Gepubliceerd op woensdag 22 april 2026
IEF 23493
Rechtbank Den Haag ||
10 apr 2026
Rechtbank Den Haag 10 apr 2026, IEF 23493; ECLI:NL:RBDHA:2026:8972 (I4F tegen Van Dijk), https://ie-forum.nl/artikelen/kort-geding-over-ep-2-700-765-voor-trapbekleding-vorderingen-afgewezen-wegens-serieuze-kans-op-vernietiging-van-het-octrooi

Kort geding over EP 2 700 765 voor trapbekleding: vorderingen afgewezen wegens serieuze kans op vernietiging van het octrooi

Rb. Den Haag 10 april 2026, IEF 23493; ECLI:NL:RBDHA:2026:8972 (I4F tegen Van Dijk). In dit kort geding tussen I4F Licensing NV en Van Dijk Postforming & Vlakverlijming B.V. stond de handhaving centraal van het Nederlandse deel van Europees octrooi EP 2 700 765, dat ziet op een paneel voor onder meer trapbekleding. Octrooihoudster is Vakman Interieur Concepten B.V. (VIC); I4F beschikt over een exclusieve licentie en was door VIC gemachtigd het octrooi jegens derden te handhaven. I4F stelde dat de door Van Dijk geproduceerde en verkochte MexForm LVT-trappanelen inbreuk maakten op conclusie 1 en de afhankelijke conclusies 2 tot en met 13 van EP 765, en vorderde onder meer een inbreukverbod, opgave, recall, afgifte ter vernietiging, proceskosten ex art. 1019h Rv en bepaling van een termijn ex art. 1019i Rv. De voorzieningenrechter achtte zich bevoegd op grond van art. 4 Brussel I-bis, terwijl de relatieve bevoegdheid volgde uit art. 80 lid 2, onder a, ROW 1995; ook het spoedeisend belang werd aangenomen wegens de gestelde voortdurende inbreuk. Bij de inhoudelijke beoordeling stelde de rechter voorop dat een voorlopige maatregel wegens octrooi-inbreuk in beginsel moet worden geweigerd wanneer een serieuze, niet te verwaarlozen kans bestaat dat het ingeroepen octrooi in een bodemprocedure nietig zal worden geoordeeld.

Die maatstaf leidde hier tot afwijzing van alle vorderingen. Volgens de voorzieningenrechter bestaat voorshands een gerede kans dat de conclusies 1 tot en met 13 van het Nederlandse deel van EP 765 wegens gebrek aan nieuwheid dan wel inventiviteit zullen worden vernietigd. Ten aanzien van de nieuwheid oordeelde de rechter dat WO 2012/069673, gelezen in het licht van de algemene vakkennis, reeds openbaart dat bij een gevouwen laminaatpaneel met een niet-doorgesneden afwerklaag die afwerklaag noodzakelijk buigzaam én samendrukbaar moet zijn; daarmee wordt kenmerk 1.3 van conclusie 1 in wezen al getroffen. Van belang was daarbij mede dat de in WO 673 genoemde voorkeursmaterialen, zoals vinyl en linoleum, volgens de vakpersoon juist moeten kunnen meebuigen en samendrukken, en dat I4F zich zelf op het standpunt had gesteld dat vrijwel elk buigbaar materiaal ook samendrukbaar is, zodat de term “samendrukbaar” in EP 765 geen wezenlijk nieuwe technische informatie toevoegt. Subsidiair oordeelde de rechter dat, ook als WO 673 dit kenmerk niet direct en ondubbelzinnig zou openbaren, conclusie 1 in elk geval voorshands niet inventief is: uitgaande van WO 673 als closest prior art en het objectieve technische probleem hoe destructieve vervorming van de afwerklaag bij verbuiging kan worden beperkt, lag het voor de hand de in EP 1 262 607 geleerde combinatie van een buigzame/slijtvaste toplaag met een samendrukbare onderlaag toe te passen. Omdat I4F niet had aangevoerd dat de afhankelijke conclusies 2 tot en met 13 zelfstandig octrooieerbare materie bevatten, deelden die conclusies hetzelfde lot. De werkwijzeconclusies 14 en 15 bleven buiten beschouwing, omdat daarop geen beroep was gedaan. De rechtbank wees daarom het gevorderde inbreukverbod en alle nevenvorderingen af en veroordeelde I4F in de volledige proceskosten van Van Dijk ex art. 1019h Rv, overeenkomstig de proceskostenafspraak van partijen begroot op € 74.685,15.

4.21.

Bij die stand van zaken bestaat er naar voorlopig oordeel een gerede kans dat de conclusies 1 t/m 13 van het Nederlandse deel van EP 765 door de bodemrechter zullen worden vernietigd vanwege het ontbreken van nieuwheid dan wel inventiviteit. De volgconclusies 2 t/m 13 delen dit lot nu Van Dijk heeft betoogd dat zij evenmin nieuw en/of inventief zijn en I4F niet heeft aangevoerd dat een van deze volgconclusies zelfstandig octrooieerbare materie zou bevatten. I4F heeft zich niet beroepen op inbreuk op werkwijze-conclusies 14 en 15, zodat deze onbesproken kunnen blijven. Gelet hierop wordt het inbreukverbod afgewezen, evenals de daarmee samenhangende nevenvorderingen.