Gepubliceerd op donderdag 8 januari 2026
IEF 23196
Rechtbank Midden-Nederland ||
3 dec 2025
Rechtbank Midden-Nederland 3 dec 2025, IEF 23196; ECLI:NL:RBMNE:2025:6664 ([eiseres sub 1] c.s. tegen [gedaagde]), https://ie-forum.nl/artikelen/kort-geding-over-gebrekkige-website-toegang-schadevoorschot-en-beheer-toegewezen

Kort geding over gebrekkige website: toegang, schadevoorschot en beheer toegewezen

Rb. Midden-Nederland 3 december 2025, IEF 23196; IT 5058; ECLI:NL:RBMNE:2025:6664 ([eiseres sub 1] c.s. tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter oordeelt dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst tot het bouwen van een webshop voor [eiseres sub 1] c.s. De website is ondanks herhaalde toezeggingen niet deugdelijk opgeleverd en vertoont structurele gebreken. Na een ingebrekestelling en een daaropvolgende omzettingsverklaring vordert [eiseres sub 1] c.s. in kort geding onder meer medewerking aan herstel door een derde, een voorschot op vervangende schadevergoeding en overdracht van het beheer van hosting en domeinnamen. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang gegeven, mede omdat de webshop in een omzetkritieke periode slecht functioneert, en acht het aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat sprake is van een tekortkoming die omzetting naar vervangende schadevergoeding rechtvaardigt.

De rechter wijst daarom het grootste deel van de vorderingen toe. [Gedaagde] moet een derde volledige toegang geven tot de website, servers en applicaties, zodat deze de overeengekomen functionaliteiten kan afmaken, zonder dat dit leidt tot overdracht van intellectuele-eigendomsrechten. Daarnaast wordt een voorschot op de vervangende schadevergoeding van € 10.470 toegewezen; het hogere gevorderde bedrag wordt afgewezen vanwege het restitutierisico dat bij geldvorderingen in kort geding moet worden meegewogen. Ook moet [gedaagde] meewerken aan de overdracht van het beheer van de hosting en domeinnamen. Verder worden buitengerechtelijke kosten en proceskosten toegewezen. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.7.

Wat betreft het eerste verweer laat ik in het midden met wie [gedaagde] de overeenkomst voor het bouwen van een nieuwe website heeft gesloten. Als dit verweer zou slagen dan heeft [gedaagde] altijd nog te maken met [eiser sub 2] en die is in deze procedure ook eiser. Voor het al dan niet toewijzen van de vorderingen in dit kort geding maakt het dus niet uit met wie de overeenkomst is gesloten.

3.8.

Het tweede verweer hoor ik vandaag voor het eerst. Ik zie dat [eiseres sub 1] c.s. met de ingebrekestelling van 20 oktober 2025 drie bijlagen heeft meegestuurd waarin alle tekortkomingen zijn genoemd:


Overzicht van niet geleverde of juist werkende functionaliteiten initiële overeenkomst

Overzicht van niet geleverde of juist werkende functionaliteiten meerwerk overeenkomst

Overzicht van op dit moment geconstateerde bugs (welke lijst dagelijks wordt aangevuld)

Die overzichten zijn ook in deze procedure ingebracht. Daarmee ligt er aan de kant van [eiseres sub 1] c.s een uitgebreid verhaal over het slecht functioneren van de website met een opsomming van concrete punten waarop niet voldaan is aan de afgesproken functionaliteiten. [gedaagde] , aan de andere kant, stelt daar niets tegenover. Het enige dat ze erover zegt, ik verwijs naar de spreekaantekeningen, is|: “De tekortkomingen welke genoemd worden in producties 5, 6 en 7 worden weldegelijk betwist door [gedaagde] maar zij vind dat geen aspect voor een behandeling in een kort geding”. Een kort geding is inderdaad niet de plek voor een uitgebreide discussie over het wel of niet voldoen aan de opdracht op talloze punten. Maar, ik moet wel voorshands beoordelen wat de bodemrechter daarvan zal vinden en daarbij moet ik het doen met de stukken en de informatie die ik van de partijen heb gekregen. Dan constateer ik dat de ene partij heel veel met veel detail heeft aangevoerd en de andere partij helemaal niets. Daarom moet ik nu ervan uitgaan dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat [eiseres sub 1] c.s. terecht stelt dat [gedaagde] haar verplichtingen niet behoorlijk is nagekomen. En dat zij dus terecht haar recht op nakoming heeft omgezet in vervangende schadevergoeding en dat [gedaagde] daarom nu alle medewerking moet verlenen om een derde in staat te stellen de website af te maken.

3.9.

Er is door [gedaagde] tijdens de zitting ook nog iets gezegd over intellectueel eigendom en dat voor overdracht daarvan moet worden betaald. Toewijzing van deze vordering leidt niet tot overdracht van intellectuele eigendomsrechten. Het resultaat is dat een derde toegang krijgt tot de website, servers en andere applicaties en daardoor in staat is om te doen wat [gedaagde] op grond van de overeenkomst had moeten doen, namelijk de overeengekomen functionaliteiten afbouwen.