Gepubliceerd op maandag 31 augustus 2026
IEF 23779
Hof Arnhem-Leeuwarden ||
20 jan 2026,
Hof Arnhem-Leeuwarden 20 jan 2026,, IEF 23779; ECLI:NL:GHARL:2026:314 (KPC tegen Esset), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/kpc-maakt-auteursrechtinbreuk-op-negen-excel-rekenmodellen-van-esset

KPC maakt auteursrechtinbreuk op negen Excel-rekenmodellen van Esset

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 januari 2026, IEF 23779; ECLI:NL:GHARL:2026:314 (KPC tegen Esset). In deze zaak staat centraal of Excel-rekenmodellen van Esset Financial Services (Esset) auteursrechtelijk beschermde werken zijn en of KPC daarop inbreuk maakt. Esset biedt via internet financiële Excel-rekenmodellen aan kleine ondernemingen aan. KPC biedt via haar eigen website eveneens Excel-rekenmodellen aan. [de partner] van [de ondernemer] achter KPC kocht in 2013 bij Esset een boekhoudpakket met verschillende rekenmodellen. Nadat Esset overeenkomsten tussen zijn modellen en die van KPC constateerde, vorderde hij onder meer een inbreukverbod, rekening en verantwoording en schadevergoeding. De rechtbank beperkte haar beoordeling tot vier concreet toegelichte rekenmodellen en stelde bij drie daarvan auteursrechtinbreuk op de teksten vast. In hoger beroep licht Esset nog vijf rekenmodellen concreet toe, zodat het hof negen modellen beoordeelt.

Het hof oordeelt dat de negen beoordeelde rekenmodellen auteursrechtelijk beschermd zijn en dat KPC daarop inbreuk maakt. Een rekenmodel komt voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking als het nauwkeurig en objectief identificeerbaar is en oorspronkelijk is, in die zin dat het een eigen intellectuele schepping vormt waarin de vrije en creatieve keuzes van de maker tot uitdrukking komen. Hoewel de rekenmodellen in hoge mate functioneel worden bepaald door boekhoudkundige vereisten en de mogelijkheden van Excel, heeft Esset bij de afzonderlijke modellen voldoende vrije en creatieve keuzes gemaakt. Het hof betrekt daarbij de tekst, vormgeving en structuur. Voor zover Esset ook bescherming inriep voor de formules en macro’s, heeft hij onvoldoende onderbouwd welke vrije en creatieve keuzes hij daarbij heeft gemaakt. Het hof laat dat onderdeel daarom buiten de verdere beoordeling. Bij de inbreukbeoordeling stelt het hof vast dat KPC auteursrechtelijk beschermde trekken uit de modellen van Esset heeft overgenomen. De mate van overeenstemming is voldoende voor een vermoeden van ontlening. Het is vervolgens aan KPC om gemotiveerd te stellen en zo nodig te bewijzen dat geen sprake is van ontlening. Daarin slaagt KPC niet. Bij verschillende modellen ondersteunen ook overgenomen fouten, spelfouten en overbodige tekens de conclusie dat de modellen aan die van Esset zijn ontleend. Het inbreukverbod geldt voor Financieringsplan (vijfjaarsversie), Cashflow Matrix, Middeling, Vaste activa en afschrijvingen, Vaste activa register, Bewindvoering in Excel, Uurtarief berekenen, Verblijfkostenvergoeding Pro en Geïnvesteerd kapitaal. Het hof geeft geen algemeen verbod voor alle andere rekenmodellen van Esset, omdat die modellen niet afzonderlijk zijn beoordeeld en een ruimer verbod tot executiegeschillen kan leiden. Het hof vernietigt de vonnissen van de rechtbank en formuleert de veroordelingen opnieuw. [de ondernemer] en [de partner] moeten iedere auteursrechtinbreuk op de negen genoemde modellen staken en gestaakt houden. Zij moeten daarnaast, voor zover dat nog niet naar aanleiding van het vonnis in eerste aanleg is gebeurd, rekening en verantwoording afleggen over onder meer het aantal verkochte licenties en de met de inbreukmakende modellen behaalde winst en een rectificatie aan de afnemers sturen. Ook zijn zij hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die Esset door de auteursrechtinbreuken heeft geleden of nog zal lijden, nader op te maken bij staat. Omdat KPC hoofdzakelijk in het ongelijk wordt gesteld, veroordeelt het hof haar ook in de proceskosten van het principaal en incidenteel hoger beroep. Op grond van art. 1019h Rv wijst het hof € 20.473,44 aan advocaatkosten en € 343 aan griffierecht toe. Het bedrag aan advocaatkosten ligt iets boven het indicatietarief van € 20.000 voor een normale zaak, maar het hof acht dat gerechtvaardigd omdat de behandeling van het grote aantal rekenmodellen de zaak bewerkelijk maakte. Het hof splitst de proceskosten niet naar de verschillende grondslagen, omdat het auteursrechtelijke deel sterk overheerst. [de ondernemer] en [de partner] worden daarnaast hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van de eerste aanleg van € 17.178,49.

3.78. Het principaal hoger beroep slaagt slechts voor zover het betrekking heeft op de beslissing van de rechtbank over de twaalf-maands-versie van het rekenmodel “Financieringsplan” en is voor het overige ongegrond. Het incidenteel hoger beroep slaagt voor zover het betrekking heeft op de aspecten van vormgeving en structuur van de rekenmodellen ten aanzien waarvan de rechtbank een verbod heeft toegewezen (“Financieringsplan”(vijf-jaars-versie), “Middeling” en “Vaste activa en afschrijvingen”) en voor zover het betrekking heeft op het rekenmodel “Cashflow Matrix” en op de in hoger beroep aan de orde gestelde rekenmodellen (“Vaste activa register”, “Bewindvoering in Excel”, “Uurtarief berekenen”, “Verblijfkostenvergoeding – Pro” en “Geïnvesteerd kapitaal”). Het hof zal het eindvonnis vernietigen en de veroordelingen van [KPC] opnieuw formuleren. 

3.79. Omdat [KPC] gelden als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij, zal het hof [KPC] tot betaling van de proceskosten in het principaal en incidenteel hoger beroep veroordelen. [Esset] heeft zijn proceskosten aan de hand van artikel 1019h Rv begroot op € 20.473,44 exclusief griffierecht. Dit bedrag zal worden toegewezen, nu het bedrag weliswaar iets boven het maximum van het indicatietarief voor een normale zaak ligt (€ 20.000,00), maar de zaak door de hoeveelheid te beoordelen rekenmodellen bewerkelijk was. Het hof ziet geen aanleiding de proceskosten uit te splitsen op basis van een gemengde grondslag, omdat het auteursrechtelijke deel sterk overheerst. Onder de proceskosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekeninga