Gepubliceerd op maandag 3 augustus 2026
IEF 23723
Rechtbank Den Haag ||
26 jun 2026,
Rechtbank Den Haag 26 jun 2026,, IEF 23723; ECLI:NL:RBDHA:2026:19391 (Volkswagen Aktiengesellschaft tegen [gerekwestreerde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-den-haag-ex-parte-verbod-op-handel-in-volkswagen-id-6-wegens-merkinbreuk

Rb. Den Haag: ex parte verbod op handel in Volkswagen ID.6 wegens merkinbreuk

Rb. Den Haag 26 juni 2026, IEF 23723; ECLI:NL:RBDHA:2026:19391 (Volkswagen Aktiengesellschaft tegen [gerekwestreerde]). In deze zaak tussen Volkswagen Aktiengesellschaft en [gerekwestreerde] staat de gestelde inbreuk op de merkrechten van Volkswagen door de handel in Volkswagen ID.6-auto’s centraal. Volkswagen verzoekt de voorzieningenrechter om zonder voorafgaand verhoor van [gerekwestreerde] een verbod op te leggen. De voorzieningenrechter acht de geldigheid van de door Volkswagen ingeroepen merkrechten voorshands voldoende aannemelijk. Ook heeft Volkswagen voldoende aannemelijk gemaakt dat [gerekwestreerde] inbreuk op deze rechten maakt. Uit de beschikking volgt dat de gestelde inbreuk bestaat uit het invoeren, uitvoeren, aanbieden, in de handel brengen of voor deze doeleinden in voorraad hebben van auto’s van het type Volkswagen ID.6.

Volgens de voorzieningenrechter bestaat voldoende grond om het verbod zonder voorafgaand verhoor van [gerekwestreerde] toe te wijzen. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter het door Volkswagen aangevoerde spoedeisende belang en de mate waarin de merkinbreuk aannemelijk is gemaakt. De voorzieningenrechter beveelt [gerekwestreerde] om binnen 24 uur na betekening van de beschikking de inbreuk op de in het verzoekschrift genoemde merken in de Europese Unie te staken en gestaakt te houden. Het verbod ziet in het bijzonder op de handel in Volkswagen ID.6-auto’s. Aan het verbod is een dwangsom verbonden van € 100.000 voor iedere dag of ieder gedeelte van een dag dat [gerekwestreerde] het bevel overtreedt. Volkswagen kan in plaats daarvan aanspraak maken op een dwangsom van € 85.000 per inbreukmakend product. Voor de dwangsommen geldt een maximum van € 1.000.000. De voorzieningenrechter bepaalt de termijn voor het instellen van de hoofdzaak als bedoeld in artikel 1019i Rv op zes maanden na de datum van de beschikking.

aannemelijkheid van de inbreuk

☒ 2.1. Voorshands oordelend bestaat geen reden aan de geldigheid van de door verzoekster ingeroepen rechten te twijfelen en is voldoende aannemelijk gemaakt dat gerekwestreerde inbreuk op die rechten maakt, althans dat de voor artikel 194 lid 1 Rv vereiste rechtsbetrekking bestaat, om de toe te wijzen maatregelen te rechtvaardigen. Hierbij wordt opgemerkt dat dit voorlopige oordeel waar het een beslag, monsterneming en/of beschrijving betreft slechts na summier onderzoek tot stand is gekomen waarbij (in dit geval) alleen de verzoeker is gehoord. De drempel om een beslagverlof af te geven is in het algemeen relatief laag.

aannemelijkheid van de vereiste spoedeisendheid van het gevraagde bevel

☒ 2.2. Gelet op hetgeen in het verzoekschrift is aangevoerd ten aanzien van het spoedeisend belang van verzoekster en gelet op de mate van aannemelijkheid van de inbreuk, bestaat voldoende grond voor toewijzing van het gevraagde bevel tot staking van de inbreuk zonder gerekwestreerde voorafgaand te horen.