Gepubliceerd op woensdag 10 december 2025
IEF 23762
Gerecht EU (voorheen GvEA) ||
19 nov 2025,
Gerecht EU (voorheen GvEA) 19 nov 2025,, IEF 23762; ECLI:EU:T:2025:1050 (Heinrich Sieber & Co. GmbH & Co. KG tegen EUIPO en Dieter Achilles), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-verschillen-tussen-weergaven-doen-geen-afbreuk-aan-eenheid-van-uniemodel-voor-tas

Gerecht: verschillen tussen weergaven doen geen afbreuk aan eenheid van Uniemodel voor tas

Gerecht EU 19 november 2025, IEF 23762; ECLI:EU:T:2025:1050 (Heinrich Sieber & Co. GmbH & Co. KG tegen EUIPO en Dieter Achilles). Heinrich Sieber verzoekt om nietigverklaring van een geregistreerd Uniemodel op grond van artikel 25 lid 1 onder a, gelezen in samenhang met artikel 3 onder a van Verordening 6/2002, in de versie die vóór Verordening 2024/2822 gold. Volgens Sieber tonen de zes geregistreerde weergaven niet één product, maar twee of zelfs drie verschillende producten: de op foto’s weergegeven tas, de grafisch weergegeven tas en een afzonderlijk afgebeeld bevestigingselement met haak. Het Gerecht bevestigt het oordeel van de kamer van beroep dat de weergaven gezamenlijk wel degelijk één coherent model tonen. Een model voldoet alleen aan artikel 3 onder a wanneer de weergave duidelijk het uiterlijk van één product of een deel daarvan identificeert. Onoplosbare inconsistenties of onoverkomelijke tegenstrijdigheden tussen de verschillende aanzichten kunnen daarom aan de geldigheid in de weg staan. Kleine verschillen zijn daarentegen toegestaan wanneer de verschillende weergaven logisch en plausibel als afbeeldingen van hetzelfde product kunnen worden gecombineerd. De afzonderlijk weergegeven barrette met haak vormt volgens het Gerecht geen zelfstandig product, maar een functioneel detail van de tas dat ook in andere aanzichten herkenbaar terugkomt. Dat dit onderdeel afzonderlijk en op grotere schaal is afgebeeld, doet niet af aan de eenheid van het model.

Ook de overige verschillen tussen de afbeeldingen leveren volgens het Gerecht geen onoplosbare inconsistenties op. Verschillen in de vorm van de bovenrand en verstevigingen kunnen worden verklaard door de soepelheid van het materiaal, de positie en belasting van de tas en het verschil tussen fotografische en grafische weergaven. Ook het ontbreken van zichtbare gaten in het afzonderlijk afgebeelde bevestigingselement is niet beslissend: voor de beoordeling van de eenheid staat de visuele samenhang van de verschillende aanzichten centraal en niet de precieze technische wijze waarop de onderdelen zijn gemonteerd. Het Gerecht verwerpt daarom het eerste middel. Ook het tweede middel slaagt niet: de kamer van beroep heeft het aangevoerde nietigheidsmotief volgens het Gerecht voldoende concreet onderzocht en haar beslissing, mede gelezen in samenhang met de beslissing van de nietigheidsafdeling, toereikend gemotiveerd. Ten slotte faalt het derde middel, dat betrekking heeft op artikel 85 lid 1 van Verordening 6/2002 en een arrest van het Duitse Bundesgerichtshof. De kamer van beroep baseert haar oordeel niet op een vermoeden van geldigheid van het model en is bovendien niet gebonden aan die Duitse uitspraak, omdat het Uniemodellenrecht een autonoom Unierechtelijk stelsel vormt en de Duitse zaak een inbreukprocedure betreft met een ander voorwerp dan de nietigheidsprocedure bij het EUIPO. Het Gerecht verwerpt daarom zowel het verzoek tot vernietiging van de beslissing van de kamer van beroep als het verzoek om het model zelf nietig te verklaren. Heinrich Sieber draagt zijn eigen proceskosten en die van interveniënt Dieter Achilles; het EUIPO draagt zijn eigen kosten.

31.       Uit de in paragraaf 25 aangehaalde jurisprudentie volgt dat de door de aanvrager voor een model ingediende afbeeldingen vanuit verschillende hoeken en perspectieven en ook op verschillende schalen kunnen zijn weergegeven. Dat het in afbeelding 6 getoonde onderdeel geïsoleerd op een grotere schaal is weergegeven, komt overeen met een in het modellenrecht geaccepteerde praktijk, bedoeld om een ​​afneembaar of essentieel technisch element te benadrukken. In dit geval draagt ​​het in afbeelding 6 getoonde element duidelijk bij aan de algehele structuur van de tas, als een bevestigingselement dat in het bovenframe is geïntegreerd. Er is derhalve geen sprake van tegenstrijdigheid, maar eerder van complementariteit tussen de afbeeldingen.

32       Bovendien kan het argument van de aanvrager dat de in afbeelding 6 getoonde staaf niet kon worden ingebracht zonder de naden van de tas los te maken, de uniciteit van het betwiste ontwerp niet in twijfel trekken. Zoals duidelijk blijkt uit de in paragraaf 23 aangehaalde jurisprudentie, heeft de beoordeling van de uniciteit van een ontwerp betrekking op de visuele waarneming van het product zoals weergegeven in alle ingediende afbeeldingen, en niet op de precieze samenstelling van de onderdelen. Het is voldoende dat de afbeeldingen visueel consistent zijn en als hetzelfde product kunnen worden waargenomen.

33       Dit is hier inderdaad het geval. Zoals aangegeven in paragraaf 30 hierboven, tonen de afbeeldingen 1, 2, 4 en 5 de aanwezigheid van een element dat qua vorm en positie identiek is aan het element dat afzonderlijk in afbeelding 6 is weergegeven. Dit element is dus visueel geïntegreerd in het geheel dat wordt weergegeven, wat voldoende is om de uniciteit van het ontwerp vast te stellen. In tegenstelling tot de bewering van de aanvrager heeft de Raad van Beroep dus niet aangenomen dat het product modulair is, maar afbeelding 6 terecht geïnterpreteerd als een detail van het product dat in de andere afbeeldingen wordt getoond.

34       Ten tweede wijst de aanvrager op een tegenstrijdigheid tussen afbeelding 1 en afbeeldingen 4 en 5. Zij betoogt dat in afbeelding 1 de versteviging van de bovenranden van de zijkanten van het handvat van de tas volledig in de zoom is genaaid en aan de uiteinden afgerond is, terwijl afbeeldingen 4 en 5 soms geen versteviging van de bovenrand laten zien. Bovendien laten deze twee afbeeldingen niet zien dat de rand aan de uiteinden afgerond is. In deze twee afbeeldingen eindigt de rand onder een hoek van 90 graden tussen de twee zijden waar ze samenkomen.

35       Zoals de Raad van Beroep opmerkte, is het algemeen bekend dat een product van flexibel materiaal, zoals de draagtas die het onderwerp is van het betwiste ontwerp, variaties in uiterlijk vertoont afhankelijk van de positie, de belasting of de kijkhoek. In dit geval tonen afbeeldingen 1 en 4 de tas open, zoals deze eruit zou zien als hij aan een winkelwagen hangt, waardoor het materiaal wordt uitgerekt en de contouren van de tas stijver lijken. Afbeelding 5 daarentegen toont de tas halfgesloten, gebruikt als draagtas, waardoor de contouren van de tas juist minder stijf lijken. De Raad van Beroep heeft daarom terecht geconstateerd dat eventuele verschillen tussen afbeelding 1 en afbeeldingen 4 en 5 te wijten zijn aan de elasticiteit van het materiaal, dat stijver of flexibeler kan lijken, afhankelijk van de toestand  en het gebruik van het product. Bovendien kunnen eventuele verschillen tussen afbeeldingen 1 en 4, met name wat betreft de versteviging van de bovenranden van de handvatten, worden verklaard door de verschillen tussen een fotografische en een grafische weergave. Deze verschillen hebben echter geen invloed op de algehele consistentie van het betwiste ontwerp.

36       Ten derde betoogt de aanvrager dat in de afbeeldingen 1, 2, 4 en 5 de stang in de zoom is genaaid en met knopen aan de stof van de draagtas is bevestigd. Daarom is de aanvrager van mening dat de stang gaten moet hebben waar de knoopsluitingen doorheen gaan. De aanvrager merkt echter op dat de stang in afbeelding 6 geen gaten heeft. De aanvrager concludeert dat deze stang geen onderdeel is van het product als geheel, maar een apart product van de draagtas.

37       In dit verband merkte de Raad van Beroep terecht op dat het ontbreken van dergelijke details de consistentie tussen de verschillende weergaven niet in twijfel trok. Enerzijds betekent het ontbreken van gaten in een bepaalde weergave niet noodzakelijkerwijs dat deze niet bestaan, vooral niet wanneer het gekozen perspectief bepaalde vlakken of interne elementen niet zichtbaar maakt. Anderzijds is het algemeen aanvaard, zoals aangegeven in paragraaf 23 hierboven, dat het EUIPO bij zijn beoordeling van de uniciteit van het betwiste ontwerp moet overwegen of de combinaties tussen de verschillende weergaven logisch en plausibel lijken in het licht van de algemene ervaring. In dit geval is het echter, zoals het EUIPO terecht in zijn pleidooi heeft aangevoerd, niet uitgesloten dat de knoppen op weergaven 1, 2, 4 en 5 niet met bevestigingsmiddelen zijn bevestigd, zoals de aanvrager lijkt te betogen, maar op hun plaats worden gehouden door een magnetisch systeem, zodat het niet nodig zou zijn dat de strip gaten heeft.

38       Kortom, in de onderhavige zaak leidt geen van de door de verzoeker aangevoerde argumenten tot de conclusie dat er onverenigbare inconsistenties of onoverkomelijke tegenstrijdigheden bestaan. De door de verzoeker aangehaalde verschillen betreffen slechts geringe verschillen tussen de standpunten, die niettemin, zoals vereist door de in punt 23 aangehaalde jurisprudentie, kunnen worden verenigd in de richting van één enkel ontwerp, namelijk de vorm van een zachte draagtas, voorzien van een stevig bovenframe, handvatten, een sluitsysteem en een bevestigingselement.