25 sep 2026,
Geen auteursrechtinbreuk aannemelijk na beëindiging samenwerking tussen marketingbureau en opdrachtgever
Rb. Noord-Nederland 25 september 2026, IEF 23928; ECLI:NL:RBNNE:2026:4257 (LC tegen Monti). De voorzieningenrechter oordeelt in kort geding over een auteursrechtelijk geschil tussen marketingbureau Los Companeros B.V. (LC) en het Duitse Monti Werkzeuge GmbH (Monti). LC en haar rechtsvoorganger verrichtten tussen 2018 en 2025 marketingwerkzaamheden voor Monti, waaronder het ontwikkelen van merkidentiteiten, logo's, slogans en huisstijlen. Na beëindiging van de samenwerking stelde LC dat Monti inbreuk maakte op haar auteursrechten door 327 volgens LC auteursrechtelijk beschermde werken te blijven gebruiken. LC vorderde onder meer een stakings- en verwijderingsgebod en een voorschot op schadevergoeding van € 50.000. Volgens LC waren de auteursrechten op grond van de algemene voorwaarden bij haar rechtsvoorganger blijven berusten en vervolgens aan LC overgedragen. Monti betwistte de toepasselijkheid van deze voorwaarden en beriep zich op artikel 8 Auteurswet (Aw), op grond waarvan een rechtspersoon die een werk als van haar afkomstig openbaar maakt zonder daarbij een natuurlijke persoon als maker te vermelden, onder bepaalde voorwaarden als maker wordt aangemerkt. De voorzieningenrechter stelt voorop dat partijen van artikel 8 Aw kunnen afwijken, maar dat daarvoor overeenstemming moet bestaan.
De voorzieningenrechter oordeelt dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de algemene voorwaarden van de rechtsvoorganger van LC op de afzonderlijke opdrachten van toepassing waren. LC heeft onvoldoende onderbouwd dat de offertes en facturen waarin naar de voorwaarden werd verwezen door Monti waren ontvangen en dat Monti met de toepasselijkheid daarvan had ingestemd. Bovendien is onduidelijk of steeds naar dezelfde voorwaarden werd verwezen. Omdat sprake is van een internationale overeenkomst tussen professionele partijen, is afdeling 6.5.3 BW op grond van artikel 6:247 lid 2 BW niet van toepassing. De toepasselijkheid van de algemene voorwaarden moet daarom worden beoordeeld aan de hand van aanbod en aanvaarding. Evenmin is voldoende aannemelijk geworden dat partijen afzonderlijk een van artikel 8 Aw afwijkende regeling zijn overeengekomen. De voorzieningenrechter gaat er daarom voorshands van uit dat Monti op grond van artikel 8 Aw als fictieve maker en auteursrechthebbende moet worden beschouwd, voor zover de betrokken werken auteursrechtelijk beschermd zijn. Daarmee is onvoldoende aannemelijk dat LC de auteursrechthebbende is en dat Monti inbreuk op haar rechten maakt. De gevorderde stakings- en verwijderingsgeboden en het voorschot op schadevergoeding worden afgewezen. LC wordt veroordeeld in de proceskosten van € 33.272 op grond van artikel 1019h Rv.
4.21.
Tot slot stelde LC ter zitting nog dat uit de handelswijze van Monti volgt dat partijen een afzonderlijke afspraak hebben gemaakt op grond waarvan het auteursrecht bij LC zou blijven rusten. LC doelde hiermee op de e-mail van Monti van 21 augustus 2025 (r.o. 2.4) waarin Monti spreekt over “transfer of intellectual property rights”. Volgens LC dient uit die e-mail te worden afgeleid dat Monti wist het auteursrecht niet bij haar lag. Monti geeft een andere uitleg aan voornoemde e-mail, waarbij zij een dergelijke afspraak betwist. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Al zou Monti in de veronderstelling zijn geweest dat het auteursrecht op de werken niet bij haar lag, dan betekent dat nog niet dat die veronderstelling is gebaseerd op een tussen partijen overeengekomen afspraak. Het bestaan van een afspraak waarin partijen een van artikel 8 Aw afwijkende regeling zijn overeengekomen, is in onderhavig kort geding onvoldoende aannemelijk geworden. Voornoemde brief acht de voorzieningenrechter daarvoor als enige omstandigheid onvoldoende.
4.22.
Concluderend overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Aangezien in onderhavige procedure niet aannemelijk is geworden dat tussen partijen een van artikel 8 Aw afwijkende regeling is overeengekomen, ofwel in de algemene voorwaarden ofwel bij afzonderlijke afspraak, is niet aannemelijk geworden dat LC de auteursrechthebbende is op de 327 benoemde werken en dat daarop door Monti inbreuk wordt gemaakt, voor zover dit (allemaal) auteursrechtelijk beschermde werken zijn. Voor het toewijzen van de door LC gevorderde ingrijpende maatregelen bestaat daarom geen grond. De voorzieningenrechter zal het stakingsgebod afwijzen, evenals het gebod tot verwijdering van de werken.
Schadevergoedingsvordering
4.23.
Aangezien de voorzieningenrechter hiervoor heeft geoordeeld dat het voorshands onvoldoende aannemelijk is dat inbreuk wordt gemaakt op een auteursrecht van LC, is ook niet gebleken van een recht op schadevergoeding. Het gevorderde voorschot op schadevergoeding wordt daarom eveneens afgewezen.