Gepubliceerd op donderdag 18 juni 2026
IEF 23627
Rechtbank Amsterdam ||
11 jun 2026
Rechtbank Amsterdam 11 jun 2026, IEF 23627; ECLI:NL:RBAMS:2026:5976 ((TMU tegen [gedaagde])), https://ie-forum.nl/artikelen/rb-amsterdam-klantenbestand-kwalificeert-als-bedrijfsgeheim

Rb. Amsterdam: klantenbestand kwalificeert als bedrijfsgeheim

Rb. Amsterdam 11 juni 2026, IEF 23627; IT 5312; ECLI:NL:RBAMS:2026:5976 (TMU tegen [gedaagde]). In deze zaak tussen TMU en [gedaagde] staat de vraag centraal of [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door een klantenbestand van TMU te gebruiken voor eigen marketingactiviteiten. De voorzieningenrechter oordeelt dat het klantenbestand van TMU een bedrijfsgeheim vormt en dat [gedaagde] door het zonder toestemming gebruiken van dat bestand onrechtmatig heeft gehandeld op grond van onder meer artikel 6:162 BW en de Wet bescherming bedrijfsgeheimen (Wbb). [gedaagde] wordt bevolen ieder verder gebruik van het klantenbestand te staken en opgave te doen van de met het bestand verrichte marketingactiviteiten en de daarmee behaalde omzet en winst. TMU is actief op het gebied van handelseducatie en financiële markten en verkoopt cursussen over handelen op de financiële markt. [gedaagde] exploiteert een concurrerende onderneming. Partijen hadden sinds 2022 zowel een zakelijke als persoonlijke relatie. In april 2026 verstuurde [gedaagde] vanaf zijn eigen e-mailadres een commerciële e-mail aan een groot aantal adressen die onderdeel bleken te zijn van het klantenbestand van TMU. In die e-mail presenteerde hij zich als de "mentor van uw mentor" en maakte hij reclame voor zijn eigen diensten. Daarnaast plaatste hij een vergelijkbaar bericht op Telegram. Van de 66 adressen waarvan TMU meldingen ontving, kwamen er 64 voor in haar klantenbestand. Elf ontvangers verklaarden bovendien dat zij het betreffende e-mailadres uitsluitend gebruikten voor hun account bij TMU. Volgens TMU had een voormalig opdrachtnemer eind 2025 een grote hoeveelheid vertrouwelijke bedrijfsinformatie ontvreemd, waaronder het klantenbestand. TMU stelde dat [gedaagde] daarmee onrechtmatig handelde en tevens in strijd met de Wet bescherming bedrijfsgeheimen (Wbb) en de regels over vergelijkende reclame. [gedaagde] voerde aan dat hij het adressenbestand anoniem had ontvangen via een link, er niet voor had betaald en niet wist van wie het afkomstig was. Nadat hij de e-mails had verzonden, zou hij het bestand weer hebben verwijderd. De voorzieningenrechter overweegt dat [gedaagde] onder deze omstandigheden had moeten begrijpen dat een dergelijk klantenbestand economische waarde vertegenwoordigt. Als actief handelaar op een concurrerende markt ontving hij zonder tegenprestatie een omvangrijk adressenbestand. Door dat bestand zonder enige controle voor eigen commerciële doeleinden te gebruiken, heeft hij willens en wetens het risico aanvaard dat hij inbreuk maakte op rechten van derden. Dat handelen is voorshands onrechtmatig. Daarbij weegt mee dat [gedaagde] de e-mail zelf heeft opgesteld en daarin expliciet verwees naar [naam 1] van TMU, die hij persoonlijk kende. Verder acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat TMU geen toestemming heeft gegeven voor verspreiding van haar klantenbestand, dat het bestand aanzienlijke economische waarde vertegenwoordigt en bovendien het voornaamste bedrijfsdebiet van TMU vormt. Daarom wordt het gevorderde verbod op verdere verkrijging, openbaarmaking en gebruik van het klantenbestand toegewezen, waaraan een dwangsom wordt verbonden van € 20.000 per dag met een maximum van € 500.000

De vordering tot vernietiging van alle gegevensdragers wordt afgewezen. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat [gedaagde] het bestand enkele uren na verzending van de e-mails volledig heeft verwijderd. Ook een deel van de gevraagde opgave wordt afgewezen, omdat [gedaagde] tijdens de zitting reeds heeft toegelicht hoe hij het bestand heeft verkregen en gebruikt en onvoldoende is gebleken dat hij het bestand met derden heeft gedeeld. Wel acht de voorzieningenrechter aannemelijk dat TMU schade heeft geleden. Door een commerciële boodschap over concurrerende diensten aan het klantenbestand van TMU te sturen, is de waarde van dat bestand verminderd. Potentiële klanten kunnen hun budget immers slechts eenmaal besteden, waardoor het risico bestaat dat zij kiezen voor het concurrerende product van [gedaagde]. Dat tast de concurrentiepositie van TMU rechtstreeks aan. Daarom moet [gedaagde] opgave doen van de aard en omvang van zijn marketingactiviteiten en van de daarmee behaalde omzet en winst. Ten aanzien van de proceskosten past de voorzieningenrechter artikel 1019ie Rv toe. Omdat sprake is van onrechtmatig gebruik van een bedrijfsgeheim en [gedaagde] niet heeft meegewerkt aan een minnelijke oplossing, wordt hij veroordeeld in de redelijke en evenredige proceskosten van TMU, die in totaal op € 19.049,57 worden begroot, waarbij de gevorderde advocaatkosten worden gemaximeerd overeenkomstig de indicatietarieven voor IE-zaken. In een incident vordert [gedaagde] zekerheidstelling ex artikel 224 Rv in verband met de buitenlandse vestigingsplaats van TMU; deze incidentele vordering wordt afgewezen. De reconventionele vorderingen van [gedaagde], die onder meer waren gericht op een verbod voor TMU om hem als AVG-inbreukmaker of privacyschender af te schilderen, worden afgewezen. Volgens de voorzieningenrechter weegt de vrijheid van meningsuiting van TMU in dit geval zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij bescherming van zijn eer en goede naam. Daarbij is van belang dat [gedaagde] heeft erkend het klantenbestand te hebben gebruikt, dat TMU beschikt over substantiële aanwijzingen voor haar beschuldigingen en dat e-mail 2 een reactie vormde op de eerder door [gedaagde] verzonden e-mail. De uitingen van TMU mogen in deze context scherp en kritisch zijn.

4.3. [gedaagde] had onder de gegeven omstandigheden (als ingevoerd tradingspecialist, actief op een met TMU concurrerende markt met concurrerende diensten ontving hij zonder tegenprestatie een waardevol klantenbestand) moeten begrijpen dat een dergelijk klantenbestand een waarde vertegenwoordigt. Dat heeft hij zelf vermoedelijk ook wel ingezien maar daar te laat op gehandeld, nu hij zich pas enkele uren na verzending van e-mail 1 realiseerde dat dat niet handig was geweest. Door dit bestand zonder enige controle te gebruiken voor eigen gewin – namelijk door het versturen van e-mail 1 aan het gehele bestand – heeft [gedaagde] willens en wetens het risico aanvaard inbreuk te maken op rechten van anderen, in dit geval TMU. Dat is voorshands onrechtmatig. Daarbij speelt mee dat [gedaagde] ter zitting heeft toegelicht dat hij e-mail 1 persoonlijk heeft geschreven en dat hij met ‘ [naam 1] ’ in de e-mail [naam 1] van TMU bedoelde, die hij kende.

4.8. Dat TMU door verzending van e-mail 1 schade lijdt, acht de voorzieningenrechter aannemelijk. Omdat [gedaagde] een commerciële boodschap (met betrekking tot vergelijkbare dienstverlening) aan het klantenbestand van TMU heeft gestuurd, is de waarde van dat klantenbestand afgenomen. De daarmee bereikte, potentiële klanten kunnen hun budget voor een trainingsprogramma maar één keer uitgeven, waardoor het risico bestaat dat ze voor het concurrerende, al dan niet goedkopere, product van [gedaagde] kiezen, hetgeen TMU’s concurrentiepositie direct aantast. Vorderingen III.4 en III.5 zullen daarom worden toegewezen.

4.9. Omdat TMU (grotendeels) in het gelijk is gesteld, moet [gedaagde] haar proceskosten (inclusief nakosten) betalen. In dit geval bestaat er aanleiding voor een veroordeling in de werkelijke proceskosten omdat [gedaagde] het klantenbestand (een bedrijfsgeheim), onrechtmatig heeft gebruikt. [gedaagde] heeft ook niet meegewerkt aan een minnelijke oplossing van dit geschil door de sommatiebrieven van TMU bewust te negeren. Dit blijkt bijvoorbeeld uit een e-mailbericht van [gedaagde] aan zijn raadsman waarin hij schrijft: “Dit zal waarschijnlijk zijn omdat we z’n Nederlandse notice genegeerd hebben.”

4.15. Nu [gedaagde] heeft erkend het door hem ontvangen klantenbestand te hebben gebruikt, kan [gedaagde] ’ recht op bescherming van zijn eer, goede naam, reputatie en persoonlijke levenssfeer voorshands niet zwaarder wegen dan de vrijheid van TMU om haar mening over die gang van zaken te uiten en (daarmee) een (rechts)zaak tegen [gedaagde] te organiseren, mede gelet op haar gerechtvaardigde bedrijfsbelangen.