Gepubliceerd op vrijdag 12 november 2021
IEF 20328
Hoge Raad ||
12 nov 2021
Hoge Raad 12 nov 2021, IEF 20328; ECLI:NL:HR:2021:1668 (Organisatoren tegen Sena), https://ie-forum.nl/artikelen/hr-verwerpt-beroep-organisatoren-dance-evenementen

HR verwerpt beroep organisatoren dance-evenementen

HR 12 november 2021 12 november 2021, IEF 20328; ECLI:NL:HR:2021:1668 (Organisatoren tegen Sena) Zie ook de Conclusie P-G [IEF 19986]. Sena is een stichting die de rechten en vergoeding regelt van muziekanten en producenten. Het gaat in deze uitspraak om de vaststelling van de op grond van art. 7 lid 1 WNR bedoelde billijke vergoeding door organisatoren van dance evenementen. De Hoge Raad verwerpt het beroep. Het oordeel van het hof [IEF 18593] dat het redelijk is om uit te gaan van een aandeel Sena-repertoire van 60%, is de uitkomst van een zo goed mogelijke schatting. Er bestaat geen aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het hof heeft tot uitgangspunt genomen dat tussen de “ticketprijs” en de “prijs per bezoeker” geen recht evenredig verband bestaat. Dit oordeel is, gelet op het deskundigenbericht van de Geschillencommissie, waarin de “ticketprijs” en de “prijs per bezoeker” los van elkaar worden vastgesteld, niet onjuist of onbegrijpelijk.

 3.1
Onderdeel 10.4 van het middel klaagt dat onjuist is het oordeel van het hof (in rov. 32) dat online voor het publiek beschikbaar gestelde muziek onder het begrip ‘een voor commerciële doeleinden uitgebracht fonogram’ in art. 7 lid 2 Wnr valt en daarmee onder het Sena-repertoire. Het onderdeel betoogt dat het hof het begrip ‘een voor commerciële doeleinden uitgebracht fonogram’ te ver oprekt door daaronder alle online beschikbare muziek te begrijpen. Het hof miskent dat een fonogram dat niet voor handelsdoeleinden maar voor particuliere doeleinden online beschikbaar wordt gesteld, niet als commercieel fonogram kan worden aangemerkt. Nu art. 7 Wnr moet worden uitgelegd in het licht van art. 8 lid 2 Verhuurrichtlijn, dient mogelijk een prejudiciële vraag te worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over het begrip ’voor handelsdoeleinden uitgegeven fonogram’ als bedoeld in art. 8 lid 2 Verhuurrichtlijn, aldus het onderdeel.

3.2
Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden op grond van het navolgende.

Uit de bewoordingen van rov. 32 blijkt dat het oordeel van het hof dat het redelijk is om uit te gaan van een aandeel Sena-repertoire van 60%, de uitkomst is van een zo goed mogelijke schatting. Het hof heeft bij dat oordeel zowel acht geslagen op de stelling van de organisatoren dat het aandeel Sena-repertoire gemiddeld tussen de 35,5% en 40,94% ligt, als op de stelling van Sena dat moet worden uitgegaan van een aandeel Sena-repertoire van tussen de 68,4% en 85,3%. Het procesdossier bevat geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat de schatting van het hof anders zou zijn uitgevallen als ervan was uitgegaan dat fonogrammen die niet voor handelsdoeleinden, maar voor particuliere doeleinden online beschikbaar zijn gesteld, niet tot het Sena-repertoire behoren. Daarbij is van belang dat partijen zich niet hebben beroepen op concrete gegevens over het aandeel van tijdens dance-evenementen gebruikte fonogrammen die voor particuliere doeleinden online beschikbaar zijn gesteld, en dat uit het deskundigenbericht van de Geschillencommissie (p. 6) blijkt dat “de kern van het ‘draaien van muziek’ op een ‘dance event’ nog steeds het afspelen van commercieel uitgebrachte fonogrammen is”.

De overweging die het onderdeel bestrijdt, is bovendien niet dragend voor het oordeel van het hof dat de gecorrigeerde rapportage van DJ Monitor – die de organisatoren hebben overgelegd om het aandeel Sena-repertoire tijdens dance-evenementen van gemiddeld tussen de 35,5% en 40,94% te onderbouwen – “nog steeds niet als juist kan worden geaccepteerd”. Dat oordeel berust namelijk ook en allereerst op de omstandigheid dat de organisatoren en DJ Monitor ten onrechte ervan uitgaan dat herkende “Live Performances” niet onder het Sena-repertoire vallen.

Uit het voorgaande volgt dat ook als het hof van de door het onderdeel bepleite uitleg van art. 7 lid 2 Wnr was uitgegaan, dit niet tot een andere uitkomst zou hebben geleid. Nu de kwestie die het onderdeel aan de orde stelt, geen invloed kan hebben op de beoordeling van dit geschil, bestaat geen aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

3.3
Opmerking verdient dat het hof in de rov. 34-36 van zijn arrest het uitgangspunt van een aandeel van 60% Sena-repertoire heeft aangevuld met een individuele correctiemogelijkheid. Een organisator kan in een voorkomend geval gegevens aanleveren op grond waarvan Sena kan vaststellen wat het werkelijke aandeel Sena-repertoire tijdens een dance-evenement is geweest. Als uit de vaststelling van het werkelijke aandeel Sena-repertoire blijkt dat dit hoger of lager is dan 60%, zal Sena de verschuldigde billijke vergoeding naar evenredigheid bijstellen. Het opnemen van deze individuele correctiemogelijkheid leidt ertoe dat ten onrechte ondervonden ongunstige gevolgen van de schatting van het aandeel Sena-repertoire op 60%, kunnen worden weggenomen.

3.4
Onderdeel 12.1 klaagt over de oordelen van het hof in de rov. 26, 33 en 39-41. Het onderdeel wijst erop dat het hof in rov. 39-40 uitgaat van een 20% lagere ticketprijs dan het in rov. 26 bedoelde uitgangspunt, te weten een ticketprijs van € 40,-- in plaats van € 50,--. Door de prijs per bezoeker niet evenredig 20% lager vast te stellen, te weten op een prijs van € 0,52 per bezoeker in plaats van de in rov. 33 en rov. 41 genoemde € 0,65 per bezoeker, is het oordeel van het hof onjuist, want te onnauwkeurig, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk, aldus het onderdeel.

3.5
Deze klacht faalt. Het hof heeft klaarblijkelijk tot uitgangspunt genomen dat tussen de “ticketprijs” en de “prijs per bezoeker” geen recht evenredig verband bestaat. Dit oordeel is, gelet op het deskundigenbericht van de Geschillencommissie (p. 8), waarin de “ticketprijs” en de “prijs per bezoeker” los van elkaar worden vastgesteld, niet onjuist of onbegrijpelijk.