11 sep 2025,
HvJ EU laat hogere voorziening over aanvullende bewijsstukken bij EUIPO niet toe
HvJ EU 11 september 2025, IEF 23750; ECLI:EU:C:2025:725 (ADS L. Kowalik, B. Włodarczyk tegen EUIPO). ADS L. Kowalik, B. Włodarczyk verzoekt om toelating van haar hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van 15 januari 2025 in een nietigheidsprocedure betreffende een Gemeenschapsmodel voor een accessoire voor een draadloze afstandsbediening. Het geschil betreft met name de voorwaarden waaronder een kamer van beroep van het EUIPO rekening kan houden met feiten en bewijsstukken die voor het eerst voor die kamer worden aangevoerd. Volgens ADS heeft het Gerecht onder meer artikel 27 leden 2 en 4 van Gedelegeerde Verordening 2018/625, gelezen in samenhang met bepalingen van Verordening 6/2002, onjuist uitgelegd. Ook zou de uitleg van het Gerecht onverenigbaar zijn met het beginsel van behoorlijk bestuur, waaronder het recht om te worden gehoord en het beginsel van equality of arms, zoals beschermd door artikel 41 lid 1 Handvest. Daarnaast voert ADS aan dat het Gerecht de inhoud van beslissingen van de nietigheidsafdeling en de kamer van beroep heeft verdraaid. Volgens ADS zijn deze kwesties van belang voor de beslissingspraktijk van het EUIPO en voor de omvang van de bevoegdheden van de kamers van beroep.
Het Hof laat de hogere voorziening niet toe. Op grond van artikel 58 bis van het Statuut van het Hof moet de verzoeker aantonen dat de hogere voorziening een vraag opwerpt die belangrijk is voor de eenheid, samenhang of ontwikkeling van het Unierecht. Daarvoor moet concreet worden uiteengezet welke rechtsvraag wordt opgeworpen, waarom deze dat bredere belang heeft en, wanneer een afwijking van eerdere rechtspraak wordt gesteld, waaruit die tegenstrijdigheid precies bestaat. ADS heeft volgens het Hof onvoldoende specifiek onderbouwd waarom de aangevoerde vragen het concrete geschil overstijgen. Algemene stellingen dat de vermeende fouten gevolgen hebben voor de gehele beslissingspraktijk van het EUIPO of betrekking hebben op een ‘constitutionele’ vraag over de bevoegdheden van de kamers van beroep zijn daarvoor onvoldoende. Ook een gestelde verdraaiing van feiten of beslissingen kan op zichzelf in beginsel geen belangrijke vraag voor de eenheid, samenhang of ontwikkeling van het Unierecht opleveren. Het verzoek tot toelating van de hogere voorziening wordt daarom afgewezen en ADS draagt haar eigen kosten.
18 Een verzoek om het beroep toe te staan moet in ieder geval duidelijk en nauwkeurig de gronden vermelden waarop het beroep is gebaseerd, met dezelfde precisie en duidelijkheid de rechtsvraag identificeren die door elke grond wordt opgeworpen, aangeven of die vraag van belang is voor de eenheid, consistentie of ontwikkeling van het EU-recht, en specifiek toelichten waarom die vraag van belang is in het licht van het ingeroepen criterium. Met name wat de beroepsgronden betreft, moet het verzoek om het beroep toe te staan de bepaling van het EU-recht of de jurisprudentie specificeren die naar verluidt door het bestreden arrest of de bestreden beschikking is genegeerd, de vermeende rechtsdwaling van het Gerecht beknopt uiteenzetten en aangeven in hoeverre die dwaling de uitkomst van het bestreden arrest of de bestreden beschikking heeft beïnvloed. Wanneer de vermeende rechtsdwaling voortvloeit uit het niet naleven van de jurisprudentie, moet het verzoek om toelating van het beroep beknopt, maar duidelijk en nauwkeurig uiteenzetten: ten eerste, waar de vermeende tegenstrijdigheid ligt, met vermelding van zowel de punten van het bestreden arrest of de bestreden beschikking die de verzoeker aanvecht, als die van de beslissing van het Hof of het Gerecht die buiten beschouwing zijn gelaten; ten tweede, de specifieke redenen waarom een dergelijke tegenstrijdigheid een belangrijke vraag oproept voor de eenheid, consistentie of ontwikkeling van het EU-recht (beschikkingen van 10 december 2021, EUIPO/The KaiKai Company Jaeger Wichmann , C-382/21 P, EU:C:2021:1050, punt 22, en van 29 april 2025, SC/Eulex Kosovo , C-881/24 P, EU:C:2025:313, punt 16).
21 In dit verband is het belangrijk te benadrukken dat, overeenkomstig de bewijslast die rust op de partij die verlof tot hoger beroep verzoekt, de verzoeker moet aantonen dat, ongeacht de juridische kwesties die in het hoger beroep aan de orde worden gesteld, het hoger beroep een of meer kwesties van belang voor de eenheid, consistentie of ontwikkeling van het EU-recht aan de orde stelt. De reikwijdte van dit criterium reikt verder dan het bestreden arrest en uiteindelijk verder dan de reikwijdte van het hoger beroep zelf. Deze aantoonbaarheid houdt in dat zowel het bestaan als het belang van dergelijke kwesties moet worden aangetoond door middel van concrete bewijzen die specifiek zijn voor de onderhavige zaak, en niet slechts door algemene argumenten (Besluit van 10 december 2021, EUIPO tegen The KaiKai Company Jaeger Wichmann , C-382/21 P, EU:C:2021:1050, punten 27 en 28 ).
25 Ten tweede, wat betreft het argument samengevat in de punten 10 en 15 van dit arrest, betreffende de onjuiste weergave door het Hof van Justitie van de beslissingen van de Afdeling Nietigverklaring en de Kamer van Beroep, dient te worden opgemerkt dat een dergelijk argument in beginsel op zichzelf, zelfs indien het gegrond zou zijn, geen belangrijke vraag kan oproepen voor de eenheid, consistentie of ontwikkeling van het EU-recht (zie, naar analogie, het arrest van 5 juli 2023, Suicha tegen EUIPO, C-120/23 P, EU:C:2023:539, punt 15 en de daarin aangehaalde jurisprudentie).