Gepubliceerd op woensdag 15 mei 2019
IEF 18458
HvJ EU ||
2 mei 2019
HvJ EU 2 mei 2019, IEF 18458; ECLI:EU:C:2019:344 (Queso manchego), https://ie-forum.nl/artikelen/hvj-eu-gebruik-van-tekens-die-een-voorstelling-van-de-aan-de-bob-verbonden-regio-kunnen-oproepen-kan

HvJ EU: Gebruik van tekens die een voorstelling van de aan de BOB verbonden regio kunnen oproepen, kan onrechtmatig zijn

HvJ EU 2 mei 2019, IEF 18458; IEFbe 2882; RB 3313; C-614/17; ECLI:EU:C:2019:344 (Queso manchego) Gebruik van tekens die een voorstelling van de aan de beschermde oorsprongsbenaming (BOB) verbonden regio kunnen oproepen – Begrip ‚normaal geïnformeerde en redelijk oplettende gemiddelde consument’ – Europese consumenten of consumenten van de lidstaat waar het product met de BOB wordt vervaardigd en hoofdzakelijk wordt geconsumeerd. Gebruik van een beeldmerk dat een beeld oproept van het geografisch gebied waarmee een BGA is geassocieerd kan onrechtmatig zijn. HvJ EU:

1)      Artikel 13, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen moet aldus worden uitgelegd dat het gebruik van beeldtekens een voorstelling van een geregistreerde benaming kan oproepen.

2)      Artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 510/2006 moet aldus worden uitgelegd dat het gebruik van beeldtekens die een voorstelling oproepen van het geografische gebied waarmee een in artikel 2, lid 1, onder a), van die verordening bedoelde oorsprongsbenaming verband houdt, een voorstelling van die BOB kan oproepen, ook wanneer die beeldtekens worden gebruikt door een producent die in die regio is gevestigd, maar wiens producten, die identiek zijn aan of vergelijkbaar zijn met de door deze oorsprongsbenaming beschermde producten, niet onder die BOB vallen.

3)      Het begrip „normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument”, van wiens waarneming de nationale rechter moet uitgaan om te bepalen of er sprake is van een „voorstelling” als bedoeld in artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 510/2006, dient in die zin te worden opgevat dat het ziet op de Europese consument, met inbegrip van de consument van de lidstaat waar het product dat de voorstelling van de beschermde benaming oproept, wordt vervaardigd of waarmee die benaming geografisch verbonden is en waar het product hoofdzakelijk wordt geconsumeerd.

Gestelde vragen [IEF 17333; RB 3047; IEFbe 2420]:

1)      Dient er, om te kunnen spreken van het oproepen van een krachtens artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 510/2006 verboden voorstelling van een [BOB], noodzakelijkerwijs sprake te zijn van het gebruik van benamingen die een grafische, fonetische of conceptuele gelijkenis vertonen met die [BOB], of kan deze voorstelling ook worden opgeroepen door het gebruik van beeldtekens die een voorstelling oproepen van de [BOB]?

2)      Kan, in het geval van een [BOB] met een geografisch karakter [artikel 2, lid 1, onder a), van verordening nr. 510/2006], wanneer het gaat om identieke of soortgelijke producten, het gebruik van tekens die een voorstelling oproepen van de regio waarmee de [BOB] verband houdt, worden aangemerkt als de oproeping van een voorstelling – als bedoeld in artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 510/2006 – van de [BOB] zelf die verboden is, ook in het geval waarin degene die deze tekens gebruikt een producent is die is gevestigd in de regio waarmee die [BOB] verband houdt, doch wiens producten niet vallen onder die [BOB] omdat zij behalve aan het vereiste van geografische oorsprong, aan geen van de specificaties in het productdossier voldoen?

3)      Dient het begrip ‚normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument’, van wiens waarneming de nationale rechter moet uitgaan om te bepalen of er sprake is van een ‚voorstelling’ als bedoeld in artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 510/2006 in die zin te worden opgevat dat zij ziet op de Europese consument dan wel in die zin dat zij enkel ziet op de consument van de lidstaat waar het product dat de voorstelling van de beschermde geografische aanduiding oproept, wordt vervaardigd of waarmee de BOB geografisch verbonden is en waar het product hoofdzakelijk wordt geconsumeerd?