13 okt 2025,
Kopieer citeerwijze ||
Grzegorz Wyrębski tegen EUIPO en Anna Gagatek-Woźniak, Artur Woźniak en Jolanta Mozerys
Gerecht: EUIPO gebonden aan eerder arrest over kwade trouw bij RED BRAND CHICKEN-merk
Gerecht 13 oktober 2025, IEF 23760; ECLI:EU:T:2025:970 (Grzegorz Wyrębski tegen EUIPO en Anna Gagatek-Woźniak, Artur Woźniak en Jolanta Mozerys). De zaak betreft een driedimensionaal Uniemerk bestaande uit de rood-witte rechthoekige vorm van een verpakking, ingeschreven voor producten en diensten in de klassen 29 en 40. Wyrębski verzoekt om nietigverklaring van het merk wegens kwade trouw bij de indiening van de merkaanvraag in de zin van artikel 52 lid 1 onder b van Verordening 207/2009. De nietigheidsafdeling van het EUIPO wijst dit verzoek aanvankelijk toe en de Tweede kamer van beroep verwerpt het daartegen ingestelde beroep. In 2023 vernietigt het Gerecht die beslissing echter, omdat de aangevoerde omstandigheden en bewijzen onvoldoende zijn om de kwade trouw van de merkhouders vast te stellen. Nadat het Hof een hogere voorziening tegen dat arrest niet toelaat, wordt de zaak opnieuw aan een kamer van beroep voorgelegd. De Vierde kamer van beroep vernietigt vervolgens de beslissing van de nietigheidsafdeling en wijst het verzoek om nietigverklaring af. Volgens het Gerecht handelt zij daarmee juist. Op grond van artikel 72 lid 6 van Verordening 2017/1001 moet het EUIPO bij de uitvoering van een vernietigingsarrest niet alleen het dictum, maar ook de dragende overwegingen daarvan eerbiedigen. Het eerdere arrest laat volgens het Gerecht geen materieel geschilpunt over de gestelde kwade trouw meer open: daarin is reeds geoordeeld dat het bewijs daarvoor ontoereikend is.
Wyrębski voert onder meer aan dat het Gerecht in het eerdere arrest relevante omstandigheden niet of onjuist heeft beoordeeld en dat de kamer van beroep daarom alle omstandigheden rond de gestelde kwade trouw opnieuw had moeten onderzoeken. Het Gerecht verwerpt dit betoog. Daarmee probeert Wyrębski in wezen de inhoudelijke juistheid van het inmiddels definitief geworden eerdere arrest opnieuw ter discussie te stellen, terwijl dit door het gezag van gewijsde niet meer mogelijk is. Ook zijn klacht dat de kamer van beroep haar nieuwe beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd, slaagt niet: zij heeft voldoende uiteengezet waarom zij op grond van artikel 72 lid 6 gebonden is aan het eerdere arrest en waarom het verzoek om nietigverklaring daarom moet worden afgewezen. Om dezelfde reden kan de kamer van beroep de omstandigheden waarop Wyrębski zijn beroep op kwade trouw baseert niet opnieuw inhoudelijk beoordelen. Het Gerecht wijst het beroep daarom als kennelijk rechtens ongegrond af. Wyrębski draagt zijn eigen kosten en die van de interveniënten; het EUIPO draagt zijn eigen kosten.
49 In ieder geval kan het argument van de verzoeker, dat het Gerecht het ontbreken van een schriftelijke overeenkomst tussen de partijen als doorslaggevend heeft beschouwd bij het uitsluiten van kwade trouw van de interveniënten, terwijl volgens hem een schriftelijke overeenkomst tussen de partijen niet noodzakelijk was, geen stand houden. Het is immers duidelijk dat het Gerecht, zoals blijkt uit de paragrafen 34, 35 en 37 van het nietigverklaringsvonnis, heeft onderzocht of er een stilzwijgende verbintenis tussen de partijen bestond en heeft geconcludeerd dat een dergelijke verbintenis niet bewezen was en door de verzoeker zelfs niet was aangevoerd in de EUIPO-procedure. Het Gerecht heeft in het nietigverklaringsvonnis niet geoordeeld dat een schriftelijke overeenkomst tussen de partijen noodzakelijk was of dat het loutere ontbreken van een dergelijke overeenkomst het bestaan van kwade trouw van de interveniënten uitsloot.
50 Ten tweede geldt hetzelfde voor het argument van de verzoeker dat het Gerecht in wezen de vermelding van een rechtsgrondslag voor het contract waarop de samenwerkingsrelatie tussen de partijen was gebaseerd, heeft vereist. In dit verband dient te worden opgemerkt dat het Gerecht in het nietigverklaringsvonnis niet heeft aangegeven dat de vermelding van een dergelijke rechtsgrondslag vereist was. In punt 35 van dat arrest heeft het Gerecht slechts gesteld dat noch de verzoeker, noch het EUIPO zich beroepen op een rechtsgrondslag op grond van EU-recht of toepasselijk nationaal recht die het mogelijk zou maken de handelsrelatie van de verzoeker met de [interveniënten] juridisch te karakteriseren en daaruit het bestaan van rechten en verplichtingen tussen hen af te leiden. Dit is een factor die in aanmerking is genomen bij de beoordeling van het bestaan van een gezamenlijke onderneming tussen de partijen, hoewel het Gerecht dit niet als een noodzakelijke voorwaarde voor een dergelijke onderneming heeft beschouwd.
51 Ten derde, wat betreft het argument van de verzoeker dat het Gerecht het auteursrecht op het betreffende teken gelijkstelde aan het recht om dat teken als merk te registreren, moet worden opgemerkt dat dit argument gebaseerd is op een verkeerde interpretatie van het nietigverklaringsvonnis. In het bijzonder heeft het Gerecht in punt 32 van dat arrest de betrokkenheid van de verzoeker bij de totstandkoming van het betreffende teken onderzocht. Onder de factoren die in dat punt in aanmerking werden genomen, was ook de bevinding van de Raad van Beroep in de eerdere uitspraak dat de interveniënten het auteursrecht op het betreffende teken hadden verworven. Noch dat punt, noch enige andere zin van het nietigverklaringsvonnis wijst erop dat het Gerecht het auteursrecht op het betreffende teken gelijkstelde aan het recht om dat teken als merk te registreren.
52 Gelet op het voorgaande dient het eerste verweer te worden verworpen.