Gepubliceerd op dinsdag 25 augustus 2026
IEF 23771
Rechtbank Den Haag ||
20 jul 2026,
Rechtbank Den Haag 20 jul 2026,, IEF 23771; ECLI:NL:RBDHA:2026:21986 (Philips tegen Ningbo), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/ex-parte-verbod-tegen-ningbo-wegens-voldoende-aannemelijke-inbreuk-op-oneblade-merk-en-model

Ex parte verbod tegen Ningbo wegens voldoende aannemelijke inbreuk op OneBlade-merk en -model

Rb. Den Haag 20 juli 2026, IEF xxx; ECLI:NL:RBDHA:2026:21986 (Philips tegen Ningbo). In deze zaak verzoekt Koninklijke Philips N.V. om een ex parte verbod tegen het Chinese Ningbo Keqi Technology Co., Ltd. wegens gestelde inbreuk op het in het verzoekschrift genoemde OneBlade-merk en OneBlade-model. Philips richt het verzoek tegen de vervaardiging en verhandeling van de door haar als inbreukmakend aangeduide producten. Het verzoek kwam op 17 juli 2026 bij de rechtbank binnen.

De voorzieningenrechter acht de ingeroepen rechten voorshands geldig en vindt voldoende aannemelijk dat Ningbo daarop inbreuk maakt. Gelet op het spoedeisende belang van Philips en de mate waarin de inbreuk aannemelijk is, bestaat voldoende grond om het verbod op te leggen zonder Ningbo vooraf te horen. De voorzieningenrechter beveelt Ningbo daarom om binnen 48 uur na betekening iedere inbreuk op het OneBlade-merk en het OneBlade-model in de Europese Unie te staken en gestaakt te houden. Het verbod ziet in het bijzonder op het laten vervaardigen, inkopen, invoeren, aanbieden, promoten, in de handel brengen, uitvoeren, anderszins verhandelen en voor deze doeleinden in voorraad houden van de in het verzoekschrift genoemde inbreukmakende producten. Bij overtreding verbeurt Ningbo een dwangsom van € 1.000 per dag, tot maximaal € 100.000. De termijn voor het instellen van de hoofdzaak als bedoeld in art. 1019i Rv bedraagt zes maanden.

2.2. Gelet op hetgeen in het verzoekschrift is aangevoerd ten aanzien van het spoedeisend belang van verzoekster en gelet op de mate van aannemelijkheid van de inbreuk, bestaat voldoende grond voor toewijzing van het gevraagde bevel tot staking van de inbreuk zonder gerekwestreerde voorafgaand te horen.

10. Het gevraagde bevel tot staking van de inbreuk dient te worden afgewezen omdat het niet in overeenstemming wordt geacht met de aan een ingrijpende maatregel als een ex parte verbod te stellen hoge eisen, in het bijzonder ten aanzien van de aannemelijkheid van het gestelde recht en de gestelde inbreuk daarop en ten aanzien van de spoedeisendheid van de zaak