Gepubliceerd op woensdag 16 maart 2022
IEF 20595
HvJ EU ||
10 mrt 2022
HvJ EU 10 mrt 2022, IEF 20595; ECLI:EU:C:2022:174 (Maxxus tegen Globus), https://ie-forum.nl/artikelen/hvj-eu-maxxus-tegen-globus

HvJ EU: Maxxus tegen Globus

HvJ EU 10 maart 2022, IEF 20595, IEFbe 3398; ECLI:EU:C:2022:174 (Maxxus tegen Globus) Het verzoek om een prejudiciële beslissing is ingediend in het kader van een geding tussen Maxxus en Globus [zie IEF 19976]. In deze zaak wordt door Maxxus betwist dat Globus’ merknaam ‘Maxus’ nog in gebruik is. Het Landgericht Saarbrücken heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

‘Moet het Unierecht, in het bijzonder [richtlijn 2008/95], met name artikel 12, respectievelijk richtlijn [2015/2436], met name de artikelen 16, 17 en 19, aldus worden uitgelegd dat de nuttige werking van deze bepalingen zich verzet tegen een uitlegging van het nationale procesrecht volgens welke:
a) aan de verzoekende partij in een civiele procedure strekkende tot vervallenverklaring en doorhaling van een ingeschreven nationaal merk wegens niet-gebruik een van de bewijslast te onderscheiden stelplicht wordt opgelegd, en
b) in het kader van deze stelplicht de verzoekende partij ertoe wordt verplicht,
- voor zover dit voor haar mogelijk is, in een dergelijke procedure een gesubstantieerd betoog inzake het niet-gebruik van het merk door de verwerende partij te voeren en
- daartoe een eigen marktonderzoek te verrichten dat passend is gelet op de vordering tot doorhaling en de specifieke aard van het betrokken merk?’

Beantwoording van de prejudiciële vragen:

Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:

Artikel 19 van richtlijn (EU) 2015/2436 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een procedureregel van een lidstaat op grond waarvan, in een procedure tot vervallenverklaring wegens niet-gebruik van een merk, de verzoekende partij verplicht is om een marktonderzoek te verrichten naar het eventuele gebruik van dit merk door de houder ervan en om in dit verband, in de mate van het mogelijke, haar vordering met een gesubstantieerd betoog te onderbouwen.