Gepubliceerd op dinsdag 23 juni 2026
IEF 23641
HvJ EU ||
18 jun 2026
HvJ EU 18 jun 2026, IEF 23641; C-232/25 ((Z.R. en Ś tegen U. en Z.)), https://ie-forum.nl/artikelen/hvj-eu-verduidelijkt-bevoegdheid-bij-grensoverschrijdende-aantasting-persoonlijkheidsrechten-door-televisieserie

HvJ EU verduidelijkt bevoegdheid bij grensoverschrijdende aantasting persoonlijkheidsrechten door televisieserie

HvJ EU 18 juni 2026, IEF 23641; C-232/25 (Z.R. en Ś tegen U. en Z.). In deze zaak tussen Z.R. en Ś. enerzijds en de Duitse producenten U. en Z. anderzijds staat de internationale bevoegdheid centraal bij een gestelde schending van persoonlijkheidsrechten door een televisieserie over de Tweede Wereldoorlog. Z.R. is een voormalig lid van een Poolse verzetsorganisatie (formatie X) en Ś. is een vereniging die de nagedachtenis en reputatie van die organisatie bewaakt. Volgens hen worden de leden van de formatie in de serie afgeschilderd als antisemieten en collaborateurs, waardoor hun eer, waardigheid en nationale identiteit zijn aangetast. Zij vorderen onder meer excuses op televisie en internet en vergoeding van immateriële schade. De zaak wordt beoordeeld aan de hand van artikel 5, punt 3, Brussel I, dat ratione temporis van toepassing is. De Poolse rechter vraagt het Hof van Justitie of de Poolse rechter bevoegd is om kennis te nemen van een vordering tot vergoeding van de volledige schade, nu de serie weliswaar in Duitsland is geproduceerd maar ook in Polen is uitgezonden en online beschikbaar is. Daarbij rijst in het bijzonder de vraag of de rechtspraak over internetpublicaties, waarin het 'centrum van de belangen' van de benadeelde een aanknopingspunt vormt voor bevoegdheid, ook geldt voor televisieseries die in meerdere lidstaten worden uitgezonden. Het Hof maakt een duidelijk onderscheid tussen televisie-uitzendingen en internetpublicaties. Bij televisie is de verspreiding territoriaal begrensd tot het ontvangstgebied van het televisiesignaal. Anders dan online content is een televisie-uitzending niet van nature overal en gelijktijdig toegankelijk. Daarom kan de benadeelde weliswaar procederen in iedere lidstaat waar de serie is uitgezonden en waar hij stelt reputatieschade te hebben geleden, maar die rechter is uitsluitend bevoegd voor de schade die op zijn eigen grondgebied is ontstaan (mozaïekbevoegdheid in de lijn van Shevill). Het centrum van de belangen van de benadeelde vormt in deze situatie geen grondslag voor een vordering die ziet op de volledige schade. Dat geldt ook als de serie gelijktijdig via internet wordt verspreid: eventuele versnippering van het geding neemt niet weg dat de benadeelde voor de volledige schade nog steeds kan procederen bij de rechter van de woonplaats van de verweerder of van de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis (de zetel van de producenten). Voor online verspreide inhoud bevestigt het Hof zijn eerdere rechtspraak dat de rechter van de lidstaat waar het centrum van de belangen van de benadeelde ligt bevoegd kan zijn om kennis te nemen van de volledige schade. Daarvoor geldt echter een belangrijke voorwaarde: de betrokken inhoud moet objectieve en controleerbare gegevens bevatten die het mogelijk maken de benadeelde direct of indirect als individu te identificeren.

Dat een publicatie betrekking heeft op een beperkte en afgebakende groep personen waarmee iemand in verband kan worden gebracht, is daarvoor niet voldoende. Volgens het Hof moet een persoon met zekerheid kunnen worden geïdentificeerd aan de hand van kenmerken die hem onderscheiden van anderen, juist met het oog op de voorspelbaarheid van de bevoegde rechter voor de uitgever.Het Hof oordeelt daarom dat Z.R. zich niet op deze bevoegdheidsgrond kan beroepen. De serie bevat geen gegevens waaruit zijn identiteit direct of indirect volgt; het enkele feit dat hij tot de (beperkte) groep van leden van formatie X behoort, volstaat niet. Anders ligt dit voor Ś. De vereniging heeft als voornaamste taak de belangen van de formatie X te beschermen en de serie verwijst volgens het Hof onmiskenbaar naar deze specifieke, afgebakende groep. De rechter van de lidstaat waar het centrum van de belangen van de vereniging ligt, is daarom wel bevoegd om kennis te nemen van de volledige schadevordering van die vereniging voor zover het gaat om de online verspreiding van de serie; voor de schade door tv‑uitzendingen blijft de mozaïekbevoegdheid gelden. Ten aanzien van de gevorderde maatregelen maakt het Hof eveneens onderscheid. Een rechter die slechts bevoegd is voor de schade die in zijn eigen lidstaat is ontstaan, kan kennisnemen van vorderingen die strekken tot vergoeding van die nationale schade en van maatregelen die uitsluitend zien op het voorkomen of herstellen van schade in die lidstaat. Dergelijke vorderingen moeten qua werking territoriaal beperkt blijven tot die lidstaat. Voor online publicaties geldt echter dat vorderingen tot rectificatie of verwijdering van gegevens niet splitsbaar zijn. Een rechter die niet bevoegd is om over de volledige schade te oordelen, kan daarom geen bevel geven tot rectificatie of verwijdering van online geplaatste gegevens. Voor tv‑uitzendingen kan een rechter met slechts nationale bevoegdheid wel niet‑geldelijke maatregelen opleggen (zoals waarschuwingen of verklaringen) voor zover die beperkt blijven tot uitzendingen op zijn eigen grondgebied. Met dit arrest verduidelijkt het Hof dat de bevoegdheidsregels voor televisie-uitzendingen en internetpublicaties niet samenvallen. Het centrum van de belangen blijft een belangrijk aanknopingspunt bij online persoonlijkheidsrechten, maar biedt geen grondslag voor een vordering tot vergoeding van de volledige schade die voortvloeit uit een televisieserie die in meerdere lidstaten is uitgezonden. Wanneer televisieserie en online verspreiding samenvallen, kan de benadeelde voor de volledige schade bovendien nog steeds terecht bij de rechter van de woonplaats van de verweerder of van de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis.

 

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 5, punt 3, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat de rechterlijke instanties van de lidstaat waar het centrum van de belangen van een natuurlijke of rechtspersoon is gelegen, niet bevoegd zijn om kennis te nemen van een vordering tot vergoeding van de volledige schade die deze persoon heeft geleden als gevolg van een schending van zijn persoonlijkheidsrechten door de uitzending van audiovisuele inhoud op televisie in meerdere lidstaten. Hetzelfde geldt voor de rechterlijke instanties van de lidstaat waar het centrum van de belangen van een natuurlijke persoon is gelegen wanneer de betreffende inhoud op internet is verspreid maar het niet mogelijk maakt om deze persoon te identificeren, zelfs niet indirect, hoewel de inhoud wel onmiskenbaar een beperkte groep identificeert waarvan de leden een gesloten categorie van personen vormen waarmee die persoon in verbinding kan worden gebracht. De rechterlijke instanties van de lidstaat waar het centrum van de belangen is gelegen van een rechtspersoon die als voornaamste taak heeft de belangen van deze groep te verdedigen, zijn daarentegen wel bevoegd om kennis te nemen van de vordering tot vergoeding van de volledige schade die deze rechtspersoon heeft geleden als gevolg van een schending van de persoonlijkheidsrechten door de verspreiding van die audiovisuele inhoud op internet.

2)      Artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 moet aldus worden uitgelegd dat de rechterlijke instanties van een lidstaat die enkel bevoegd zijn om kennis te nemen van vorderingen betreffende de schade die is veroorzaakt in de lidstaat waartoe zij behoren en die voortvloeit uit een vermeende schending van de persoonlijkheidsrechten door de uitzending van een serie op televisie, kennis kunnen nemen van een vordering tegen de producent van die serie waarbij aanspraak wordt gemaakt op een niet-geldelijke prestatie teneinde de gevolgen van een dergelijke schending ongedaan te maken en te voorkomen, alsmede op een geldelijke prestatie teneinde vergoeding te verkrijgen van de immateriële schade die voortvloeit uit de uitzending van deze serie. Hetzelfde geldt voor een vordering tegen deze producent waarbij aanspraak wordt gemaakt op een geldelijke prestatie ter vergoeding van de immateriële schade die voortvloeit uit de verspreiding van deze serie op internet. Deze rechterlijke instanties zijn daarentegen niet bevoegd om kennis te nemen van een vordering tegen die producent waarbij aanspraak wordt gemaakt op een niet-geldelijke prestatie tot rectificatie van de online geplaatste gegevens van die serie.