Gepubliceerd op dinsdag 15 september 2026
IEF 23830
Hof Amsterdam ||
8 sep 2026,
Hof Amsterdam 8 sep 2026,, IEF 23830; C/15/349043 (IVB tegen FTM c.s.), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hof-amsterdam-geen-inzage-in-bewijsbeslag-wegens-onvoldoende-aannemelijke-betrokkenheid-bij-anonieme-publicaties

Hof Amsterdam: geen inzage in bewijsbeslag wegens onvoldoende aannemelijke betrokkenheid bij anonieme publicaties

Hof Amsterdam 8 september 2026, IEF 23830; ECLI:NL:GHAMS:2026:2451 (IVB tegen FTM c.s.). Invorderingsbedrijf B.V. en drie gelieerde vennootschappen, gezamenlijk IVB, vorderen inzage in gegevens die bij een voormalig opdrachtgever conservatoir in bewijsbeslag zijn genomen. IVB stelt dat deze persoon verantwoordelijk is voor een jarenlange online lastercampagne tegen haar, bestaande uit negatieve publicaties onder zijn eigen naam, maar ook uit anonieme berichten, websites, reviews en publicaties onder aliassen. Omdat het hoger beroep na 1 januari 2025 is ingesteld, beoordeelt het hof de inzagevordering aan de hand van het nieuwe bewijsrecht, in het bijzonder de artikelen 194 en 195 Rv. Voor toewijzing moet onder meer voldoende aannemelijk zijn dat sprake is van een rechtsbetrekking waarop de gevraagde gegevens betrekking hebben en moeten de verlangde gegevens voldoende bepaald zijn. Het hof acht wel aannemelijk dat geïntimeerde zelf negatieve publicaties over IVB heeft gedaan, maar vindt onvoldoende aannemelijk dat hij ook betrokken was bij de anonieme en onder aliassen verschenen publicaties. De door IVB aangevoerde omstandigheden, zoals overeenkomsten in formuleringen, verwijzingen tussen websites, het gebruik van bepaalde namen en het gegeven dat verschillende berichten vanaf hetzelfde IP-adres zouden zijn geplaatst, bieden daarvoor onvoldoende concrete aanknopingspunten.

Ook de omvang en formulering van het inzageverzoek staan volgens het hof aan toewijzing in de weg. IVB vraagt om zeer brede categorieën e-mails, documenten en gegevensdragers, gekoppeld aan een lange lijst met zoektermen. In samenhang met het ontbreken van voldoende aannemelijke betrokkenheid bij de anonieme publicaties krijgt het verzoek daarmee het karakter van een ontoelaatbare fishing expedition. Het inzagerecht mag niet worden gebruikt om op goed geluk naar informatie te zoeken waarmee een nog onvoldoende onderbouwde rechtsbetrekking alsnog kan worden geconstrueerd. De in hoger beroep aanvullend aangevoerde groepsaansprakelijkheid op grond van artikel 6:166 BW leidt niet tot een ander oordeel, omdat IVB onvoldoende concrete feiten heeft gesteld waaruit volgt dat geïntimeerde als deelnemer aan een groep aansprakelijk kan worden gehouden voor de gestelde anonieme publicaties. Het hof bekrachtigt daarom het bestreden vonnis, wijst het meer of anders gevorderde af en veroordeelt IVB in de proceskosten van het hoger beroep.

6.10

Het hof volgt IVB niet in dit betoog. Het inzagerecht biedt de mogelijkheid om opheldering te verkrijgen over nog niet precies bekende of omstreden feiten en om de eigen proces- c.q. bewijspositie in een (potentieel) geschil nader te kunnen bepalen. Net als onder het oude recht moet echter worden voorkomen dat van het inzagerecht misbruik wordt gemaakt door op zoek te gaan naar informatie waarop geen recht bestaat, de zogenaamde fishing expedition. Daarmee is niet te verenigen dat degene die inzage vordert zou kunnen volstaan met het enkele stellen van een rechtsbetrekking. Weliswaar hoeft de rechtsbetrekking nog niet in rechte vast te staan, en hoeft een partij die om inzage verzoekt niet eerst voldoende aannemelijk te maken dát zij een vorderingsrecht heeft, maar er mogen wel degelijk eisen worden gesteld aan de aannemelijkheid van de gestelde grondslagen in die zin dat ten minste het begin van een feitelijke onderbouwing wordt gegeven van die grondslagen waaraan de gevraagde inzage dienstig is. Daarbij weegt in dit geval mede de grote reikwijdte van de inzagevordering, die onder meer alle privécorrespondentie van [geïntimeerde 1] omvat.

6.12

Het hof kan dan ook niet anders concluderen dan dat de door IVB vermoede betrokkenheid van [geïntimeerde 1] bij de websites en de publicaties online volstrekt speculatief is. Het ontbreken van een begin van aannemelijkheid van die betrokkenheid staat, mede in het licht van de zeer ruim geformuleerde inzagevordering, aan toewijzing daarvan in de weg. Deze inzagevordering kan niet anders worden gekwalificeerd dan als een fishing expedition. Het hof komt daarmee niet toe aan de vraag of die vermoede betrokkenheid de conclusie rechtvaardigt dat [geïntimeerde 1] onrechtmatig handelt jegens IVB. Met een fishing expedition wordt aan de wettelijke eisen voor toewijsbaarheid van het gevorderde immers niet voldaan (geen rechtsbetrekking, geen voldoende belang, en misbruik van bevoegdheid).

6.13

In hoger beroep heeft IVB als aanvullende grondslag voor de rechtsbetrekking aangevoerd dat sprake is van groepsaansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:166 BW. Volgens IVB is voldaan aan de criteria daarvoor omdat sprake is van een groep en [geïntimeerde 1] minst genomen een actieve bijdrage heeft geleverd aan de gedragingen in groepsverband. IVB stelt dat tussen de gedragingen van de groep een bewuste samenhang bestaat en de opzet van [geïntimeerde 1] gericht is op het toebrengen van schade, hetgeen hem had behoren te weerhouden van het deelnemen aan die gedragingen in dat groepsverband. Met [geïntimeerde 1] stelt het hof vast dat deze grondslaguitbreiding zich slecht verdraagt met de eerder aan de inzagevordering ten grondslag gelegde stelling dat [geïntimeerde 1] schuilgaat achter de aliassen en websites, maar bovendien heeft IVB onvoldoende toegelicht van welke concrete stellingen, in het licht van deze aanvullende grondslag, hij nadere onderbouwing denkt te vinden in de bescheiden waarvan hij inzage vordert. Daarmee is het belang bij de inzage, ook in zoverre, onvoldoende onderbouwd.