Gepubliceerd op maandag 11 mei 2026
IEF 23538
Rechtbank Den Haag ||
22 apr 2026
Rechtbank Den Haag 22 apr 2026, IEF 23538; ECLI:NL:RBDHA:2026:9754 ((LinXis tegen [partij 1] en [partij 2])), https://ie-forum.nl/artikelen/rb-den-haag-wijst-claim-op-mede-eigendom-van-linxis-octrooien-af

Rb. Den Haag wijst claim op mede-eigendom van LinXis-octrooien af

Rb. Den Haag 22 april 2026, IEF23538; ECLI:NL:RBDHA:2026:9754 (LinXis tegen [partij 1] en [partij 2]). De Rechtbank Den Haag oordeelt in dit geschil tussen biotechbedrijf LinXis en voormalig bestuurder en consultant [partij 1] dat [partij 1] geen aanspraak kan maken op een aandeel in de octrooifamilies van LinXis. In de latere managementovereenkomsten ontbraken weliswaar expliciete IE‑overdrachtsclausules, maar volgens de rechtbank laten de afspraken en de samenwerking tussen partijen zien dat de octrooirechten bij LinXis liggen. [partij 1] werkte sinds 2015 via verschillende vennootschappen voor LinXis als patent consultant en later als CBO, CFO en CEO. In de eerste managementovereenkomst uit 2015 stond een expliciete IE‑overdrachtsclausule. Die bepaling ontbrak in de overeenkomsten uit 2017 en 2019. Tijdens de samenwerking vroeg LinXis meerdere octrooifamilies aan, waarbij [partij 1] deels als uitvinder stond vermeld. Volgens [partij 1] lieten de latere overeenkomsten bewust ruimte voor eigen IE‑rechten en een latere vergoeding voor overdracht. De rechtbank volgt hem daarin niet. De rechtbank vindt het logisch dat LinXis als biotechonderneming alle IE‑rechten binnen het bedrijf wilde houden. Ook weegt mee dat [partij 1] in subsidie‑ en financieringsdocumenten namens LinXis sprak van “solely owned patent applications”. Daarnaast maakten partijen geen concrete afspraken over een aparte vergoeding voor IE‑overdracht. Omdat [partij 1] de overeenkomsten zelf namens beide partijen ondertekende, had hij volgens de rechtbank eventuele mede‑eigendomsrechten expliciet moeten vastleggen. De rechtbank verklaart zowel LinXis als [partij 1] niet‑ontvankelijk in hun vorderingen over het uitvinderschap wegens gebrek aan belang (Art. 3:303 BW). Ook als [partij 1] mede‑uitvinder is, betekent dat volgens de rechtbank nog niet dat hij recht heeft op de octrooien. De rechtbank wijst ook het verzoek af om [partij 1] uit de octrooiregisters te verwijderen. LinXis stemde eerder zelf in met zijn vermelding als uitvinder en maakte onvoldoende duidelijk welk nadeel dat nu oplevert. 

Ook een gevorderd verbod voor [partij 1] om zich nog als uitvinder of rechthebbende te presenteren houdt geen stand. Aanleiding daarvoor waren onder meer “third party observations” die [partij 1] bij het Europees Octrooibureau indiende tegen een van de octrooien van LinXis. De rechtbank erkent dat zulke handelingen kunnen botsen met loyaliteitsverplichtingen na afloop van een samenwerking, maar weegt ook de vrijheid van meningsuiting mee. Dat [partij 1] juridisch geen recht heeft op de octrooien, betekent niet dat hij daar publiekelijk niets meer over mag zeggen. In reconventie wordt de IE‑vordering van [partij 1] afgewezen, maar krijgt [partij 2] wél volledig gelijk over een financiële regeling uit de managementovereenkomst van 2019. Daarin spraken partijen af dat slechts 50% van de managementvergoeding direct zou worden gefactureerd totdat LinXis € 5 miljoen aan financiering had opgehaald. De overige 50% zou daarna alsnog worden betaald. Nu aan die financieringsvoorwaarde is voldaan, moet LinXis alsnog € 180.000 plus btw en wettelijke handelsrente betalen. Volgens de rechtbank staat nergens dat [partij 1] zelf voor die financiering moest zorgen of dat de overeenkomst nog moest lopen toen de financiering binnenkwam. De uitspraak laat zien hoe belangrijk duidelijke IE‑afspraken zijn binnen biotech‑ en techstart‑ups, zeker als bestuurders en consultants via hun eigen vennootschap werken. Ook blijkt dat voorwaardelijke vergoedingsregelingen kunnen doorwerken nadat een overeenkomst is geëindigd, als later alsnog aan de afgesproken voorwaarde wordt voldaan.

4.2. Ten aanzien van de vorderingen die gaan over de vraag of [partij 1] uitvinder is met betrekking tot de materie waarop de octrooien zien, geldt dat partijen daarin niet-ontvankelijk zijn. Dit volgt uit artikel 3:303 BW: “Zonder voldoende belang komt niemand een rechtsvordering toe.” Zoals hierna zal worden toegelicht, is de rechtbank van oordeel dat aan [partij 1] geen aanspraak op octrooi toekomt, ongeacht of hij mede-uitvinder is. De vaststelling dat [partij 1] al dan niet-uitvinder is derhalve niet relevant om de rechtsverhouding tussen partijen omtrent de octrooien vast te stellen. Onder die omstandigheden hebben partijen geen belang bij de vorderingen in conventie en reconventie onder I.

4.11. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat partijen vanaf de 2017 Overeenkomst een andere koers als hiervoor bedoeld zijn gaan varen. In de periode dat [partij 1] bij LinXis actief was, zijn de octrooien 4, 5 en 6 steeds onder zijn toezicht en/of instructie op naam van LinXis aangevraagd. [partij 1] heeft in de aanvraag in 2017 voor een innovatiekrediet ook bevestigd dat LinXis de enige rechthebbende op de octrooien is: “Our portfolio consists of solely owned patent applications.”1 Hij heeft niet voldoende feitelijk onderbouwd dat hem door LinXis een beloning voor eventuele uitvindersrechten in het vooruitzicht is gesteld. Gegeven het essentiële belang van LinXis op het behoud van haar IE-portefeuille, is ook niet aannemelijk dat partijen hebben beoogd dat LinXis haar IE-rechten zou delen met [partij 1] . Daarbij komt dat [partij 1] de 2017-Overeenkomst en de 2019-Overeenkomst namens [partij 2] én LinXis is aangegaan, zonder dat daarin iets is opgenomen over wie rechthebbende op de octrooien was. Als het de bedoeling van partijen was dat [partij 1] mede-rechthebbende zou zijn, had hij dat expliciet in de overeenkomsten moeten regelen, wat niet is gebeurd.

4.12.Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat [partij 1] jegens LinXis op grond van de contractuele verhoudingen tussen partijen geen aanspraak op de Octrooien toekomt. Dat brengt mee dat de op dit punt in conventie gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen en de reconventionele vorderingen die zien op het op naam van [partij 1] stellen van de octrooien zullen worden afgewezen.

4.19. Het voor de beoordeling van deze vorderingen te hanteren toetsingskader komt er op neer dat de vraag of [partij 1] met zijn uitlatingen onrechtmatig heeft gehandeld moet beantwoord worden aan de hand van een afweging tussen enerzijds het recht op bescherming van de eer en goede naam (waaronder ook moet worden begrepen de commerciële reputatie) van LinXis (artikel 10 Grondwet en artikel 8 EVRM) en anderzijds het recht op vrijheid van meningsuiting van [partij 1] (artikel 7 Grondwet en artikel 10 EVRM). Tussen die twee fundamentele rechten bestaat geen rangorde, zodat per geval aan de hand van de specifieke omstandigheden moet worden bepaald welk recht in deze situatie zwaarder moet wegen. Relevante omstandigheden bij die toetsing zijn onder meer de aard en context van de uitlatingen, de mate waarin de uitlatingen steun vinden in de feiten en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die uitlatingen betrekking hebben.

4.20. Dat in het onderhavige geval deze belangenafweging moet doorslaan in het voordeel van LinXis, is niet, althans onvoldoende door LinXis onderbouwd. Het enkele gegeven dat naar oordeel van de rechtbank [partij 1] geen aanspraak heeft op de octrooien, is niet voldoende om te rechtvaardigen dat het [partij 1] moet worden verboden om te zeggen dat hij van mening is dat hij die aanspraak wel heeft. Voor een dergelijke beperking van zijn uitingsvrijheid zijn meer omstandigheden nodig en die heeft LinXis niet naar voren gebracht, Een en ander geldt, mutatis mutandis, evenzeer ten aanzien van de uitvinderspretenties van [partij 1] .

4.27. De rechtbank ziet artikel 6.3 taalkundig gezien als een hele heldere bepaling: tot het moment dat LinXis is voorzien in haar financieringsbehoefte, is zij 50% van de overeengekomen managementvergoeding verschuldigd en als LinXis in haar financieringsbehoefte is voorzien zal de tweede helft van de managementvergoeding worden betaald. Hieruit volgt dat aan de opeisbaarheid van het tweede 50% van de managementvergoeding de opschortende voorwaarde is verbonden dat LinXis is voorzien in de financieringsbehoefte.

4.29. Dit een en ander leidt de rechtbank tot het oordeel dat LinXis het door [partij 2] gevorderde bedrag van € 180.000, te verhogen met BTW, verschuldigd is. Daarover zal de gevorderde wettelijke handelsrente worden toegewezen.