25 mrt 2026
Kopieer citeerwijze ||
Implementing Technologies, SL tegen EUIPO en M2Linx Design, SL
Gerecht bevestigt vervallenverklaring Uniemerk OSSA wegens niet-normaal gebruik
Gerecht EU 25 maart 2026, IEF 23416; IEFbe 4166; ECLI:EU:T:2026:212 (Implementing Technologies, SL tegen EUIPO en M2Linx Design, SL). Het Gerecht verwerpt het beroep van de merkhouder en bevestigt daarmee dat het figuratieve Uniemerk OSSA terecht vervallen is verklaard op grond van artikel 58, lid 1, onder a, UMVo wegens niet-normaal gebruik. De relevante periode loopt van 15 juni 2017 tot en met 14 juni 2022, dus de vijf jaren vóór het vervalverzoek. Het argument dat Spaanse nationale uitspraken en een exclusieve licentieovereenkomst tot een andere berekening van die periode moeten leiden, wijst het Gerecht af. Het Uniemerkenstelsel is autonoom, zodat nationale rechterlijke uitspraken EUIPO en het Gerecht niet binden. Ook als er mogelijk een rechtvaardiging voor niet-gebruik zou zijn, verandert dat de berekening van die vijfjaarsperiode niet.
Volgens het Gerecht levert Implementing Technologies geen concreet en objectief bewijs dat het merk in die periode normaal wordt gebruikt voor de ingeschreven waren. Voor klasse 12 (motorfietsen) laten de overgelegde stukken, zoals licentieovereenkomsten, businessplannen, intentieverklaringen, e-mails, foto’s, verklaringen van dealers en enkele facturen uit eind 2022 en 2023, vooral zien dat de merkhouder plannen heeft om het merk te gebruiken, maar niet dat de motorfietsen in de relevante periode ook daadwerkelijk en in voldoende mate onder het merk OSSA op de markt komen. De exclusieve licentie met Cool Bikes bewijst op zichzelf geen normaal gebruik en vormt ook geen geldige reden voor niet-gebruik, omdat dit voortkomt uit een eigen commerciële keuze van de merkhouder. Ook het beroep op COVID-19 slaagt niet, omdat niet concreet genoeg wordt uitgelegd welke beperkingen het gebruik van dit merk precies onmogelijk maken. Voor de waren in klasse 9 en 25 faalt het beroep bovendien al omdat de merkhouder daartegen geen specifieke argumenten aanvoert. Het Gerecht laat de vervallenverklaring daarom volledig in stand: Implementing Technologies draagt haar eigen kosten en die van M2Linx Design, terwijl EUIPO de eigen kosten draagt.
20 Wat betreft de criteria voor de beoordeling van het daadwerkelijke gebruik, overeenkomstig artikel 10, lid 3 en 4, van de Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/625 van de Commissie van 5 maart 2018 tot aanvulling van Verordening (EU) 2017/1001 en tot intrekking van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/1430 (PB 2018, L 104, blz. 1), die van toepassing zijn op nietigingsprocedures overeenkomstig artikel 19, lid 1, van Gedelegeerde Verordening 2018/625, moet het bewijs van gebruik van een merk betrekking hebben op de plaats, de duur, de omvang en de aard van het gebruik van het betreffende merk en is het in beginsel beperkt tot het overleggen van bewijsstukken, zoals verpakkingen, etiketten, prijslijsten, catalogi, facturen, foto's en advertenties in kranten, alsmede schriftelijke verklaringen als bedoeld in artikel 97, lid 1, onder f), van Verordening 2017/1001.
21 Een alomvattende beoordeling is noodzakelijk, waarbij rekening wordt gehouden met alle relevante factoren van het specifieke geval en waarbij een zekere onderlinge afhankelijkheid van de overwogen factoren wordt verondersteld [arrest van 8 juli 2004, Sunrider tegen OHIM – Espadafor Caba (VITAFRUIT), T-203/02, EU:T:2004:225, punt 42]. Het gaat er dus niet om elk bewijsstuk afzonderlijk te analyseren, maar om ze gezamenlijk te analyseren om tot de meest waarschijnlijke en consistente interpretatie te komen [zie arrest van 14 december 2022, Hotel Cipriani tegen EUIPO – Altunis (CIPRIANI FOOD), T-358/21, niet gepubliceerd, EU:T:2022:817, punt 51 en de daarin aangehaalde jurisprudentie]. Een geheel van bewijsmateriaal kan dus de te bewijzen feiten vaststellen, ook al zou elk van deze elementen, afzonderlijk beschouwd, onvoldoende bewijs leveren voor de juistheid van deze feiten [zie arrest van 13 februari 2015, Husky CZ/OHMI – Husky of Tostock (HUSKY), T-287/13, EU:T:2015:99, punt 66 en de daarin aangehaalde jurisprudentie].
22 Bovendien kan het daadwerkelijke gebruik van een merk niet worden aangetoond door waarschijnlijkheden of vermoedens, maar moet het gebaseerd zijn op concrete en objectieve bewijzen die aantonen dat het merk effectief en voldoende wordt gebruikt op de relevante markt [arresten van 12 december 2002, Kabushiki Kaisha Fernandes tegen OHIM – Harrison (HIWATT), T-39/01, EU:T:2002:316, punt 47, en van 6 oktober 2004, Vitakraft-Werke Wührmann tegen OHIM – Krafft (VITAKRAFT), T-356/02, EU:T:2004:292, punt 28].
23 Volgens de jurisprudentie kunnen alleen belemmeringen die een voldoende direct verband hebben met een merk, waardoor het gebruik ervan onmogelijk of onredelijk wordt, en die onafhankelijk zijn van de wil van de merkhouder, worden beschouwd als een "gerechtvaardigde reden" voor niet-gebruik. Van geval tot geval moet worden beoordeeld of een wijziging van de bedrijfsstrategie om de betreffende belemmering te omzeilen het gebruik van dat merk onredelijk zou maken (zie arrest van 17 maart 2016, Naazneen Investments tegen OHIM, C-252/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:178, punt 96 en de daarin aangehaalde jurisprudentie).