Gepubliceerd op woensdag 21 januari 2026
IEF 23220
Gerecht EU (voorheen GvEA) ||
14 jan 2026
Gerecht EU (voorheen GvEA) 14 jan 2026, IEF 23220; ECLI:EU:T:2026:15 (Froneri Bulgaria EOOD tegen EUIPO en Daesef AD), https://ie-forum.nl/artikelen/geen-gebrek-aan-eigen-karakter-bij-verpakkingsontwerp-voor-levensmiddelen

Geen gebrek aan eigen karakter bij verpakkingsontwerp voor levensmiddelen

Gerecht EU 14 januari 2026, IEF 23220; ECLI:EU:T:2026:15 (Froneri Bulgaria EOOD tegen EUIPO en Daesef AD). Op 1 april 2021 diende Froneri Bulgaria EOOD een verzoek tot nietigverklaring in van een geregistreerd EU-model van Daesef AD. Het ontwerp betreft verpakkingen die vallen onder klasse 09.03 van de Overeenkomst van Locarno, waaronder dozen met deksels, verpakkingen voor levensmiddelen, flexibele openingscontainers en ijsdozen. Het verzoek was gebaseerd op het ontbreken van nieuwheid en eigen karakter in de zin van respectievelijk artikel 5, lid 1, onder b, en artikel 6, lid 1, onder b, van Verordening nr. 6/2002. De nietigheidsafdeling van het EUIPO wees dit verzoek af, waarna Froneri beroep instelde bij de Raad van Beroep en vervolgens bij het Gerecht. Wat betreft het beroep op het ontbreken van eigen karakter voerde Froneri twee hoofdargumenten aan. Ten eerste stelde zij dat de Raad van Beroep de productcategorie waarop het ontwerp betrekking heeft onjuist had vastgesteld. Volgens Froneri had de Raad de categorie nader moeten aanduiden door expliciet te verwijzen naar ijsdozen. Het bezwaar had derhalve niet betrekking op een uitsluiting van ijsdozen, maar op de wijze waarop de productcategorie was omschreven. Ten tweede stelde Froneri dat de Raad van Beroep de algemene indruk van het betwiste ontwerp onvoldoende onderscheidend had beoordeeld ten opzichte van eerdere ontwerpen. Het Gerecht verwerpt het eerste argument en oordeelde dat Froneri niet heeft aangetoond dat de Raad van Beroep een beoordelingsfout had gemaakt bij het bepalen van de toepasselijke productcategorie. Volgens het Gerecht heeft de Raad terecht geoordeeld dat het ontwerp bedoeld was voor dozen met deksels en verpakkingen voor levensmiddelen.

Met betrekking tot de vergelijking van de algemene indruk stelde de Raad van Beroep vast dat het betwiste ontwerp duidelijke zichtbare verschillen vertoonde ten opzichte van de eerdere ontwerpen. Het Gerecht bevestigt dit oordeel en stelt dat het niet nodig was om een definitieve uitspraak te doen over de exacte geometrische vorm van de eerdere ontwerpen. Uit de afbeeldingen bleek al dat het betwiste ontwerp steilere wandhellingen had, een kleinere en compactere bodem, hogere zijkanten en een duidelijker uitgesproken verhouding tussen onder- en bovenzijde dan de eerdere ontwerpen, die een bredere en meer langwerpige basis hadden. Deze verschillen leidden volgens het Gerecht tot een andere algemene indruk bij de geïnformeerde gebruiker. Het argument van Froneri dat deze verschillen in de praktijk niet zichtbaar zouden zijn omdat de dozen worden gestapeld of gevuld met levensmiddelen, wordt verworpen. Volgens vaste rechtspraak is de geïnformeerde gebruiker zich bewust van het uiterlijk van het product vanuit verschillende perspectieven en baseert hij zijn aankoopbeslissing mede op het ontwerp. Bovendien ziet de bescherming van een model uitsluitend op het uiterlijk van het product, en is de inhoud van de verpakking niet relevant voor de beoordeling. Hoewel de ontwerpen enkele identieke kenmerken delen, zoals een transparant deksel met afgeronde hoeken en gegraveerde elementen, zijn deze kenmerken te banaal en gebruikelijk voor dit type product en krijgen zij daarom minder gewicht in de beoordeling. De geïnformeerde gebruiker zal zich vooral richten op de meer opvallende verschillen, zoals de hellingshoek van de wanden en de verhouding tussen bodem en bovenkant. Ook het beroep op de ruime ontwerpvrijheid van de ontwerper wordt verworpen, aangezien deze vrijheid slechts een relativerende factor is en geen zelfstandig criterium vormt. Ten aanzien van het tweede middel, waarin werd gesteld dat het ontwerp niet nieuw is, oordeelt het Gerecht dat dit betoog faalt. Hoewel nieuwheid en eigen karakter twee afzonderlijke vereisten zijn, overlappen zij gedeeltelijk en vergt eigen karakter een strengere toets. Wanneer een ontwerp een eigen karakter heeft, kan daaruit a fortiori worden afgeleid dat het ook nieuw is. De Raad van Beroep mocht daarom om methodologische en procedurele redenen eerst het eigen karakter beoordelen en vervolgens concluderen dat ook aan de nieuwheidseis was voldaan. Het Gerecht stelt vast dat geen juridische fout was gemaakt en verwerpt het beroep in zijn geheel.

64: “In the present case, the Board of Appeal was therefore entitled to find that the informed user would pay little attention to elements that were totally banal and common to all examples of the type of product in question, namely the fact that the designs at issue consisted of a two-piece container (a tub and a lid), with a flat lid.”

78: “Consequently, the Board of Appeal was right to find that the differences between the designs at issue, in particular the angles of inclination of the walls, the width of the base and sides of the container and the bottom-to-top proportion, were prominent and altered the overall appearance of the container in a way that would be perceived by the informed user, considering also his or her relatively high degree of attention when he or she uses the products.”

92: “In the light of the considerations set out in paragraphs 87 to 91 above, the Court finds that the Board of Appeal did not err in law in examining, for reasons of methodology and procedural economy, whether the contested design had individual character before concluding, a fortiori, that that design was novel.”