Octrooirecht  

IEF 23740

Uitspraak ingezonden door Martijn de Lange, Octrooicentrum Nederland.

Geen ABC voor nieuwe therapeutische toepassing van cladribine na eerdere handelsvergunningen

Rechtbank Den Haag 5 aug 2026,, IEF 23740; ECLI:NL:RBDHA:2026:21645 (Merck Serono tegen Octrooicentrum Nederland), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-abc-voor-nieuwe-therapeutische-toepassing-van-cladribine-na-eerdere-handelsvergunningen

Rb. Den Haag 5 augustus 2026, IEF 23740; LS&R 2435; ECLI:NL:RBDHA:2026:21645 (Merck Serono tegen Octrooicentrum Nederland). In deze zaak bepaalt de bestuursrechter of Octrooicentrum Nederland (hierna: OCNL) terecht weigert aan Merck Serono S.A. (hierna: Merk) een aanvullend beschermingscertificaat (hierna: ABC) te verlenen voor het product cladribine. Merck dient op 22 februari 2018 een ABC-aanvraag in onder inroeping van Europees octrooi EP 1 827 461 voor een behandelingsregime met cladribine bij multiple sclerose en de Europese handelsvergunning uit 2017 voor Mavenclad®, waarvan cladribine de werkzame stof is. Het OCNL wijst de aanvraag af wegens strijd met artikel 3 onder d van Verordening (EG) nr. 469/2009, omdat cladribine al eerder als geneesmiddel is toegelaten: in 1995 voor Leustatin® en in 2004 voor Litak®, beide voor de behandeling van haarcelleukemie. Merck stelt dat de handelsvergunning voor Mavenclad® desondanks als relevante eerste handelsvergunning moet gelden, omdat Mavenclad® het eerste gebruik van cladribine voor de behandeling van multiple sclerose betreft, het basisoctrooi op deze tweede medische indicatie ziet en voor Mavenclad® een volledig de novo ontwikkelingstraject met klinische studies is doorlopen. Volgens Merck biedt het arrest Santen niet het juiste toetsingskader en moet aansluiting worden gezocht bij het eerdere arrest Neurim. Subsidiair verzoekt zij de rechtbank prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen, mede onder verwijzing naar de prejudiciële vragen van het Duitse Bundespatentgericht in de parallelle Boehringer-zaak. Partijen zijn het erover eens dat aan artikel 3 onder a, b en c van de ABC-verordening is voldaan; uitsluitend de voorwaarde van artikel 3 onder d is in geschil.

IEF 23737

Uitspraak ingezonden door Barbara Mooij, Brinkhof.

Rb. Den Haag: apothekersvrijstelling biedt geen ruimte voor structurele bereiding van semaglutide

Rechtbank Den Haag 5 aug 2026,, IEF 23737; C/09/704955 / KG ZA 26-494 (Novo Nordisk tegen Ceban), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-den-haag-apothekersvrijstelling-biedt-geen-ruimte-voor-structurele-bereiding-van-semaglutide

Rb. Den Haag 5 augustus 2026, IEF 23737; LS&R 2434; C/09/704955 / KG ZA 26-494 (Novo Nordisk tegen Ceban). Novo Nordisk is een kort geding gestart tegen Ceban Ziekenhuisfarmacie op grond van haar aanvullende beschermingscertificaat voor semaglutide, de werkzame stof in onder meer Ozempic®, Wegovy® en Rybelsus®. Ceban heeft een semaglutide bevattende neusspray onder de naam Semanova bereid, en brengt deze op de markt als apotheekbereiding. Ook liet zij de neusspray opnemen in de G-Standaard. Novo Nordisk heeft Ceban aangeschreven met het verzoek de inbreuk op haar ABC te staken en gestaakt te houden, maar Ceban heeft geweigerd om een onthoudingsverklaring met boete te ondertekenen. Novo Nordisk is daarom een kort geding gestart. De geldigheid van het basisoctrooi en het ABC is niet betwist. Omdat Ceban semaglutide heeft ingevoerd, in voorraad heeft gehad, verwerkt en verhandeld, moet volgens de voorzieningenrechter in beginsel van inbreuk worden uitgegaan. Centraal staat vervolgens de vraag of Ceban een beroep kan doen op de apothekersvrijstelling van artikel 54c, aanhef en onder e, ROW.

IEF 23731

Doseringspatent op rivaroxaban vernietigd wegens gebrek aan inventiviteit

Hof Den Haag 28 jul 2026,, IEF 23731; ECLI:NL:GHDHA:2026:2481 (Sandoz tegen Bayer), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/doseringspatent-op-rivaroxaban-vernietigd-wegens-gebrek-aan-inventiviteit

Hof Den Haag 28 juli 2026, IEF 23731; LS&R 2433; ECLI:NL:GHDHA:2026:2481 (Sandoz tegen Bayer). Bayer is houdster van Europees octrooi EP 1 845 961 B1 voor, kort gezegd, het gebruik van een tablet met snelle afgifte van rivaroxaban voor de behandeling van trombo-embolische aandoeningen, waarbij het middel gedurende ten minste vijf opeenvolgende dagen niet meer dan eenmaal per dag wordt toegediend. Sandoz vorderde vernietiging van het Nederlandse deel van dit doseringsoctrooi. Anders dan de rechtbank oordeelt het hof dat een patiënteninformatieformulier met bijbehorend boekje uit de Einstein-studie vóór de prioriteitsdatum tot de stand van de techniek was gaan behoren. Bayer had erkend dat de documenten vóór die datum aan tien patiënten waren verstrekt, onder wie twee Nederlandse patiënten. Die Nederlandse patiënten waren niet expliciet of impliciet tot geheimhouding verplicht en hoefden de documenten niet terug te geven; één exemplaar was juist voor de patiënt bestemd. Daarmee waren zij leden van het publiek en konden zij de documenten vrijelijk aan derden tonen of doorgeven. Voor openbare toegankelijkheid in de zin van artikel 54 lid 2 EOV is niet vereist dat de informatie aantoonbaar daadwerkelijk verder is verspreid. Voldoende is dat een lid van het publiek daarvan kennis kon nemen en niet door een geheimhoudingsverplichting in het gebruik of de verspreiding werd beperkt.

IEF 23699

Geen aanspraak op overdracht octrooi voor rotatiegietmachine

Rechtbank Den Haag 1 jul 2026,, IEF 23699; ECLI:NL:RBDHA:2026:18188 (Dutchfiets c.s. tegen [gedaagden] c.s.), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-aanspraak-op-overdracht-octrooi-voor-rotatiegietmachine

Rb. Den Haag 1 juli 2026, IEF 23699; ECLI:NL:RBDHA:2026:18188 (Dutchfiets c.s. tegen [gedaagden] c.s.). Dutchfiets ontwikkelt en produceert circulaire kunststof fietsen. In 2023 verkreeg Igus 80% van de aandelen in Dutchfiets. In een afzonderlijke IP-overeenkomst maakten Igus, Dutchfiets, de oprichters van Dutchfiets en hun holdingvennootschappen afspraken over de verdeling van de intellectuele-eigendomsrechten binnen hun samenwerking. Enkele maanden later vroeg een van de holdingvennootschappen een Nederlands octrooi aan voor een rotatiegietmachine en een methode voor het gieten van objecten. Dit octrooi werd in 2025 verleend. Na het einde van de samenwerking vorderden Dutchfiets en Igus onder meer kosteloze overdracht van het octrooi, afgifte van prototypes van de rotatiegietmachine en afgifte van gegevens over de ontwikkeling, productie en exploitatie daarvan. Zij stelden dat Dutchfiets de oorspronkelijke machine had ontwikkeld en dat de latere machine daarop een doorontwikkeling vormde. Ook zouden de daarop rustende IE-rechten op grond van de IP-overeenkomst aan Dutchfiets of Igus zijn overgedragen. Voor de opeising van het octrooi beriepen zij zich subsidiair op artikel 78 ROW, in samenhang met de artikelen 11 en 12 ROW. De prototypes werden mede opgeëist op grond van artikel 5:2 BW en artikel 70 lid 7 ROW.

IEF 23691

Processtelling van MSD is geen afdwingbare toezegging om marktintroductie van Keytruda SC uit te stellen

Rechtbank Den Haag 3 jul 2026,, IEF 23691; ECLI:NL:RBDHA:2026:18266 (Halozyme tegen MSD), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/processtelling-van-msd-is-geen-afdwingbare-toezegging-om-marktintroductie-van-keytruda-sc-uit-te-stellen

Rb. Den Haag 3 juli 2026, IEF 23691; ECLI:NL:RBDHA:2026:18266 (Halozyme tegen MSD). Halozyme is houdster van Europees octrooi EP 2 792 622 B1 voor gemodificeerde PH20-hyaluronidasepolypeptiden en voert met MSD een VRO-procedure over de vraag of Keytruda SC, een subcutane formulering van het kankergeneesmiddel Keytruda met het enzym ALT-B4, inbreuk maakt op dat octrooi. In haar conclusie van antwoord in reconventie had MSD onder meer betoogd dat geen concrete dreiging bestond dat zij Keytruda SC buiten Nederland op de Europese markt zou brengen. Nadat Zweedse en Deense vennootschappen van de MSD-groep Keytruda SC met gebruikmaking van de centrale Europese marktvergunning van MSD in de betreffende geneesmiddelen- en prijzendatabases hadden laten opnemen en op de markt hadden gebracht, vorderde Halozyme in kort geding verwijdering van die vermeldingen en een tijdelijk verbod op het vervaardigen, aanbieden en verhandelen van Keytruda SC in verschillende Europese landen gedurende de VRO-procedure. Volgens Halozyme had MSD met haar processtelling toegezegd, althans de gerechtvaardigde schijn gewekt, dat de MSD-groep de marktintroductie zou uitstellen. De voorzieningenrechter acht zich op grond van artikel 4 Brussel I-bis internationaal bevoegd en neemt een spoedeisend belang aan vanwege het gestelde risico op verlies van marktaandeel zolang Keytruda SC in Denemarken en Zweden beschikbaar is.

IEF 23563

Octrooi-kort geding over LEDFan afgewezen: geen spoedeisend belang, geen NDA-schending en geen onrechtmatig wapperen

Rechtbank Den Haag 8 jul 2025,, IEF 23563; ECLI:NL:RBDHA:2025:27985 ((Climalux c.s. tegen Food Autonomy c.s.)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/octrooi-kort-geding-over-ledfan-afgewezen-geen-spoedeisend-belang-geen-nda-schending-en-geen-onrechtmatig-wapperen

Rb. Den Haag 8 juli 2025, IEF 23563; ECLI:NL:RBDHA:2025:27985 (Climalux c.s. tegen Food Autonomy). In een kort geding bij de Rechtbank Den Haag stonden Climalux en NGES (samen Climalux c.s.) tegenover Food Autonomy c.s. en [bedrijf]. Centraal stond de vraag of de LEDFan-toplight inbreuk maakte op de octrooien NL 1040116 en EP 2 975 926 van NGES, die zien op assimilatielampen voor plantengroei. Climalux is licentiehouder van deze octrooien. Climalux c.s. vorderde een verbod op octrooi-inbreuk met nevenvorderingen, zoals opgave en rectificatie en volledige proceskosten ex art. 1019h Rv. Food Autonomy c.s. betwistte het spoedeisend belang, ontkende inbreuk en voerde nietigheid van de octrooien aan. In reconventie stelde zij dat Climalux c.s. een NDA had geschonden en zich schuldig had gemaakt aan onrechtmatig “wapperen”. De voorzieningenrechter wees de vorderingen in conventie af wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Hoewel dit in beginsel wordt aangenomen bij voortdurende inbreuk, kan gebrek aan voortvarendheid dit ontkrachten. In dit geval zat er ruim drie jaar tussen het eerste inbreukvermoeden (2022) en de dagvaarding (2025). Climalux c.s. had al vroeg aanwijzingen voor betrokkenheid van Food Autonomy c.s. en beschikte over voldoende informatie om eerder op te treden. Ook na latere onderzoeksstappen, zoals het Higtec-rapport (september 2024), volgde nog aanzienlijke vertraging. Voor het Nederlandse octrooi was aanvullend technisch onderzoek bovendien niet noodzakelijk.

IEF 23549

Rb. Den Haag staat inzage in beslagen materiaal toe in octrooizaak over productie van calciumcarbonaat

Rechtbank Den Haag 24 mrt 2026,, IEF 23549; ECLI:NL:RBDHA:2026:10402 ([verzoekster] tegen [verweersters sub 1] ), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-den-haag-staat-inzage-in-beslagen-materiaal-toe-in-octrooizaak-over-productie-van-calciumcarbonaat

Rb. Den Haag 24 maart 2026, IEF 23549; ECLI:NL:RBDHA:2026:10402 ([verzoekster] tegen [verweersters sub 1]). De Rechtbank Den Haag heeft in een octrooigeschil inzage toegestaan in conservatoir beslagen materiaal op grond van art. 194-196 Rv jo. art. 1019a Rv. De rechtbank acht zich exclusief bevoegd op grond van art. 80 lid 2 sub c ROW, omdat het verzoek verband houdt met de handhaving van een octrooi en verweersters in Nederland zijn gevestigd. Verzoekster is houdster van Europees octrooi EP 4 223 141 B1 voor een werkwijze voor de productie van een mineraal voederadditief op basis van calciumcarbonaat afkomstig uit drinkwaterontharding, alsmede voor het daarmee verkregen eindproduct. Verweersters houden zich bezig met het verwerken en vermalen van kalkkorrels voor de voedsel- en diervoederindustrie. Nadat eerdere samenwerkingen tussen partijen en AquaMinerals waren geëindigd, rees bij verzoekster het vermoeden dat verweersters zonder toestemming gebruik maakten van de geoctrooieerde werkwijze en de daarmee verkregen producten verhandelden. Op verzoek van verzoekster was eerder verlof verleend voor conservatoir bewijsbeslag, monsterneming en een gedetailleerde beschrijving van het productieproces. In deze procedure verzocht verzoekster vervolgens om inzage in de beslagen digitale bestanden, afgifte van de monsters en inzage in de gedetailleerde beschrijving van het maalproces. Verweersters voerden onder meer aan dat geen redelijk vermoeden van inbreuk bestond, dat het octrooi nietig zou zijn, dat de verzoeken te ruim waren geformuleerd en dat de beslagen stukken vertrouwelijke bedrijfsinformatie bevatten.

IEF 23538

Rb. Den Haag wijst claim op mede-eigendom van LinXis-octrooien af

Rechtbank Den Haag 22 apr 2026,, IEF 23538; ECLI:NL:RBDHA:2026:9754 ((LinXis tegen [partij 1] en [partij 2])), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-den-haag-wijst-claim-op-mede-eigendom-van-linxis-octrooien-af

Rb. Den Haag 22 april 2026, IEF23538; ECLI:NL:RBDHA:2026:9754 (LinXis tegen [partij 1] en [partij 2]). De Rechtbank Den Haag oordeelt in dit geschil tussen biotechbedrijf LinXis en voormalig bestuurder en consultant [partij 1] dat [partij 1] geen aanspraak kan maken op een aandeel in de octrooifamilies van LinXis. In de latere managementovereenkomsten ontbraken weliswaar expliciete IE‑overdrachtsclausules, maar volgens de rechtbank laten de afspraken en de samenwerking tussen partijen zien dat de octrooirechten bij LinXis liggen. [partij 1] werkte sinds 2015 via verschillende vennootschappen voor LinXis als patent consultant en later als CBO, CFO en CEO. In de eerste managementovereenkomst uit 2015 stond een expliciete IE‑overdrachtsclausule. Die bepaling ontbrak in de overeenkomsten uit 2017 en 2019. Tijdens de samenwerking vroeg LinXis meerdere octrooifamilies aan, waarbij [partij 1] deels als uitvinder stond vermeld. Volgens [partij 1] lieten de latere overeenkomsten bewust ruimte voor eigen IE‑rechten en een latere vergoeding voor overdracht. De rechtbank volgt hem daarin niet. De rechtbank vindt het logisch dat LinXis als biotechonderneming alle IE‑rechten binnen het bedrijf wilde houden. Ook weegt mee dat [partij 1] in subsidie‑ en financieringsdocumenten namens LinXis sprak van “solely owned patent applications”. Daarnaast maakten partijen geen concrete afspraken over een aparte vergoeding voor IE‑overdracht. Omdat [partij 1] de overeenkomsten zelf namens beide partijen ondertekende, had hij volgens de rechtbank eventuele mede‑eigendomsrechten expliciet moeten vastleggen. De rechtbank verklaart zowel LinXis als [partij 1] niet‑ontvankelijk in hun vorderingen over het uitvinderschap wegens gebrek aan belang (Art. 3:303 BW). Ook als [partij 1] mede‑uitvinder is, betekent dat volgens de rechtbank nog niet dat hij recht heeft op de octrooien. De rechtbank wijst ook het verzoek af om [partij 1] uit de octrooiregisters te verwijderen. LinXis stemde eerder zelf in met zijn vermelding als uitvinder en maakte onvoldoende duidelijk welk nadeel dat nu oplevert. 

IEF 23537

UPC wijst hoger beroep Adobe over proceskostenzekerheid af wegens ontbreken expliciet appelverlof

Unified Patent Court (UPC) 30 apr 2026,, IEF 23537; UPC_COA_1/2026 ((Adobe v KEEEX)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/upc-wijst-hoger-beroep-adobe-over-proceskostenzekerheid-af-wegens-ontbreken-expliciet-appelverlof

Court of Appeal 30 april 2026, IEF 23537; UPC_COA_1/2026 (Adobe v KEEEX). In een procedure tussen Adobe en KEEEX heeft de Court of Appeal van het Unified Patent Court het hoger beroep van Adobe tegen een beschikking over zekerheid voor proceskosten niet-ontvankelijk verklaard. De zaak vloeit voort uit een door KEEEX in juni 2025 bij de lokale afdeling Parijs ingestelde octrooi-inbreukprocedure op basis van EP 2 949 070 tegen onder meer Adobe. Adobe vroeg om een zeer hoge zekerheid voor proceskosten tot € 5 miljoen, maar de lokale afdeling Parijs beperkte die zekerheid tot een bankgarantie van € 50.000. Adobe stelde vervolgens onmiddellijk hoger beroep in tegen die beschikking. De vraag was of dit appel wel ontvankelijk was. Op grond van regel 220.2 RvP kan namelijk alleen direct hoger beroep worden ingesteld tegen een beschikking over zekerheid voor kosten wanneer het Gerecht van eerste aanleg daarvoor expliciet toestemming verleent. Beschikkingen over zekerheid voor kosten vallen volgens het Hof uitdrukkelijk onder regel 220.2 (en niet onder regel 220.1). De Parijse afdeling had in haar beslissing per ongeluk verwezen naar regel 220.1 RvP, hetgeen Adobe opvatte als een aanwijzing dat onmiddellijk hoger beroep mogelijk was. Het Hof van Beroep gaat daarin niet mee. Volgens het Hof vereist regel 220.2 een uitdrukkelijke toestemming voor tussentijds appel; een algemene of, zoals hier, foutieve verwijzing naar de appelregels volstaat niet en kan niet als ‘expliciete toestemming’ worden aangemerkt.

IEF 23532

UPC CoA: verlof tot hoger beroep tegen kostenbeslissing en toepassing hoor en wederhoor

Unified Patent Court (UPC) 21 apr 2026,, IEF 23532; UPC_CoA_49/2026 ((Guardant Health tegen Sophia Genetics)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/upc-coa-verlof-tot-hoger-beroep-tegen-kostenbeslissing-en-toepassing-hoor-en-wederhoor

UPC CoA 21 april 2026, IEF 23532; UPC_CoA_49/2026 (Guardant Health tegen Sophia Genetics). In een procedure tussen Guardant Health en Sophia Genetics heeft de Court of Appeal van het Unified Patent Court verlof verleend tot hoger beroep tegen een kostenbeslissing van de Local Division Parijs (zie ook art. 76(2) UPCA en Rules 157 en 221 RoP). De beslissing draait om de vraag of de kosten konden worden vastgesteld zonder dat de wederpartij toegang had tot de volledige kostenonderbouwing. Guardant had in augustus 2025 voorlopige voorzieningen gevorderd wegens vermeende octrooi-inbreuk. De Local Division wees deze vorderingen in januari 2026 grotendeels af en kende Sophia een interim proceskostenvergoeding toe van €400.000. In de daaropvolgende kostenprocedure diende Sophia een nadere kostenaanvraag in, met verzoek om vertrouwelijke behandeling van (delen van) de onderliggende stukken. Bij procedural order van 16 maart 2026 werden de gevorderde kosten vastgesteld op €600.000 (inclusief de interim-vergoeding), terwijl bepaalde kostengegevens vertrouwelijk bleven en slechts beperkt toegankelijk waren.