Gepubliceerd op maandag 30 september 2019
IEF 18714
Hof Amsterdam ||
7 mei 2019
Hof Amsterdam 7 mei 2019, IEF 18714; ECLI:NL:GHAMS:2019:1578 (THC beheer tegen Advocaten), https://ie-forum.nl/artikelen/geen-beroepsfout-in-procedure-over-slaafse-nabootsing

Geen beroepsfout in procedure over slaafse nabootsing

Hof Amsterdam 7 mei 2019, IEF 18714; ECLI:NL:GHAMS:2019:1578 (THC beheer tegen Advocaten) Beroepsaansprakelijkheid in een procedure over slaafse nabootsing of inbreuk op auteursrecht. Kantoor X is door ACS ingeschakeld om juridische bijstand te verlenen in een geschil met Terwa. De opdracht werd feitelijk uitgevoerd door advocaat Y. Het geschil tussen ACS en Terwa zag op het zogenaamde ACS-systeem: een afneembaar trekhaaksysteem. Volgens ACS heeft Terwa het ACS-systeem slaafs nagebootst, dan wel maakt zij inbreuk op de auteursrechten. THC is rechtsopvolgster van ACS en stelt dat kantoor X toerekenbaar jegens ACS is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht door een e-mail niet te overleggen. De grieven van THC falen. Er is geen beroepsfout is gemaakt door Y als gevolg waarvan THC schade heeft geleden. De voor de beoordeling relevante feiten en omstandigheden zijn naar behoren naar voren  gebracht. Niet kan worden aangenomen dat de beslissingen anders waren geweest als Y het pleidooi tijdig had voorbereid en het had ingericht op een wijze zoals door THC wordt voorgestaan, met meer of uitsluitend aandacht voor de slaafse nabootsing.

3.5.
Voor zover THC ervan uitgaat dat rechters de maatstaf voor een schending van een auteursrecht enerzijds en slaafse nabootsing anderzijds nog al eens door elkaar halen, geldt dat THC enerzijds die veronderstelling onvoldoende heeft gemotiveerd en, anderzijds dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit risico in het leven is geroepen of zich heeft gerealiseerd, laat staat dat dat aan [X] c.s. zou zijn te wijten. In de processtukken heeft [Y] de beide grondslagen voor de vorderingen afzonderlijk uitgewerkt en toegelicht en uit het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden blijkt dat beide grondslagen afzonderlijk zijn besproken en beoordeeld. Niet kan worden aangenomen dat [Y] door de vorderingen van ACS op twee grondslagen te baseren zich niet heeft gedragen zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Grief I faalt.

3.6.
Grief II heeft betrekking op het niet overleggen door [Y] in de procedure bij het hof Arnhem-Leeuwarden van de in rov. 2.5 genoemde e-mail van 21 juni 2011 van Rameder. Dit is volgens THC een beroepsfout. Als de e-mail wel was overgelegd, had dat volgens haar tot een andere uitkomst van de procedure tegen Terwa geleid. Grief III ligt in het verlengde van grief II. Met haar derde grief betoogt THC dat het leerstuk van de kansschade door de rechtbank niet of niet juist is toegepast. Deze grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

3.9.
De rechtbank is terecht ervan uitgegaan dat de maatstaf die het hof Arnhem-Leeuwarden in het kader van de gestelde nabootsing heeft gehanteerd niet ter beoordeling voorligt in de onderhavige beroepsaansprakelijkheidszaak en dus niet opnieuw moet worden vastgesteld. Het gaat niet om de beantwoording van de vraag wat het hof Arnhem-Leeuwarden had behoren te beslissen op grond van de door THC bij dat hof ingestelde vorderingen. Dat zou bijvoorbeeld wel het geval zijn geweest als [X] c.s. werden verweten niet, niet tijdig of op basis van ontoereikende middelen cassatieberoep te hebben ingesteld tegen het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden en een vergelijking zou moeten worden gemaakt met de hypothetische situatie waarin een cassatiemiddel is gericht tegen de door dat hof gehanteerde maatstaf. Dergelijke verwijten worden [X] c.s. niet gemaakt. De vraag ligt voor of uitgaande van de door het hof Arnhem-Leeuwarden gehanteerde maatstaf kan worden aangenomen dat de beslissingen anders waren geweest als [Y] haar toezegging was nagekomen door de e-mail van 21 juni 2011 in die procedure over te leggen. Een compleet onderliggend procesdossier is voorhanden. Aan de hand daarvan kan in deze beroepsaansprakelijkheidszaak beoordeeld worden hoe beslist zou zijn als de tweede e-mail van Rameder daarvan onderdeel had uitgemaakt.

3.15.
Het hof komt niet tot een ander oordeel dan de rechtbank en maakt haar overwegingen tot de zijne. Kern daarvan is dat het voor ACS ongetwijfeld prettiger en voor het verloop van het pleidooi beter was geweest als het concept voor de pleitnota eerder ter becommentariëring was toegezonden en de omvang van de pleitnotities beter was afgestemd op de spreektijd. Niet kan echter worden gezegd dat een beroepsfout is gemaakt door [Y] als gevolg waarvan ACS de thans door THC gevorderde schade heeft geleden. Op grond van de weergave van de stellingen en verweren van partijen in het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden kan niet worden geconcludeerd dat de voor de beoordeling relevante feiten en omstandigheden niet of niet naar behoren naar voren zijn gebracht. Niet kan worden aangenomen dat de beslissingen anders waren geweest als [Y] het pleidooi tijdig had voorbereid en het had ingericht op een wijze zoals door THC wordt voorgestaan (meer of uitsluitend aandacht voor de slaafse nabootsing). Daarbij moet worden bedacht dat de beoordeling in hoger beroep gezien de twee-conclusieregel hoofdzakelijk wordt gebaseerd op de memories van partijen. Zoals THC ook onderkent, dient het pleidooi er slechts toe de belangrijkste punten nog eens aan te stippen of te verduidelijken. Grief IV faalt.