Gepubliceerd op woensdag 30 september 2026
IEF 23877
Gerecht EU (voorheen GvEA) ||
30 sep 2026,
Gerecht EU (voorheen GvEA) 30 sep 2026,, IEF 23877; ECLI:EU:T:2026:606 (MAP), https://ie-forum.nl/artikelen/gerecht-eu-kwade-trouw-bij-internationale-registratie-map-wegens-eerdere-samenwerking-en-kennis-van-oudere-map-merken

Gerecht EU: kwade trouw bij internationale registratie MAP wegens eerdere samenwerking en kennis van oudere MAP-merken

Gerecht EU 30 september 2026, IEF 23877; IEFbe 4325; ECLI:EU:T:2026:606 (MAP). Heinz Reinwald en HK Evolution LTD verzochten het Gerecht om vernietiging van een beslissing van de Tweede kamer van beroep van het EUIPO waarbij de internationale registratie MAP, met aanwijzing van de Europese Unie voor waren in de klassen 5 en 29, nietig was verklaard wegens kwade trouw. Omdat de aanwijzing van de Unie dateerde van 13 april 2011, beoordeelt het Gerecht de materiële voorwaarden aan de hand van artikel 52 lid 1 onder b van Verordening nr. 207/2009. Voor internationale registraties is voor de beoordeling van kwade trouw beslissend het tijdstip waarop de Europese Unie wordt aangewezen, en niet de eerdere datum waarop het nationale basismerk is aangevraagd. Kwade trouw moet worden vastgesteld aan de hand van een globale beoordeling van alle relevante feitelijke omstandigheden en op basis van objectieve aanwijzingen voor de intentie van de aanvrager. Het Gerecht bevestigt dat Reinwald en HK Evolution ten tijde van de aanvraag wisten of hadden moeten weten dat International Nutrition Research Center (INRC) het element MAP gebruikte in eerdere merken voor identieke of soortgelijke producten. Uit onder meer facturen, correspondentie, oudere merkregistraties en de samenwerking rond het MAP-product bleek bovendien dat vóór de relevante datum een contractuele en commerciële relatie tussen partijen bestond. Volgens het Gerecht was voor die beoordeling geen formele distributieovereenkomst vereist; ook een andere contractuele relatie kan relevant zijn voor de vaststelling van kwade trouw.

Het Gerecht oordeelt vervolgens dat de kamer van beroep op basis van deze omstandigheden terecht kon vaststellen dat de aanvragers niet met het oog op eerlijke mededinging handelden, maar met de bedoeling de belangen van INRC op een met eerlijke handelspraktijken strijdige wijze te ondermijnen. Daarbij weegt mee dat zij kennis hadden van het gebruik van de eerdere MAP-tekens en dat de eerdere contractuele relatie een verplichting tot fair play meebracht. De kamer van beroep mocht ook omstandigheden van ná de aanvraag betrekken voor zover die de intentie op het tijdstip van de aanvraag bevestigden; zulke latere feiten kunnen de oorspronkelijke intentie ondersteunen, maar niet zelfstandig een toen niet bestaande intentie creëren. Ook het feit dat twee eerdere EU-merken van INRC later met terugwerkende kracht nietig waren verklaard, stond er niet aan in de weg dat hun bestaan werd meegewogen als aanwijzing voor de intentie van de aanvragers op de relevante datum. Het Gerecht acht de objectieve omstandigheden voldoende om het vermoeden van goede trouw te weerleggen en oordeelt dat Reinwald en HK Evolution geen plausibele verklaring hebben gegeven voor de doelstellingen en commerciële logica van de internationale registratie. Het beroep wordt daarom volledig verworpen.

26      The absolute ground for invalidity referred to in Article 52(1)(b) of Regulation No 207/2009 applies where it is apparent from relevant and consistent indicia that the proprietor of an EU trade mark has filed the application for registration of that mark not with the aim of engaging fairly in competition but with the intention of undermining, in a manner inconsistent with honest practices, the interests of third parties, or with the intention of obtaining, without even targeting a specific third party, an exclusive right for purposes other than those falling within the functions of a trade mark, in particular the essential function of indicating origin (judgment of 12 September 2019, Koton Mağazacilik Tekstil Sanayi ve Ticaret v EUIPO, C‑104/18 P, EU:C:2019:724, paragraph 46).

89      In view of all the relevant factual circumstances of the present case, in particular the applicants’ knowledge that the intervener used a sign identical or similar to the contested international registration for an identical or similar product in the European Union and the existence of an earlier contractual relationship between the applicants and the intervener which entailed a duty of fair play, it must be observed that it is apparent from relevant and consistent indicia that the applicants filed the application for the contested international registration not with the aim of engaging fairly in competition, but with the intention of undermining, in a manner inconsistent with honest practices, the intervener’s interests.

126    The Board of Appeal was therefore entitled to find that the objective circumstances of the present case relied on by the intervener were capable of leading to the rebuttal of the presumption of good faith enjoyed by the applicants at the time of the application for the contested international registration and that the applicants had not provided plausible explanations concerning the objectives and commercial logic pursued by that application. Thus, the Board of Appeal did not grant the intervener the ‘benefit of the doubt’, contrary to what the applicants claim.