8 okt 2025
Gerecht vernietigt EUIPO-beslissing over het merk déjà vu wegens gebrek aan beoordeling van de gebruiksduur
Gerecht EU 8 oktober 2025, IEF 23453; IEFbe 4183; ECLI:EU:T:2025:947 (Huda Beauty Ltd tegen EUIPO en Norbert Schulz). In deze zaak vordert Huda Beauty Ltd op grond van art. 263 VWEU gedeeltelijke nietigverklaring van een beslissing van de Vijfde Kamer van Beroep van het EUIPO van 16 april 2024, voor zover die beslissing de vervalvordering tegen het EU-woordmerk déjà vu voor waren in klasse 3 (“parfumerieproducten”) had afgewezen. Het vervalverzoek was gebaseerd op art. 58 lid 1, onder a, UMVo, omdat het merk volgens Huda Beauty gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar niet normaal was gebruikt. De door de interveniënt opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens termijnoverschrijding wordt door het Gerecht verworpen: de bestreden beslissing was op 22 april 2024 aan Huda Beauty meegedeeld, zodat het op 2 juli 2024 ingestelde beroep, rekening houdend met de beroepstermijn van twee maanden van art. 72 lid 5 UMVo en de forfaitaire afstandstermijn van tien dagen, tijdig was. Ten gronde stelt het Gerecht voorop dat werkelijk gebruik moet worden aangetoond aan de hand van concrete en objectieve gegevens, en dat op grond van art. 10 lid 3 van Gedelegeerde Verordening 2018/625 cumulatief moet blijken van de plaats, duur, omvang en aard van het gebruik. De relevante periode liep hier van 21 april 2016 tot en met 20 april 2021. Hoewel voor verval niet is vereist dat het merk onafgebroken gedurende de gehele periode is gebruikt, maar voldoende is dat sprake is van normaal gebruik tijdens een deel daarvan, moet de Kamer van Beroep wel zelfstandig beoordelen of het temporele element van het gebruik voldoende is aangetoond. Juist daarin schoot de bestreden beslissing volgens het Gerecht tekort. Onder het kopje “duur en plaats van het gebruik” bevatte die beslissing slechts één overweging, die geen temporele elementen noemde en in wezen alleen betrekking had op Duitsland als plaats van gebruik. Dat elders in de beslissing bewijsstukken waren opgesomd of in het kader van de omvang van het gebruik enkele stukken waren genoemd die mogelijk ook iets over de duur konden zeggen, maakt dat niet anders: de Kamer van Beroep had in de bestreden beslissing geen zelfstandige beoordeling en geen eigen conclusie gegeven over de duur van het gebruik van het merk. Daarmee heeft zij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
Omdat de eisen van art. 10 lid 3 van Gedelegeerde Verordening 2018/625 cumulatief zijn, volstaat dit gebrek om de beslissing te vernietigen, zonder dat het Gerecht nog hoefde te onderzoeken of de beslissing wél stand kon houden ten aanzien van de andere vereisten van werkelijk gebruik, te weten de plaats, de aard of de omvang van het gebruik; de aard van het gebruik was bovendien niet in geschil. Het Gerecht vernietigt daarom punten 1 en 2 van het dictum van de beslissing van de Vijfde Kamer van Beroep, voor zover die betrekking hebben op de klasse 3-waren “parfumerieproducten”. Wat de kosten betreft, bepaalt het Gerecht dat het EUIPO, nu het in het ongelijk is gesteld, naast zijn eigen kosten ook de door Huda Beauty in de procedure voor het Gerecht gemaakte kosten moet dragen. De interveniënt, Norbert Schulz, die geen conclusie over de kosten had genomen, draagt zijn eigen kosten. Voor zover Huda Beauty ook opkwam tegen het deel van de beslissing van de Kamer van Beroep waarbij partijen hun eigen kosten in de EUIPO-procedure moesten dragen, blijft dat onderdeel in stand: alleen de onmisbare kosten van de procedure voor de Kamer van Beroep kunnen als verhaalbare kosten gelden, en Huda Beauty had bovendien niet geconcretiseerd welke kostenverdeling na gedeeltelijke vernietiging volgens haar dan wél had moeten volgen. Daarmee slaagt het beroep dus inhoudelijk voor de betrokken klasse 3-waren, maar niet voor de kostenbeslissing in de administratieve fase bij het EUIPO.
27 In de onderhavige zaak bevat de bestreden beslissing slechts één punt, namelijk punt 52, dat onder de kop "Duur en plaats van gebruik" staat en dus uitdrukkelijk is gewijd aan de vraag naar de gebruiksduur van het betwiste merk. Dit punt vermeldt echter geen tijdsaspecten met betrekking tot dat gebruik en stelt slechts dat uittreksels van de websites van de tussenkomende partij en facturen die door de tussenkomende partij als bijlagen 9 en 10 zijn overgelegd, betrekking hebben op Duitsland.
28 Het dient derhalve te worden opgemerkt dat de Raad van Beroep in de bestreden uitspraak geen beoordeling heeft gemaakt en geen conclusies heeft geformuleerd met betrekking tot de gebruiksduur van het betwiste merk.
29 Hoewel de Raad van Beroep in paragraaf 5 van de bestreden beslissing bewijsmateriaal heeft opgesomd, waarvan vele gedateerd waren, en in overeenstemming met de argumenten van het EUIPO en de interveniënt in het gedeelte over het belang van het gebruik enig bewijsmateriaal heeft genoemd dat het gebruik van het betwiste merk gedurende de betwiste periode zou kunnen aantonen, moet worden opgemerkt dat de Raad van Beroep in de bestreden beslissing geen beoordeling van dit bewijsmateriaal heeft gemaakt met betrekking tot de duur van het gebruik van het betreffende merk.
30 Bijgevolg heeft de Raad van Beroep een rechtsdwaling begaan door na te laten een onafhankelijke beoordeling te maken van de gebruiksduur van het betwiste merk.
31 Gelet op het voorgaande, voor zover, zoals aangegeven in punt 19 hierboven, de vereisten van artikel 10, lid 3, van Gedelegeerde Verordening 2018/625 cumulatief zijn, dient de bestreden beslissing nietig te worden verklaard, zonder dat het nodig is de rechtmatigheid van die beslissing te toetsen aan de vereisten met betrekking tot, ten eerste, de locatie, ten tweede, de aard, die niet wordt betwist, en ten derde, de omvang van het gebruik van het betwiste merk.