25 okt 2025,
Rb. Amsterdam: artiest mocht managementovereenkomst ontbinden wegens schending administratieplicht
Rb. Amsterdam 29 oktober 2025, IEF 23821; ECLI:NL:RBAMS:2025:8067 ([eiser] tegen [gedaagde]). De rechtbank oordeelt dat een artiest zijn managementovereenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden nadat zijn manager de overeengekomen administratieplicht niet behoorlijk was nagekomen. De artiest had op 1 juni 2023 eerst de samenwerking opgezegd, waarna op grond van de overeenkomst een opzegtermijn van zes maanden begon te lopen. Die eerdere opzegging stond er niet aan in de weg dat hij de overeenkomst tijdens de opzegtermijn op 30 juni 2023 alsnog kon ontbinden. De administratieplicht uit de overeenkomst kwalificeert volgens de rechtbank als een kernverplichting, omdat de artiest de financiële en administratieve afhandeling van zijn artiestenbestaan aan zijn manager had uitbesteed en erop moest kunnen vertrouwen dat de administratie steeds een nauwkeurig en controleerbaar beeld gaf van de wederzijdse rechten en verplichtingen. Uit de stukken bleek dat de administratie materiële fouten bevatte en onvoldoende controleerbaar was; zo leidden twee kort na elkaar opgestelde verklaringen van de boekhouder tot sterk uiteenlopende saldi. Dat de manager later alsnog kostenfacturen, statements en overzichten verstrekte, herstelde die tekortkoming niet. Omdat partijen bovendien waren overeengekomen dat een tekortschietende partij van rechtswege in verzuim was zonder dat een ingebrekestelling nodig was, mocht de artiest de overeenkomst op grond van artikel 6:265 BW ontbinden. De gevorderde verklaringen voor recht dat de opzegging en ontbinding niet rechtsgeldig waren, worden daarom afgewezen.
Door de rechtsgeldige ontbinding eindigde de overeenkomst op 30 juni 2023 en waren partijen vanaf dat moment bevrijd van hun verdere verplichtingen uit de overeenkomst. De artiest bleef echter managementfee verschuldigd voor optredens en andere contracten die vóór de ontbinding door bemiddeling of toedoen van de manager tot stand waren gekomen, ook als de uitvoering daarvan pas later plaatsvond. Van de vijf gevorderde facturen wordt daarom in totaal € 26.379,75 inclusief btw toegewezen; twee posten die zagen op optredens die pas na de ontbinding waren bevestigd, worden afgewezen. De overige schadevergoedingsvorderingen van de manager, waaronder misgelopen managementinkomsten en imagoschade, worden afgewezen omdat zij uitsluitend waren gebaseerd op de stelling dat de ontbinding onrechtmatig was. Het beroep van de artiest op verrekening wordt op grond van artikel 6:136 BW gepasseerd, omdat de gegrondheid van zijn gestelde tegenvordering niet eenvoudig kon worden vastgesteld en nader onderzoek zou vergen. Over het toegewezen bedrag is wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW verschuldigd, omdat sprake was van een handelsovereenkomst en de vordering betrekking heeft op de primaire betalingsverplichting tot betaling van de managementfee. Daarnaast wordt € 1.038,80 aan buitengerechtelijke incassokosten toegewezen. Omdat beide partijen gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, worden de proceskosten gecompenseerd.
- Schending administratieplicht
4.6.
[gedaagde] heeft de ontbinding van de overeenkomst onder meer gebaseerd op een schending door [eiser] van de administratieplicht die in artikel 3.5 van de overeenkomst is vastgelegd. [gedaagde] stelt dat [eiser] niet aan zijn administratieplicht heeft voldaan omdat de administratie vol gebreken zit, incompleet is en [eiser] die op onnavolgbare wijze heeft gevoerd. Dat volgt volgens [gedaagde] uit de twee verschillende verklaringen van [naam 2] en het rapport. Ook heeft [gedaagde] de (al dan niet achteraf opgestelde) statements en kostenfacturen pas ontvangen na het einde van de samenwerking, aldus steeds [gedaagde] .
4.7.
[eiser] betwist dat hij tekortgeschoten is in zijn administratieplicht. De verschillen tussen verklaring 1, verklaring 2 en het rapport zijn veroorzaakt door ontbrekende kostenfacturen en doordat [gedaagde] onvolledige informatie verschafte. De administratie is pas na 1 juni 2023 gemankeerd geraakt, omdat [eiser] toen geen toegang meer had tot alle informatie van [gedaagde] die nodig was om de administratie te voeren. Tot slot heeft [gedaagde] vóór de opzegging nooit geklaagd over de administratie, aldus steeds [eiser] .
4.8.
Voorop staat dat wanneer de ene partij een overeenkomst niet (goed) nakomt, de andere partij bevoegd is de overeenkomst te ontbinden (artikel 6:265 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)).
4.9.
Op grond van artikel 3.5 van de overeenkomst moet [eiser] een deugdelijke en nauwkeurige administratie verzorgen voor [gedaagde] , en moet [gedaagde] de
administratie te allen tijde zelf kunnen (doen) controleren. Naar het oordeel van de rechtbank is bovenstaande administratieplicht een kernverplichting van een managementovereenkomst zoals hier aan de orde. [gedaagde] heeft juist de financiële en administratieve afhandeling van zijn artiestenbestaan uitbesteed aan zijn management en is grotendeels afhankelijk van de inkomsten die hij via zijn management krijgt uitbetaald. In feite beheert [eiser] het geld van [gedaagde] . Hij moet er dan ook op kunnen vertrouwen dat alles administratief nauwkeurig en overzichtelijk wordt bijgehouden. De administratie zou op ieder moment een getrouw beeld moeten geven van de rechten en plichten van [eiser] en [gedaagde] over en weer.
4.10.
In de eerste plaats blijkt uit de verklaringen van [naam 2] dat de administratie niet (voldoende) deugdelijk en nauwkeurig was. In die verklaringen worden namelijk verschillende materiële fouten in de administratie beschreven, zoals onverklaarbare verschillen in facturen en (over en weer) niet betaalde of niet gefactureerde bedragen.
4.11.
In de tweede plaats volgen uit de twee verklaringen van [naam 2] en het rapport dat er niet een juiste administratie aanwezig was die [gedaagde] heeft kunnen (doen) controleren. Zo geven de – kort na elkaar gegeven – verklaringen van [naam 2] ieder een totaal verschillend resultaat: uit verklaring 1 volgt dat [gedaagde] nog een bedrag van € 98.953 krijgt, terwijl uit verklaring 2 volgt dat dat [gedaagde] juist nog een bedrag van € 323,31 moet betalen. Dit terwijl de verklaringen gebaseerd zouden moeten zijn op dezelfde administratie. Dat zijn ze kennelijk niet.
4.12.
[eiser] heeft aangevoerd dat het verschil tussen de resultaten verklaard kan worden door kostenfacturen die zij voor [gedaagde] heeft voorgeschoten en statements aan de kant van [eiser] . Het antwoord op de vraag of dat standpunt van [eiser] hout snijdt, kan in het midden blijven. Uit het door [eiser] ingebrachte transcript van een gesprek met [naam 2] blijkt namelijk dat de door [eiser] bedoelde voorgeschoten kostenfacturen niet in de administratie van [gedaagde] zaten toen [gedaagde] haar vroeg de door [eiser] gevoerde administratie te controleren. Die facturen hadden volgens [naam 2] onderdeel moeten zijn van de administratie.
4.13.
Voor zover [eiser] heeft aangevoerd dat [gedaagde] zelf beschikte over die kostenfacturen en statements waarop verklaring 2 is gebaseerd, had [eiser] – gezien de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] – nader moeten onderbouwen dat hij die stukken eerder met [gedaagde] heeft gedeeld. Dat [eiser] op 21 september 2023 alsnog kostenfacturen en (deels ongedateerde) statements en overzichten heeft gepresenteerd, kan hem niet baten. Het bijwerken van de administratie met die mate van vertraging beantwoordt niet aan de verplichting van [eiser] die is neergelegd in artikel 3.5 van de overeenkomst. De administratie had aanstonds duidelijkheid moeten kunnen geven, zonder dat daar nadere boekhoudkundige stukken, statements, uitleg, een rapport en uiteindelijk deze procedure aan te pas moest komen.
4.14.
Al het voorgaande leidt tot het oordeel dat [eiser] de in artikel 3.5 van de overeenkomst omschreven administratieplicht niet behoorlijk is nagekomen en dat de mede daarop gebaseerde ontbinding van de overeenkomst door [gedaagde] gegrond is. Bij die stand van zaken behoeven de stellingen van partijen of [eiser] ook is tekortgeschoten in de nakoming van artikel 11 van de overeenkomst geen bespreking.