Gepubliceerd op donderdag 19 februari 2026
IEF 23293
Rechtbank Den Haag ||
11 feb 2026
Rechtbank Den Haag 11 feb 2026, IEF 23293; ECLI:NL:RBDHA:2026:1801 (VOLKSWAGEN AKTIENGESELLSCHAFT tegen [gedaagde]), https://ie-forum.nl/artikelen/eu-breed-verstekvonnis-bevestigt-reikwijdte-uniemerkenbescherming-voor-volkswagen

EU‑breed verstekvonnis bevestigt reikwijdte Uniemerkenbescherming voor Volkswagen

Rb Den Haag 11 februari 2026, IEF 23293; ECLI:NL:RBDHA:2026:1801 (VOLKSWAGEN AKTIENGESELLSCHAFT tegen [gedaagde]). Volkswagen AG trad in deze procedure op tegen een in Nederland gevestigde onderneming die zonder toestemming auto-onderdelen met de bekende Volkswagen‑merken verhandelde, waaronder via onlinekanalen. De vorderingen waren gebaseerd op inbreuk op diverse Uniemerken van Volkswagen, waarbij de Rechtbank Den Haag zich als Uniemerkenrechter bevoegd achtte voor het gehele grondgebied van de EU, omdat gedaagde in Nederland is gevestigd. Gedaagde is niet verschenen, waarna tegen hem verstek is verleend en de door Volkswagen gestelde feiten, waaronder de inbreuk en het commerciële karakter daarvan, als vaststaand zijn aangenomen. Volkswagen vorderde onder meer een EU‑breed verbod op verdere merkinbreuk, uitgebreide informatie over de herkomst, voorraden en afnemers van de inbreukmakende producten (met onderliggende documentatie), winstafdracht en aanvullende schadevergoeding, alsmede een dwangsom ter versterking van de bevelen.

De rechtbank neemt de merkinbreuk aan en legt vervolgens een verbod op dat is uitgebreid tot het hele EU‑grondgebied, mede gelet op de bevoegdheidsregeling van de Uniemerkenverordening. Daarnaast wordt een vergaande informatieverplichting toegewezen, inclusief de plicht om documentatie te overleggen die Volkswagen in staat stelt de omvang van de inbreuk en de winst nader te bepalen. De rechtbank wijst winstafdracht toe, met daarnaast een aanvullende schadevergoeding op te maken bij staat, en ter naleving van het verbod en de informatie‑ en betalingsverplichtingen een dwangsom van 500 euro per overtreding opgelegd, gemaximeerd tot 10.000 euro. Opvallend is dat de rechter géén volledige proceskosten ex artikel 1019h Rv toekent, omdat Volkswagen de proceskosten niet tijdig en voldoende gespecificeerd had; daarom zijn de kosten volgens het liquidatietarief begroot.

2.2. “Volkswagen grondt haar vorderingen op (inbreuk op) haar Uniemerken. Deze rechtbank is op grond van de artikelen 123 lid 1, 124 aanhef en onder a en 125 lid 1 UMVo 20172 in verbinding met artikel 3 van de Uitvoeringswet EG-Verordening inzake het Gemeenschapsmerk bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van Volkswagen met deze grondslag, omdat [gedaagde] gevestigd is in Nederland. Deze bevoegdheid strekt zich op grond van artikel 126 lid 1 sub a UMVo uit tot het grondgebied van de gehele Europese Unie.”

2.3. “Gedaagde is op 6 augustus 2025 niet in het geding verschenen. Van hem is ook geen ander bericht ontvangen.”

2.4. “Het gevorderde jegens [gedaagde] komt de rechtbank – met uitzondering van enkele hierna genoemde (sub)onderdelen – niet onrechtmatig of ongegrond voor en wordt toegewezen zoals onder ‘de beslissing’ is vermeld. De gevorderde dwangsom(men) zal/zullen worden gematigd en gemaximeerd. Ter voorkoming van executiegeschillen zal de termijn voor het ingaan van het verbod op 48 uur worden gesteld. De door Volkswagen gevorderde kosten voor de proefaankoop zullen worden afgewezen.”

2.5. “[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Volkswagen heeft een volledige proceskostenveroordeling op de voet van artikel 1019h Rv gevorderd, maar haar kosten niet nader gespecificeerd. De proceskosten worden in een verstekprocedure gelet op de eisen van een goede procesorde slechts overeenkomstig het bepaalde in artikel 1019h Rv begroot, indien zij bij dagvaarding reeds zijn opgegeven en gespecificeerd dan wel, indien zij pas na dagvaarding worden opgegeven en gespecificeerd, aan de niet-verschenen gedaagde(n) kenbaar zijn gemaakt. Aan geen van deze twee alternatieve voorwaarden is voldaan.”

2.6. “Het voorgaande heeft tot gevolg dat bij de begroting van de proceskosten aansluiting zal worden gezocht bij de liquidatietarieven civiel zoals die gelden voor uitspraken op of na 1 februari 2024. Dit betekent dat aan salaris advocaat een bedrag van € 521,- wordt toegewezen. Dit bedrag wordt verhoogd met het griffierecht van € 714,- en de dagvaardingskosten van € 120,78.”