Gepubliceerd op woensdag 1 juli 2026
IEF 23656
Gerecht EU (voorheen GvEA) ||
1 jul 2026,
Gerecht EU (voorheen GvEA) 1 jul 2026,, IEF 23656; ECLI:EU:T:2026:424 (DecoTrend GmbH tegen EUIPO en Light Tec Ltd), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-individueel-karakter-voor-eu-model-van-lichtsnoer

Geen individueel karakter voor EU-model van lichtsnoer

Gerecht EU 1 juli 2026, IEF 23656; IEFbe 4244; ECLI:EU:T:2026:424 (DecoTrend GmbH tegen EUIPO en Light Tec Ltd). In deze zaak vordert DecoTrend vernietiging en herziening van de beslissing van de derde kamer van beroep van het EUIPO, waarin het beroep tegen de nietigverklaring van haar ingeschreven Uniemodel voor een lichtsnoer is verworpen. Light Tec had de nietigheid van dit model aangevraagd op grond van artikel 25 lid 1 onder b Verordening 6/2002, gelezen in samenhang met artikel 6 Verordening 6/2002, wegens gebrek aan individueel karakter. DecoTrend stelde dat de kamer van beroep haar beoordeling ten onrechte had gebaseerd op het oudere Duitse model D2, omdat de nietigheidsaanvraag volgens haar uitsluitend op een Amerikaans octrooischrift en het daarin opgenomen model D1 was gebaseerd. Het Gerecht verwerpt dit betoog. De nietigheidsaanvraag moest worden gelezen als één geheel, inclusief de bijlagen en motivering, waaruit voldoende duidelijk bleek dat Light Tec ook de oudere modellen D2 en D3 had ingeroepen. De kamer van beroep mocht daarom onderzoeken of het betwiste model al ten opzichte van D2 individueel karakter miste; als één ouder model daaraan in de weg staat, hoeft het EUIPO de overige oudere modellen niet meer afzonderlijk te beoordelen.

Ook inhoudelijk slaagt het beroep niet. Volgens het Gerecht moet het betrokken product worden aangemerkt als een elektrische guirlande/lichtsnoer, en niet als een afzonderlijke kerst- of adventsster. Voor dergelijke producten bestaat een ruime ontwerpvrijheid, zodat kleine verschillen niet snel volstaan om een andere algemene indruk te wekken. De door DecoTrend aangevoerde verschillen, onder meer in kleurstelling, vormgeving van de stralen, ophanging en stroomvoorziening, zijn volgens het Gerecht onvoldoende om bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk te wekken dan het oudere model D2. Wel merkt het Gerecht op dat de kamer van beroep de door DecoTrend overgelegde feitelijk verhandelde producten niet zonder nadere beoordeling terzijde had mogen schuiven, maar die fout heeft geen invloed op de rechtmatigheid van de beslissing, omdat de vergelijking in beginsel moet plaatsvinden aan de hand van de ingeschreven modelweergaven. Het Gerecht bevestigt daarom dat het model geen individueel karakter heeft ten opzichte van D2, verwerpt beide middelen en wijst het beroep in zijn geheel af; DecoTrend wordt veroordeeld in de kosten van Light Tec, terwijl het EUIPO zijn eigen kosten draagt.

25       Ten eerste moet worden opgemerkt dat de benadering van de Raad van Beroep in de bestreden beslissing geen rechtsdwaling bevat. De Raad analyseert eerst of het betwiste ontwerp geen individueel karakter heeft ten opzichte van een van de verschillende eerdere ontwerpen, en pas daarna, indien het antwoord op de eerste vraag nee is, of het geen individueel karakter heeft ten opzichte van andere eerdere ontwerpen. Het is immers duidelijk uit artikel 6, lid 1, van Verordening nr. 6/2002  dat elk ontwerp dat eerder openbaar is gemaakt, op zichzelf, onafhankelijk van andere eerdere ontwerpen waarop een beroep kan worden gedaan, kan voorkomen dat het betwiste ontwerp een individueel karakter heeft. Indien dus voldaan wordt aan de grond voor nietigheid zoals bedoeld in artikel 25, lid 1, onder b), van Verordening nr. 6/2002  , gelezen in samenhang met de artikelen 4 en 6 van die Verordening, namelijk dat het betwiste ontwerp geen individueel karakter heeft ten opzichte van een eerder ontwerp, is deze omstandigheid op zich voldoende om het betwiste ontwerp nietig te verklaren. De Raad van Beroep kon daarom terecht afzien van een analyse van het individuele karakter van het betwiste ontwerp in relatie tot de andere eerder aangehaalde ontwerpen, met uitzondering van het eerdere ontwerp D2.

41       Gelet op het voorgaande heeft de Raad van Beroep geen juridische fout gemaakt door het individuele karakter van het betwiste ontwerp alleen te onderzoeken in relatie tot het eerdere ontwerp D2, mits de beoordeling, volgens welke het betwiste ontwerp geen individueel karakter heeft ten opzichte van dat eerdere ontwerp, vrij is van beoordelingsfouten (zie paragrafen 26 en 27 hierboven).

114     Over het algemeen zal een dergelijke geïnformeerde gebruiker de door de aanvrager geïdentificeerde "gemakkelijk te begrijpen en duidelijk geordende structuur" van de ster in het betwiste ontwerp niet opmerken, noch dat de sterren in het eerdere ontwerp D2 geen uniform horizontaal centraal vlak hebben, noch symmetrie, noch uniform en regelmatig gerangschikte punten. Hij zou het verschil in de punten van de sterren in de conflicterende ontwerpen kunnen opmerken, maar zal dit zien als een detail dat, gezien de overeenkomsten, onvoldoende is om de algehele indruk te beïnvloeden, of zelfs als een onbeduidend detail. Zoals de Raad van Beroep terecht opmerkte, zal een dergelijke gebruiker van "lichtslingers" allereerst opmerken dat de elementen van de betwiste ontwerpen dezelfde driedimensionale vorm van een ster en dezelfde kleuren hebben. Hij zal ook de identieke of vergelijkbare aspecten van de ontwerpen opmerken, zoals geïdentificeerd door de Raad van Beroep en aangehaald in de paragrafen 105 en 106 hierboven. De beroepscommissie oordeelde terecht dat het verschil in ontwerp van het ophangingsmechanisme of de voeding de algehele indruk die de tegenstrijdige ontwerpen opwekken, niet kon veranderen.

115     Hieruit volgt dat de Raad van Beroep geen juridische of beoordelingsfout heeft gemaakt door te oordelen dat het betwiste ontwerp geen individueel karakter had in de zin van artikel 6 van Verordening nr. 6/2002  ten opzichte van het eerdere ontwerp D2.