Gepubliceerd op dinsdag 14 juli 2026
IEF 23683
Gerecht EU (voorheen GvEA) ||
8 jul 2026,
Gerecht EU (voorheen GvEA) 8 jul 2026,, IEF 23683; ECLI:EU:T:2026:440 (Aguirre y Compañía, SA tegen EUIPO en Maria Margarida Moreira de Almeida Santos), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-eu-vernietigt-afwijzing-van-oppositie-tegen-blue-padel-wegens-onvolledige-beoordeling-van-verwarringsgevaar-met-bullpadel

Gerecht EU vernietigt afwijzing van oppositie tegen BLUE PADEL wegens onvolledige beoordeling van verwarringsgevaar met BULLPADEL

Gerecht EU 8 juli 2026, IEF 23683; IEFbe 4257; ECLI:EU:T:2026:440 (Aguirre y Compañía, SA tegen EUIPO Maria Margarida Moreira de Almeida Santos). Aguirre y Compañía verzette zich tegen de inschrijving van het Uniewoordmerk BLUE PADEL voor “jerseys [kleding]” in klasse 25 op basis van drie oudere Uniebeeldmerken BULLPADEL. Het Gerecht bevestigt dat het relevante publiek bestaat uit het algemene publiek van de Europese Unie met een gemiddeld aandachtsniveau. De jerseys vallen onder de ruimere categorieën kleding en sportkleding van het oudere merk en zijn daarom merkenrechtelijk identiek; ten opzichte van padelrackets zijn zij slechts in geringe mate soortgelijk. Het gemeenschappelijke element ‘padel’ mist onderscheidend vermogen, omdat het rechtstreeks verwijst naar de sport waarvoor de betrokken waren kunnen worden gebruikt. De elementen ‘bull’ en ‘blue’ zijn wel onderscheidend. De tekens zijn visueel en begripsmatig in geringe mate en fonetisch in gemiddelde mate overeenstemmend. Ook mocht de kamer van beroep uitgaan van een normaal intrinsiek onderscheidend vermogen van het oudere merk, omdat de overgelegde stukken wel gebruik aantoonden, maar niet dat BULLPADEL bij een significant deel van het relevante algemene publiek een versterkt onderscheidend vermogen had verkregen.

De kamer van beroep maakte echter een doorslaggevende fout bij de globale beoordeling van het verwarringsgevaar. Zij hield daarin alleen rekening met de geringe soortgelijkheid tussen jerseys en padelrackets en liet buiten beschouwing dat de waren in klasse 25 identiek zijn. Dat is in strijd met het beginsel van onderlinge samenhang, omdat warenidentiteit mogelijk kan opwegen tegen een geringe visuele en begripsmatige overeenstemming, mede gelet op de gemiddelde fonetische overeenstemming, het gemiddelde aandachtsniveau en het normale onderscheidend vermogen van het oudere merk. Het Gerecht stelt niet zelf definitief vast dat verwarringsgevaar bestaat, maar oordeelt dat de conclusie dat dit gevaar ontbreekt door de onvolledige beoordeling niet in stand kan blijven. De beslissing van de kamer van beroep wordt daarom vernietigd wegens schending van artikel 8 lid 1 onder b UMVo. Het tweede middel over artikel 8 lid 5 UMVo en de overige oudere merken worden niet meer onderzocht. EUIPO draagt zijn eigen kosten en die van Aguirre y Compañía; de interveniënte draagt haar eigen kosten.

44      In the present case, it must be found, as the Board of Appeal noted, that the term ‘padel’, common to the marks at issue, will be immediately perceived by the relevant public as non-distinctive in relation to the goods covered by those marks in so far as, on the one hand, the goods covered by the earlier mark are, inter alia, padel racquets and sportswear and, on the other hand, the goods covered by the mark applied for are jerseys, which may, in particular, be marketed or used for playing padel.

45      Consequently, the Board of Appeal was correct in finding that the element ‘padel’, contained in the marks at issue, was not distinctive in relation to the goods in question.

80      The Board of Appeal therefore did not make an error of assessment in finding that that the applicant had not proved that the earlier mark had enhanced distinctiveness acquired through use by the relevant date, as regards padel racquets in Class 28. Consequently, it must be held that the Board of Appeal did not err in basing its assessment of the likelihood of confusion on the inherent distinctiveness of the earlier mark, which it defined as normal.

93      A global assessment of the likelihood of confusion implies some interdependence between the factors taken into account and, in particular, between the similarity of the trade marks and that of the goods or services covered. Accordingly, a low degree of similarity between those goods or services may be offset by a high degree of similarity between the marks, and vice versa (judgments of 29 September 1998, Canon, C‑39/97, EU:C:1998:442, paragraph 17, and of 14 December 2006, Mast-Jägermeister v OHIM – Licorera Zacapaneca (VENADO with frame and others), T‑81/03, T‑82/03 and T‑103/03, EU:T:2006:397, paragraph 74).

94      It cannot be ruled out that, in the context of the global assessment of the likelihood of confusion, the identity of the goods covered by the marks at issue may, in accordance with the case-law referred to in paragraph 93 above, offset the low degree of visual and conceptual similarity between the signs, based on a non-distinctive element.

95      Moreover, in the context of the global assessment of the likelihood of confusion, account must also be taken of other relevant factors, namely the average level of attention of the relevant public, the average phonetic similarity of the signs at issue and the average inherent distinctiveness of the earlier mark.

96      Consequently, it must be held that, in the light of the interdependence of the relevant factors, the Board of Appeal’s failure to take into account, in its global assessment of the likelihood of confusion, the fact that some goods covered by the marks at issue were identical vitiates with an error of assessment its conclusion regarding the likelihood of confusion.