Gepubliceerd op woensdag 18 maart 2026
IEF 23367
Gerecht EU (voorheen GvEA) ||
17 dec 2025
Gerecht EU (voorheen GvEA) 17 dec 2025, IEF 23367; ECLI:EU:T:2025:1120 (Neoperl AG tegen EUIPO), https://ie-forum.nl/artikelen/neoperl-euipo-tastbaar-positiemerk-voor-sanitair-inzetstuk-mist-onderscheidend-vermogen

Neoperl / EUIPO: tastbaar positiemerk voor sanitair inzetstuk mist onderscheidend vermogen

Gerecht EU 17 december 2026, IEF 23367; IEFbe 4142; ECLI:EU:T:2025:1120 (Neoperl AG tegen EUIPO). In deze zaak ging het om een Uniemerkaanvraag van Neoperl voor een zogenoemd tastbaar positiemerk, bestaande uit concentrische, elastische, cirkelvormige lamellen aan het uiteinde van een cilindrisch sanitair inzetstuk voor waterafvoer, bestemd voor waren in klasse 11, zoals straalregelaars en straalvormers. De Vijfde Kamer van Beroep van het EUIPO had geoordeeld dat dit teken onderscheidend vermogen miste in de zin van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009. Nadat het Gerecht die beslissing aanvankelijk had vernietigd, vernietigde het Hof van Justitie dat arrest in hogere voorziening en verwees het de zaak terug. In de verwijzingsprocedure moest het Gerecht nog oordelen over de beoordeling van het onderscheidend vermogen, de motiveringsplicht van artikel 94, lid 1, van verordening 2017/1001, en de verplichting tot ambtshalve onderzoek van de feiten van artikel 95, lid 1, van die verordening.

Het Gerecht verwerpt het beroep volledig. Het oordeelt dat de Kamer van Beroep haar beslissing toereikend had gemotiveerd en terecht had vastgesteld dat het aangevraagde teken geen intrinsiek onderscheidend vermogen bezit. Omdat het teken samenvalt met het uiterlijk en de positionering van een onderdeel van het product zelf, kan het slechts onderscheidend zijn wanneer het significant afwijkt van de norm of de gebruiken van de betrokken sector, en daarvan was volgens het Gerecht geen sprake. Neoperl had niet aangetoond dat het relevante publiek de commerciële herkomst van dergelijke sanitaire inzetstukken pleegt af te leiden uit een tastbare indruk, terwijl de elasticiteit en structuur van de lamellen veeleer als een functionele eigenschap van het product zouden worden opgevat dan als een herkomstaanduiding. De door Neoperl overgelegde verklaringen en expertise volstonden niet om intrinsiek onderscheidend vermogen aan te tonen en konden hoogstens relevant zijn voor een beroep op door gebruik verkregen onderscheidend vermogen, maar een dergelijk beroep had Neoperl niet gedaan. Ook het beroep op artikel 95, lid 1, faalt, zodat het beroep wordt afgewezen en Neoperl wordt veroordeeld in haar eigen kosten en in die van het EUIPO.

34       Ten eerste moet worden opgemerkt dat, zoals de aanvrager tijdens de hoorzitting heeft bevestigd, het aangevraagde merk een weergave vormt van het einddoel van de betreffende producten, namelijk datgene wat bestemd is voor de waterstroom.

35       Er moet ook worden opgemerkt dat bescherming niet wordt gevraagd voor het teken als zodanig, maar voor dat teken voor zover het is aangebracht aan het "uiteinde van een cilindrisch sanitair fittingstuk dat moet worden ingebracht". De aanvrager heeft het aangevraagde merk aldus gekarakteriseerd als een "positieaanduiding". In dit verband moet worden herinnerd dat een dergelijk merk wordt gekenmerkt door de specifieke manier waarop het op het betreffende product is geplaatst of aangebracht [arresten van 16 januari 2019, Windspiel Manufaktur tegen EUIPO (Weergave van de positie van een flessluiting) , T-489/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:9, punt 22, en van 29 januari 2025, Doorinn tegen EUIPO (Positie van een etiket op een matras) , T-147/24, niet gepubliceerd, EU:T:2025:107, punt 21].

36       Bovendien dient te worden opgemerkt dat het aangevraagde merk werd gekarakteriseerd als een "tactiel positiemerk" en beschreven met de vermelding dat de elastische stroken vervormbaar waren en uit een niet-elastische basis staken. Uit de bewoordingen van de bestreden beslissing blijkt duidelijk dat de Raad van Beroep heeft onderzocht of de in de merkaanvraag genoemde tactiele indruk het relevante publiek in staat stelde de goederen van de aanvrager te onderscheiden van die van andere bedrijven. De Raad van Beroep baseerde zijn beoordeling van de onderscheidingskracht van het aangevraagde merk dus op de veronderstelling dat het inderdaad een tactiele indruk zou geven. In deze context, ervan uitgaande dat de aanvrager wil betogen dat de Raad van Beroep het geclaimde tactiele aspect van het aangevraagde merk niet in aanmerking heeft genomen en het merk uiteindelijk als een figuratief merk heeft beschouwd, moet dit argument als feitelijk ongegrond worden verworpen.

37       Ten tweede moet worden opgemerkt dat, krachtens artikel 7(1)(b) van Verordening nr. 207/2009  , de registratie van merken die geen onderscheidend vermogen hebben, wordt geweigerd.

38       Het onderscheidend karakter van een merk in de zin van artikel 7, lid 1, onder b), van Verordening nr. 207/2009  betekent dat het merk het mogelijk maakt het product waarvoor registratie is aangevraagd te identificeren als afkomstig van een bepaalde onderneming en aldus dat product te onderscheiden van producten van andere ondernemingen (zie arrest van 21 januari 2010, Audi tegen OHIM, C-398/08 P, EU:C:2010:29, punt 33 en de daarin aangehaalde jurisprudentie).

39       Dit onderscheidende karakter moet enerzijds worden beoordeeld in relatie tot de goederen of diensten waarvoor registratie is aangevraagd en anderzijds in relatie tot de perceptie daarvan door het relevante publiek (zie arrest Henkel tegen OHIM van 29 april 2004, C-456/01 P en C-457/01 P, EU:C:2004:258, punt 35 en de daarin aangehaalde jurisprudentie).

40       De perceptie van het relevante publiek kan worden beïnvloed door de aard van het teken waarvoor registratie is aangevraagd. Voor zover de gemiddelde consument niet gewend is de commerciële oorsprong van producten te veronderstellen op basis van tekens die niet te onderscheiden zijn van het uiterlijk van diezelfde producten, zijn dergelijke tekens slechts onderscheidend in de zin van artikel 7, lid 1, onder b), van Verordening nr. 207/2009  indien zij significant afwijken van de norm of de praktijken van de sector [zie in die zin de arresten van 12 januari 2006, Deutsche SiSi-Werke tegen OHIM, C-173/04 P, EU:C:2006:20, punten 28 en 31; van 4 oktober 2007, Henkel/OHMI, C-144/06 P, EU:C:2007:577, punten 36 en 37, en van 25 november 2020, Brasserie St Avold/EUIPO (Vorm van een donkere fles) , T-862/19, EU:T:2020:561, punt 38].

41       De bepalende factor voor de toepasbaarheid van de in punt 40 aangehaalde jurisprudentie is niet de classificatie van het betreffende teken als een figuratief, driedimensionaal of ander type teken, maar het feit dat het niet te onderscheiden is van het uiterlijk van het aangeduide product. Zo is dit criterium toegepast op positieaanduidingen [arresten van 15 juni 2010, X Technology Swiss tegen OHIM (Oranje kleuring van de teen van een sok), T-547/08, EU:T:2010:235, punt 26, en van 26 februari 2014, Sartorius Lab Instruments tegen OHIM (Gele boog onderaan een scherm), T-331/12, EU:T:2014:87, punt 21].

42       Volgens de jurisprudentie geldt dat hoe dichter de vorm waarvoor registratie als handelsmerk is aangevraagd, ligt bij de meest waarschijnlijke vorm die het betreffende product zal aannemen, hoe groter de kans is dat deze vorm geen onderscheidend vermogen heeft in de zin van artikel 7, lid 1, onder b), van Verordening nr. 207/2009  [arrest van 29 april 2004, Henkel tegen OHIM , C-456/01 P en C-457/01 P, EU:C:2004:258, punt 39; zie ook arrest van 16 december 2020, Voco tegen EUIPO (Vorm van een verpakking) , T-118/20, niet gepubliceerd, EU:T:2020:604, punt 28 en de daarin aangehaalde jurisprudentie].

43       Bovendien moet worden benadrukt dat, voor zover een aanvrager zich ondanks de analyse van de Raad van Beroep beroept op de onderscheidingskracht van het aangevraagde merk, het aan die aanvrager is om concreet en onderbouwd bewijs te leveren waaruit blijkt dat het aangevraagde merk ofwel intrinsieke onderscheidingskracht bezit, ofwel onderscheidingskracht die door gebruik is verkregen, aangezien hij daartoe veel beter in staat is gezien zijn diepgaande kennis van de markt [zie arrest van 9 september 2020, Glaxo Group tegen EUIPO (Nuance de couleur pourpre), T-187/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:405, punt 60 en de daarin aangehaalde jurisprudentie].