Gepubliceerd op dinsdag 11 augustus 2026
IEF 23751
HvJ EU ||
11 sep 2025,
HvJ EU 11 sep 2025,, IEF 23751; ECLI:EU:C:2025:728 (Hecht Pharma GmbH tegen EUIPO), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvj-eu-laat-hogere-voorziening-over-normaal-gebruik-van-uniemerk-voor-ayurvedische-producten-niet-toe

HvJ EU laat hogere voorziening over normaal gebruik van Uniemerk voor ayurvedische producten niet toe

HvJ EU 11 september 2025, IEF 23751; ECLI:EU:C:2025:728 (Hecht Pharma GmbH tegen EUIPO). Hecht Pharma verzoekt om toelating van haar hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van 18 december 2024 in een vervallenverklaringsprocedure tussen Hecht Pharma en Gufic BioSciences over het Uniemerk H 15 Gufic. Hecht Pharma voert drie middelen aan. Volgens haar heeft het Gerecht artikel 18 lid 1 UMVo onjuist toegepast bij de beoordeling van het normale gebruik van het merk voor waren in klasse 5. In het bijzonder zou het Gerecht te veel gewicht hebben toegekend aan de presentatie van de betrokken producten als “ayurvedic medicine” en aan de perceptie van consumenten. Volgens Hecht Pharma had ook rekening moeten worden gehouden met de letterlijke betekenis van de term “medicijnen” en met de opvattingen van deskundigen. Omdat de betrokken ayurvedische producten volgens Hecht Pharma geen therapeutische werking hebben, zouden zij niet als “medicijnen” in klasse 5 kunnen worden aangemerkt en daarom evenmin kunnen dienen als bewijs van normaal gebruik van het merk voor die waren. Daarnaast klaagt Hecht Pharma over de afwijzing van aanvullende bewijsstukken, onder meer over Indiaas recht, en over schending van het recht op een eerlijk proces.

Het Hof laat de hogere voorziening niet toe. Op grond van artikel 58 bis van het Statuut van het Hof moet de verzoeker concreet aantonen dat de hogere voorziening een vraag opwerpt die belangrijk is voor de eenheid, samenhang of ontwikkeling van het Unierecht. De stellingen van Hecht Pharma over de betekenis van “medicijnen” in klasse 5, de verhouding tussen de UMVo en Richtlijn 2001/83 en de kwalificatie van producten die als geneesmiddel worden gepresenteerd maar volgens haar geen therapeutische werking hebben, zijn volgens het Hof te algemeen onderbouwd en hebben vooral betrekking op de beslechting van het concrete geschil. Voor zover Hecht Pharma de feitelijke beoordeling door het Gerecht betwist, kan dat evenmin aantonen dat sprake is van een dergelijke belangrijke rechtsvraag. Ook de gestelde afwijking van eerdere rechtspraak, de afwijzing van aanvullende bewijsstukken en de gestelde schending van het recht op een eerlijk proces zijn onvoldoende concreet onderbouwd als vragen van belang voor de eenheid, samenhang of ontwikkeling van het Unierecht. Het verzoek tot toelating van de hogere voorziening wordt daarom afgewezen en Hecht Pharma draagt haar eigen kosten.

17       Een verzoek om het beroep toe te staan ​​moet in ieder geval duidelijk en nauwkeurig de gronden vermelden waarop het beroep is gebaseerd, met dezelfde precisie en duidelijkheid de rechtsvraag identificeren die door elke grond wordt opgeworpen, aangeven of die vraag van belang is voor de eenheid, consistentie of ontwikkeling van het EU-recht, en specifiek toelichten waarom die vraag van belang is in het licht van het ingeroepen criterium. Met name wat de beroepsgronden betreft, moet het verzoek om het beroep toe te staan ​​de bepaling van het EU-recht of de jurisprudentie specificeren die naar verluidt door het bestreden arrest of de bestreden beschikking is genegeerd, de vermeende rechtsdwaling van het Gerecht beknopt uiteenzetten en aangeven in hoeverre die dwaling de uitkomst van het bestreden arrest of de bestreden beschikking heeft beïnvloed. Wanneer de vermeende rechtsdwaling voortvloeit uit het niet naleven van de jurisprudentie, moet het verzoek om toelating van het beroep beknopt, maar duidelijk en nauwkeurig uiteenzetten waar de vermeende tegenstrijdigheid zich bevindt, met vermelding van zowel de punten van het bestreden arrest of de bestreden beschikking die de verzoeker aanvecht als die van de beslissing van het Hof of het Gerecht die buiten beschouwing zijn gelaten, en ten tweede de specifieke redenen waarom een ​​dergelijke tegenstrijdigheid een belangrijke vraag oproept voor de eenheid, consistentie of ontwikkeling van het EU-recht (beschikkingen van 10 december 2021, EUIPO/The KaiKai Company Jaeger Wichmann , C-382/21 P, EU:C:2021:1050, punt 22, en van 11 juli 2023, EUIPO/Neoperl , C-93/23 P, EU:C:2023:601, punt 20 en de daarin aangehaalde jurisprudentie).

18       Een verzoek om toelating van het beroep dat niet de in de voorgaande paragraaf van dit besluit genoemde elementen bevat, kan immers van meet af aan niet aantonen dat het beroep een belangrijke vraag oproept voor de eenheid, consistentie of ontwikkeling van het EU-recht die toelating rechtvaardigt (besluiten van 24 oktober 2019, Porsche tegen EUIPO , C-613/19 P, EU:C:2019:905, punt 16, en van 9 januari 2024, Yayla Türk tegen EUIPO , C-611/23 P, EU:C:2024:3, punt 13 en de daarin aangehaalde jurisprudentie).

19       In het onderhavige geval moet met betrekking tot de argumenten samengevat in de paragrafen 8 tot en met 14 van dit besluit worden opgemerkt dat de loutere beweringen van de verzoeker betreffende, ten eerste, het belang van de aangevoerde kwesties voor de eenheid, consistentie of ontwikkeling van het EU-recht; ten tweede, de noodzaak om te verduidelijken of een product dat zogenaamd geen therapeutische werking heeft, maar waarvan de verpakking de schijn van een geneesmiddel wekt, kan vallen onder het begrip 'geneesmiddelen' in de zin van klasse 5 van de Overeenkomst van Nice; en ten slotte, de noodzaak om consistentie te waarborgen tussen Verordening 2017/1001 en Richtlijn 2001/83, kennelijk te algemeen zijn om een ​​dergelijke onderbouwing te vormen. Het is immers duidelijk uit het verzoek om het beroep toe te wijzen dat de argumenten van de verzoeker zich meer richten op het oplossen van het geschil zelf dan op het aantonen dat het beroep kwesties van belang voor de eenheid, consistentie of ontwikkeling van het EU-recht aan de orde stelt.

23       Ten slotte, wat betreft het argument samengevat in punt 14 van dit arrest, waarin de verzoeker een schending van het recht op een eerlijk proces aanvoert, is het belangrijk op te merken dat, onverminderd de belangrijke plaats die het recht op een eerlijk proces inneemt binnen de EU-rechtsorde, dit argument evenmin voldoet aan de vereisten van punt 17 van dit arrest (zie, naar analogie, het arrest van 2 februari 2024, Apart tegen EUIPO , C-598/23 P, EU:C:2024:110, punt 18). Hoewel de verzoeker de vermeende rechtsdwaling van het Gerecht aanwijst, legt hij onvoldoende uit, noch toont hij in ieder geval aan, hoe een dergelijke rechtsdwaling, zelfs indien bewezen, een belangrijke vraag zou kunnen oproepen met betrekking tot de eenheid, consistentie of ontwikkeling van het EU-recht die het beroep zou rechtvaardigen.