieuwe inzagerecht van art. 195a Rv. Volkswagen, houdster van meerdere Uniemodellen voor autosleutels, vermoedde dat via een door de Duitse douane onderschepte zending van 350 autosleutels inbreuk werd gemaakt op haar modelrechten. De zending was bestemd voor Metafa Holland B.V. en werd vervoerd binnen het DHL-netwerk. Nadat de goederen waren vernietigd en Metafa betrokkenheid had ontkend, verzocht Volkswagen DHL c.s. op grond van art. 195a Rv om verstrekking van gegevens waarmee de identiteit van de daadwerkelijke inbreukmaker(s) kon worden vastgesteld. Volkswagen stelde dat zij deze informatie nodig had om haar intellectuele-eigendomsrechten effectief te kunnen handhaven. DHL c.s. voerde onder meer een bevoegdheidsverweer en stelde dat ten aanzien van de Duitse DHL-entiteiten niet de Nederlandse rechter, maar de Duitse rechter bevoegd was op grond van de Brussel I-bis-Verordening.

IEF 23550

Uitspraak ingezonden door Victor den Hollander, De Vos & Partners Advocaten.

Rechtbank wijst claim over ongeautoriseerd fotogebruik af

Rechtbank Amsterdam 30 apr 2026,, IEF 23550; ECLI:NL:RBAMS:2026:4517 (Sumfinidade Unipessoal tegen Vesuviotour), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rechtbank-wijst-claim-over-ongeautoriseerd-fotogebruik-af

Rb. Amsterdam 30 april 2026, IEF 23550; ECLI:NL:RBAMS:2026:4517 (Sumfinidade Unipessoal tegen Vesuviotour). Sumfinidade Unipessoal vorderde in deze procedure een vergoeding voor ongeautoriseerd gebruik van een foto van fotograaf [naam] op de website van Vesuviotour. Volgens Sumfinidade Unipessoal stond de foto [naam foto] tussen 24 december 2019 en 1 april 2020 zonder toestemming en zonder naamsvermelding online. De vordering was eerst ingesteld onder de Europese procedure voor geringe vorderingen (EPGV-Verordening). De kantonrechter oordeelde echter dat de zaak buiten het toepassingsbereik daarvan viel, omdat de vordering betrekking had op inbreuken op de persoonlijke levenssfeer en persoonlijkheidsrechten als bedoeld in artikel 2 lid 2 onder j EPGV. Daarom zette de rechtbank de procedure op grond van artikel 4 lid 3 EPGV in samenhang met artikel 69 Rv voort als dagvaardingsprocedure. Een later door Sumfinidade Unipessoal genomen akte uitlating liet de rechtbank buiten beschouwing wegens strijd met de goede procesorde. De kantonrechter achtte zich internationaal bevoegd op grond van de Brussel I-bis-Verordening, omdat Vesuviotour in Amsterdam is gevestigd. Op grond van de Rome II-Verordening paste de rechtbank Nederlands recht toe, omdat bescherming in Nederland werd ingeroepen. Het beroep van Vesuviotour op verjaring slaagde niet. Volgens de kantonrechter had Vesuviotour onvoldoende onderbouwd dat Sumfinidade Unipessoal of de fotograaf al vóór 26 maart 2020 bekend was met zowel de schade als de aansprakelijke partij. Daarom was de indiening van het verzoekschrift in maart 2025 op tijd. Ook de auteursrechtelijke verweren slaagden niet. De rechtbank achtte voldoende aannemelijk dat de foto auteursrechtelijke bescherming geniet vanwege de creatieve keuzes van de fotograaf, zoals compositie, camerastandpunt en kleurgebruik.